Chapter, Verse
1 4, 13| vrouwen genomen hebben uit hun broederen, en zij zijn gezegend
2 4, 13| en zij zijn gezegend in hun kinderen, en hun zaad zal
3 4, 13| gezegend in hun kinderen, en hun zaad zal het aardrijk beërven.~
4 4, 17| heeft, en van uw klederen hun die naakt zijn. Alles wat
5 6, 1 | 1 EN ze reisden hun weg heen, en kwamen tegen
6 6, 7 | zij, en zij reisden beiden hun weg, totdat zij kwamen tot
7 6, 16| met smarten over mij in hun graf neder brengen, en zij
8 7, 3 | 3 En Raguël vroeg hun: Van waar zijt gij, broeders?~
9 7, 9 | van de schapen, en zetten hun veel spijs voor. Maar Tobias
10 8, 13| weder uit, en boodschapte hun, dat hij leefde.~
11 8, 15| twee eniggeborenen; bewijs hun, o Here, barmhartigheid
12 8, 15| barmhartigheid en voleindig hun leven in gezondheid, met
13 8, 17| 17 En hij bereidde hun een bruiloft van veertien
14 12, 10| zondigen, zijn vijanden van hun eigen leven.~
15 13, 13| Heren, hebbende gaven in hun handen, en dat, gaven voor
16 14, 7 | zullen zij wederkeren uit hun gevangenis, en zullen Jeruzalem
17 14, 8 | Here te vrezen, en zullen hun afgoden begraven. En alle
18 14, 15| schoonmoeder heerlijk, en erfde hun goed, en het goed zijns
|