Chapter, Verse
1 3, 4 | ongehoorzaam geweest, en gij hebt ons overgegeven tot roof,
2 3, 10| 10 Gij hebt nu zeven mannen gehad, en
3 4, 7 | aalmoezen van hetgeen gij hebt, en uw oog zij niet nijdig
4 4, 8 | 8 Naar dat gij hebt, doe aalmoezen naar de menigte
5 4, 9 | 9 Zo gij weinig hebt, vrees niet naar het weinige
6 4, 15| terstond, en zo gij God gediend hebt, het zal u weergegeven worden.~
7 4, 17| Alles wat gij overvloedig hebt, geef dat tot aalmoezen,
8 4, 21| wij arm geworden zijn; gij hebt veel, indien gij God vreest,
9 5, 1 | alles wat gij mij geboden hebt, zal ik doen.~
10 5, 25| sprak tot Tobias: Waarom hebt gij ons kind weggezonden,
11 7, 9 | hetgeen waarvan gij gezegd hebt op de weg, en laat de zaak
12 8, 6 | 6 Gij hebt Adam gemaakt, en gij hebt
13 8, 6 | hebt Adam gemaakt, en gij hebt hem Eva zijn vrouw tot een
14 8, 6 | der mensen geboren. Gij hebt gezegd, het is niet goed
15 8, 14| Geloofd zijt gij, dat gij mij hebt verheugd, en dat mij niet
16 8, 14| ik gedacht had. Maar gij hebt met ons gehandeld naar uw
17 8, 15| Geloofd zijt gij, dat gij u hebt ontfermd over deze twee
18 11, 2 | gij uw vader achtergelaten hebt.~
19 11, 14| heilige engelen; want gij hebt mij gekastijd, en hebt u
20 11, 14| gij hebt mij gekastijd, en hebt u mijner ontfermd.~
21 12, 5 | alles wat gij meegebracht hebt,~
22 12, 19| noch gedronken, maar gij hebt een gezicht daarvan gezien.~
|