Chapter, Verse
1 1, 6 | Israëls met een eeuwig gebod, bij mij hebbende de eerstelingen
2 1, 20| gestorven was, en geworpen bij de muur der stad Nineve,
3 2, 14| 14 En toen zij bij mij gekomen was, begon het
4 2, 15| het is alles bekend, wat bij u is.~
5 3, 8 | had die gedood, eer zij bij haar waren gekomen als men
6 3, 8 | haar waren gekomen als men bij de vrouwen pleegt.~
7 4, 2 | 2 En hij zeide bij zichzelf: Ik heb om de dood
8 4, 15| die voor u gearbeid heeft, bij u vernachten, maar geef
9 4, 19| 19 Zoek raad bij een ieder die verstandig
10 4, 20| Want geen volk heeft raad bij zich; maar de Here zelf
11 5, 9 | met u trekken, want ik heb bij Gabaël onze broeder geherbergd.~
12 6, 7 | weg, totdat zij kwamen tot bij Ecbatana.~
13 7, 15| 15 En nemende haar bij de hand, gaf hij haar Tobias
14 8, 4 | 4 En als zij nu beiden bij elkander gesloten waren,
15 9, 6 | reisde heen, en vernachtte bij Gabaël, en gaf hem het handschrift.~
16 10, 11| schoonvader zeide tot hem: Blijf bij mij, en ik zal tot uw vader
17 11, 18| ontfermd. En als Tobias bij Sara, zijn schoondochter
18 12, 13| begroeft, zo was ik insgelijks bij u; en als gij u niet bezwaardet
19 12, 13| niet onbekend, maar ik was bij u.~
20 14, 14| was, zo begroef hij die bij zijn vader. En Tobias met
|