Chapter, Verse
1 1, 25| het voor mij, en ik kwam weder te Nineve. Achiachar nu
2 2, 1 | 1 EN toen ik weder in mijn huis ben gekomen,
3 2, 1 | en mijn zoon Tobias mij weder gegeven waren,~
4 2, 3 | 3 En hij weder komende zeide: Vader, een
5 2, 10| diezelfde nacht keerde ik weder na het begraven, en dewijl
6 2, 14| geeft het de rechte heer weder, want het is ons niet geoorloofd
7 2, 14| zeide dat zij het de heren weder geven zoude.~
8 5, 28| zuster, hij zal gezond weder komen, en uw ogen zullen
9 5, 29| zijn, en hij zal gezond weder keren; en zij hield op van
10 6, 14| aanspreken, en wanneer wij weder zullen keren van Ragis,
11 7, 1 | en groette hen, en zij weder haar.~
12 8, 13| 13 En zij kwam weder uit, en boodschapte hun,
13 10, 13| Here des hemels brenge u weder; en geve mij dat ik uw kinderen
14 13, 2 | in de hel, en brengt er weder uit, en daar is niemand
15 13, 4 | ongerechtigheden, en zal zich weder onzer ontfermen, en zal
16 13, 7 | 7 Keert weder gij zondaars, en doet gerechtigheid
17 13, 10| kinderen, en hij zal zich weder ontfermen over de kinderen
18 13, 11| eeuwigheid, opdat zijn tabernakel weder met vreugde in u mag gebouwd
19 14, 3 | En na acht jaren werd hij weder ziende,~
20 14, 7 | 7 En God zal zich hunner weder ontfermen, en zal hen doen
|