Chapter, Verse
1 1, 9 | ik Anna, uit het zaad van ons geslacht, tot een huisvrouw,
2 2, 3 | komende zeide: Vader, een uit ons geslacht ligt verworgd en
3 2, 14| heer weder, want het is ons niet geoorloofd te eten
4 3, 4 | ongehoorzaam geweest, en gij hebt ons overgegeven tot roof, en
5 3, 11| 11 Wat slaat gij ons om hunnentwil? indien zij
6 5, 25| Tobias: Waarom hebt gij ons kind weggezonden, en is
7 5, 25| als hij uit en ingaat voor ons?~
8 5, 27| 27 Want zulks als ons van de Here gegeven is om
9 5, 27| gegeven is om te leven, dat is ons genoeg.~
10 8, 4 | Sta op, zuster, en laat ons bidden, opdat zich de Here
11 8, 6 | de mens alleen zij, laat ons hem een hulp maken, die
12 8, 14| gedacht had. Maar gij hebt met ons gehandeld naar uw grote
13 11, 3 | 3 Laat ons vooruit lopen voor uw vrouw,
14 11, 18| geloofd zij God die u tot ons heeft gebracht: desgelijks
15 13, 3 | de heidenen, dewijl hij ons onder deze heeft verstrooid;
16 13, 4 | 4 Hij zal ons kastijden in onze ongerechtigheden,
17 13, 4 | onzer ontfermen, en zal ons bijeenvergaderen uit alle
18 13, 4 | volken, onder welke hij ons verstrooid heeft. Zo gij
19 13, 21| 21 Geloofd zij God, die ons verheven heeft in alle eeuwigheid.~
|