Chapter, Verse
1 3, 7 | dat Sara, een dochter van Raguël, te Ecbatana in Medië, ook
2 3, 25| om Sara, de dochter van Raguël, aan Tobias de zoon van
3 3, 25| is Sara, de dochter van Raguël, van haar opperzolder afgekomen.~
4 6, 12| Broeder, wij zullen heden te Raguël ter herberg gaan, en deze
5 6, 14| bruiloft houden, want ik ken Raguël wel, dat hij haar geen andere
6 7, 1 | gingen tot het huis van Raguël, en Sara kwam hen tegemoet,
7 7, 2 | bracht hen in het huis, en Raguël zeide tot zijn vrouw Edna:
8 7, 3 | 3 En Raguël vroeg hun: Van waar zijt
9 7, 7 | 7 En Raguël sprong op en kuste hem,
10 7, 9 | volbracht worden; en hij stelde Raguël die rede voor.~
11 7, 10| 10 En Raguël zeide tot Tobias: Eet en
12 7, 12| toegestaan zult hebben. Raguël zeide: Neem haar van nu
13 7, 18| 18 Daarna riep Raguël zijn vrouw Edna, en zeide
14 8, 9 | 9 En Raguël stond op, en ging heen,
15 8, 10| 10 En Raguël kwam in zijn huis, en zeide
16 8, 14| 14 En Raguël loofde God, zeggende: Geloofd
17 8, 17| bruiloft van veertien dagen, en Raguël zeide tot hem met ede, eer
18 9, 3 | tot de bruiloft, dewijl Raguël gezworen heeft, dat ik van
19 10, 9 | voleindigd waren, welke Raguël gezworen had dat hij daar
20 10, 10| 10 En Tobias zeide tot Raguël: Laat mij heengaan; want
21 10, 11| tot mijn vader trekken; en Raguël stond op, en gaf hem Sara
22 10, 13| gemaakt. En hij zegende Raguël en Edna, zijn vrouw.~ ~ ~
23 14, 14| vertrok naar Ecbatana, tot Raguël, zijn schoonvader.~
|