Chapter, Verse
1 3, 11| zij dood zijn, zo ga met hen; geen zoon of dochter moeten
2 4, 14| dochteren uws volks, om uit hen voor uzelf een huisvrouw
3 5, 25| des jongelings ging met hen. En Anna, zijn moeder, schreide,
4 6, 16| hebben geen andere zoon die hen zou begraven.~
5 7, 1 | van Raguël, en Sara kwam hen tegemoet, en groette hen,
6 7, 1 | hen tegemoet, en groette hen, en zij weder haar.~
7 7, 2 | 2 En zij bracht hen in het huis, en Raguël zeide
8 7, 5 | 5 En hij zeide tot hen: Kent gij Tobias, onze broeder,
9 7, 6 | 6 En hij zeide tot hen: Is hij gezond? Zij zeiden:
10 7, 9 | 9 En zij ontvingen hen vriendelijk, en slachtten
11 7, 18| de andere kamer, en breng hen daarin.~
12 7, 19| hij zeide, en zij bracht hen daar, en zij weende, en
13 8, 12| had, ging zij in, en vond hen beiden slapende.~
14 10, 12| 12 En als hij hen gezegend had liet hij hen
15 10, 12| hen gezegend had liet hij hen gaan, en zeide: Kinderen,
16 11, 5 | de hond kwam mede achter hen.~
17 11, 18| Tobias bekende openlijk voor hen, dat God zich zijner had
18 12, 7 | 7 Toen riep hij hen beiden heimelijk en zeide
19 12, 7 | beiden heimelijk en zeide tot hen: Looft God, en dankt hem,
20 12, 17| 17 Doch hij zeide tot hen: Vreest niet, want vrede
21 12, 21| de engel des Heren door hen gezien was.~
22 14, 7 | weder ontfermen, en zal hen doen wederkeren in het land;
|