Chapter, Verse
1 1, 16| bewaring aan Gabaël, de broeder van Gabriël, binnen de stad
2 1, 24| de zoon van Anaël, mijn broeder, over al de rekeningen zijns
3 5, 9 | want ik heb bij Gabaël onze broeder geherbergd.~
4 5, 13| En Tobias zeide tot hem: Broeder uit welke stam en uit welk
5 5, 14| En Tobias zeide tot hem: Broeder, ik wilde uw geslacht en
6 5, 16| Tobias zeide: Welkom zijt gij broeder.~
7 5, 18| 18 Ook gij zijt mijn broeder, uit een eerlijk en goed
8 5, 21| 21 Broeder, gij zijt van een groot
9 6, 8 | zeide tot de engel: Azarias, broeder, wat is van het hart, en
10 6, 12| engel tot de jongeling: Broeder, wij zullen heden te Raguël
11 6, 15| jongeling tot de engel: Azarias, broeder, ik heb gehoord dat deze
12 6, 18| 18 En nu hoor mij, broeder, want zij zal uw vrouw zijn.
13 7, 5 | hen: Kent gij Tobias, onze broeder, wel? En zij zeiden: Ja
14 7, 9 | Tobias zeide tot Rafaël: Broeder Azarias, spreek nul van
15 7, 12| recht, want gij zijt haar broeder, en zij is uw zuster.~
16 9, 2 | zeide tot hem: Azarias, broeder,~
17 10, 13| zeide tot Tobias: Lieve broeder, de Here des hemels brenge
18 11, 2 | zeide tot Tobias: Gij weet, broeder, hoe gij uw vader achtergelaten
|