Chapter, Verse
1 2, 15| ziet het is alles bekend, wat bij u is.~
2 3, 11| 11 Wat slaat gij ons om hunnentwil?
3 4, 3 | dagen uws levens, en doe wat haar behaaglijk is, en bedroef
4 4, 17| hun die naakt zijn. Alles wat gij overvloedig hebt, geef
5 5, 1 | antwoordende, zeide: Vader, alles wat gij mij geboden hebt, zal
6 5, 21| geslacht. Maar zeg mij, wat loon zal ik u geven? een
7 5, 21| zal boven het loon u nog wat toeleggen, indien gijlieden
8 6, 8 | engel: Azarias, broeder, wat is van het hart, en de lever,
9 6, 9 | 9 En hij zeide tot hem: Wat het hart en de lever betreft,
10 7, 11| zij tegen die nacht. Maar wat nu belangt, zijt vrolijk.~
11 12, 5 | Neem de helft van alles wat gij meegebracht hebt,~
12 12, 20| gezonden heeft, en schrijf al wat geschied is in een boek.~
13 13, 3 | het aanschijn van alles wat leeft, gelijk hij onze Here
14 14, 6 | houd voor gewis, dat alles wat Jona de profeet heeft gesproken
15 14, 10| 10 Mijn zoon, zie, wat Haman gedaan heeft aan Achiachar,
16 14, 10| duisternis gebracht heeft; en wat hij hem vergolden heeft.~
17 14, 12| 12 En nu, mijn kind, zie wat aalmoezen doen, en hoe gerechtigheid
|