Chapter, Verse
1 1, 13| 13 Dewijl ik des Heren gedacht, met geheel
2 2, 2 | broederen, die gebrek heeft en des Heren gedenkt, en ziet,
3 3, 17| zuiver ben van alle misdaad des mans.~
4 3, 24| verhoord voor de heerlijkheid des groten Gods.~
5 4, 10| weggelegde schat, tegen de dag des noods.~
6 4, 12| in de tegenwoordigheid des Allerhoogsten.~
7 4, 14| trotsheid is een moeder des hongers.~
8 5, 21| ik u geven? een drachme des daags, en hetgeen u nodig
9 5, 25| weg te gaan, en de hond des jongelings ging met hen.
10 6, 14| wet van Mozes, of hij zou des doods schuldig zijn, dewijl
11 7, 20| goede moed, dochter, de Here des hemels en der aarde geve
12 9, 8 | 8 En des morgens vroeg gingen zij
13 10, 8 | 8 Des daags nu at zij niet, en
14 10, 8 | daags nu at zij niet, en des nachts hield zij niet op
15 10, 12| zeide: Kinderen, de God des hemels geve u voorspoed,
16 10, 13| Lieve broeder, de Here des hemels brenge u weder; en
17 12, 12| gebed voor het aangezicht des heiligen.~
18 12, 15| aanschijn van de heerlijkheid des heiligen.~
19 12, 21| werken Gods, hoe de engel des Heren door hen gezien was.~
20 13, 8 | mijn ziel zal de Koning des hemels loven, en zijn grote
21 13, 13| komen tot de naam Gods, des Heren, hebbende gaven in
22 13, 13| dat, gaven voor de Koning des hemels. Alle geslachten
23 14, 11| gedaan, en is uit de strik des doods verlost, die zij hem
|