Chapter, Verse
1 3, 25| zoon van Tobias tot een vrouw te geven, en Asmodeüs de
2 4, 13| hoererij, en neem u een vrouw van het zaad uwer vaderen,
3 4, 13| vaderen, en neem geen vreemde vrouw, die niet is uit de stam
4 6, 9 | die voor die man of die vrouw, en hij zal niet meer gekweld
5 6, 18| broeder, want zij zal uw vrouw zijn. En heb geen zorg voor
6 6, 19| nacht zal zij u tot een vrouw gegeven worden, en als gij
7 7, 2 | en Raguël zeide tot zijn vrouw Edna: Hoe gelijkt deze jongeling
8 7, 8 | 8 En Edna, zijn vrouw, en Sara zijn dochter weenden
9 7, 15| hij haar Tobias tot een vrouw, en zeide: Zie, neem haar
10 7, 16| 16 En hij riep Edna, zijn vrouw, en nam een boekje, en schreef
11 7, 18| Daarna riep Raguël zijn vrouw Edna, en zeide tot haar:
12 8, 6 | en gij hebt hem Eva zijn vrouw tot een hulp en steunsel
13 8, 10| en zeide tot Edna zijn vrouw:~
14 8, 18| geworden, wanneer ik en mijn vrouw zullen gestorvan zijn,~
15 9, 8 | En Tobias zegende zijn vrouw.~
16 10, 3 | werd zeer bedroefd. En zijn vrouw zeide tot hem: Onze zoon
17 10, 11| op, en gaf hem Sara zijn vrouw, en de helft van zijn goederen,
18 10, 13| zegende Raguël en Edna, zijn vrouw.~ ~ ~
19 11, 3 | ons vooruit lopen voor uw vrouw, en het huis bereiden.~
20 12, 3 | gezond wedergebracht en mijn vrouw genezen, en hij heeft mijn
21 14, 14| vader. En Tobias met zijn vrouw en zijn zonen vertrok naar
|