1-500 | 501-624
Chapter, Verse
501 12, 8 | Gods openbaart. Doet goed, en het kwaad zal ulieden niet
502 12, 9 | 9 Het gebed met vasten, en aalmoezen, en gerechtigheid
503 12, 9 | met vasten, en aalmoezen, en gerechtigheid is een goede
504 12, 9 | aalmoes verlost van de dood en zij zuivert alle zonde af.
505 12, 9 | zonde af. Die aalmoezen en gerechtigheid doen, zullen
506 12, 12| Wanneer gij dan nu badt, gij, en uw schoondochter Sara, zo
507 12, 13| 13 En wanneer gij de doden begroeft,
508 12, 13| was ik insgelijks bij u; en als gij u niet bezwaardet
509 12, 13| bezwaardet op te staan, en uw middagmaal te verlaten,
510 12, 13| verlaten, opdat gij heengingt en de doden met grafdoeken
511 12, 14| 14 En nu heeft mij God gezonden
512 12, 14| gezonden om u te genezen, en uw schoondochter Sara.~
513 12, 15| heiligen voor God brengen, en ingaan voor het aanschijn
514 12, 16| 16 En zij werden beiden ontroerd
515 12, 16| zij werden beiden ontroerd en vielen op het aangezicht,
516 12, 19| dagen ben ik door u gezien, en heb noch gegeten noch gedronken,
517 12, 20| 20 En nu dankt God, want ik klim
518 12, 20| die mij gezonden heeft, en schrijf al wat geschied
519 12, 21| 21 En zij stonden op, en zagen
520 12, 21| 21 En zij stonden op, en zagen hem niet meer. En
521 12, 21| en zagen hem niet meer. En zij prezen openlijk de grote
522 12, 21| prezen openlijk de grote en wonderlijke werken Gods,
523 13, 1 | 1 EN Tobias schreef een gebed
524 13, 1 | een gebed tot verheuging en sprak:~
525 13, 2 | in der eeuwigheid leeft, en geloofd zij zijn koninkrijk.
526 13, 2 | koninkrijk. Want hij kastijdt en ontfermt; hij legt neder
527 13, 2 | hij legt neder in de hel, en brengt er weder uit, en
528 13, 2 | en brengt er weder uit, en daar is niemand die zijn
529 13, 3 | zijn grote heerlijkheid, en verheft hem voor het aanschijn
530 13, 3 | gelijk hij onze Here is, en God onze Vader is in alle
531 13, 4 | in onze ongerechtigheden, en zal zich weder onzer ontfermen,
532 13, 4 | zich weder onzer ontfermen, en zal ons bijeenvergaderen
533 13, 4 | wederkeert met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, om oprechtheid
534 13, 4 | tot ulieden wederkeren, en zal zijn aangezicht voor
535 13, 4 | aangezicht voor u niet verbergen, en gij zult aanschouwen hetgeen
536 13, 5 | 5 En zult hem danken met geheel
537 13, 5 | danken met geheel uw mond, en gij zult de Here der gerechtigheid
538 13, 5 | der gerechtigheid loven, en zult de Koning der eeuwigheid
539 13, 6 | gevangenis hem openlijk belijden, en zal zijn kracht en grote
540 13, 6 | belijden, en zal zijn kracht en grote heerlijkheid het zondige
541 13, 7 | Keert weder gij zondaars, en doet gerechtigheid voor
542 13, 7 | of hij lust tot u kreeg, en u barmhartigheid bewees?~
543 13, 8 | zal mijn God verheffen, en mijn ziel zal de Koning
544 13, 8 | Koning des hemels loven, en zijn grote heerlijkheid
545 13, 9 | 9 Dat een ieder spreke, en hem dankzegge in gerechtigheid.~
546 13, 10| de werken uwer kinderen, en hij zal zich weder ontfermen
547 13, 11| Here, want hij is goed, en looft de Koning der eeuwigheid,
548 13, 12| 12 En hij de gevangenen in u verheuge,
549 13, 12| gevangenen in u verheuge, en de ellendigen in u liefhebbe,
550 13, 13| hebbende gaven in hun handen, en dat, gaven voor de Koning
551 13, 13| elkander zullen u prijzen, en zullen u vervrolijking toebrengen.~
552 13, 15| 15 Verblijd u, en vervrolijk u over de kinderen
553 13, 15| bijeenvergaderd worden, en zij zullen de Here der rechtvaardigen
554 13, 16| heerlijkheid hebben aanschouwd, en zullen zich vervrolijken
555 13, 18| Jeruzalem zal met safyr, en smaragd, en met kostelijke
556 13, 18| zal met safyr, en smaragd, en met kostelijke stenen gebouwd
557 13, 19| 19 En uw muren, en uw torens en
558 13, 19| 19 En uw muren, en uw torens en bolwerken met
559 13, 19| En uw muren, en uw torens en bolwerken met zuiver goud.~
560 13, 20| 20 En de straten van Jeruzalem
561 13, 20| Jeruzalem zullen met berylsteen en karbonkel, en stenen uit
562 13, 20| berylsteen en karbonkel, en stenen uit Ofir bestraat
563 13, 20| uit Ofir bestraat worden, en al haar wijken zullen zeggen:
564 13, 20| zullen zeggen: Halleluja! en zullen prijs zingen, zeggende:~
565 14, 1 | 1 EN Tobias hield op van dankzeggen,~
566 14, 2 | 2 En was acht en vijftig jaren
567 14, 2 | 2 En was acht en vijftig jaren oud, toen
568 14, 3 | 3 En na acht jaren werd hij weder
569 14, 4 | 4 En deed aalmoezen.~
570 14, 5 | 5 En hij voer voort God de Here
571 14, 5 | voort God de Here te vrezen, en beleed hem openlijk.~
572 14, 6 | 6 En hij werd zeer oud, en hij
573 14, 6 | 6 En hij werd zeer oud, en hij riep zijn zoon, en zijn
574 14, 6 | en hij riep zijn zoon, en zijn zes kleinzonen, en
575 14, 6 | en zijn zes kleinzonen, en zeide tot hem: Kind, neem
576 14, 6 | ziet, ik ben oud geworden, en ben nabij om uit dit leven
577 14, 6 | over Nineve geschieden zal, en dat het verwoest zal worden, (
578 14, 6 | vrede zijn voor een tijd) en dat onze broeders over de
579 14, 6 | worden, uit het goede land; en Jeruzalem zal woest wezen,
580 14, 6 | Jeruzalem zal woest wezen, en het huis Gods daarin zal
581 14, 6 | daarin zal verbrand worden, en zal woest zijn voor een
582 14, 7 | 7 En God zal zich hunner weder
583 14, 7 | hunner weder ontfermen, en zal hen doen wederkeren
584 14, 7 | wederkeren in het land; en zij zullen het huis bouwen,
585 14, 7 | wereld zullen vervuld zijn. En daarna zullen zij wederkeren
586 14, 7 | wederkeren uit hun gevangenis, en zullen Jeruzalem kostelijk
587 14, 7 | Jeruzalem kostelijk opbouwen; en het huis Gods zal daarin
588 14, 7 | zal daarin gebouwd worden, en het zal een heerlijk gebouw
589 14, 8 | 8 En alle heidenen zullen waarachtig
590 14, 8 | om God de Here te vrezen, en zullen hun afgoden begraven.
591 14, 8 | zullen hun afgoden begraven. En alle heidenen zullen de
592 14, 8 | heidenen zullen de Here loven; en zijn volk zal de Here belijden,
593 14, 8 | volk zal de Here belijden, en God zal zijn volk verhogen;
594 14, 8 | zal zijn volk verhogen; en allen die God de Here liefhebben,
595 14, 8 | zich verblijden in waarheid en gerechtigheid, doende barmhartigheid
596 14, 9 | 9 En nu, mijn zoon, vertrek van
597 14, 9 | maar gij, bewaar de wet en de geboden, en heb barmhartigheid
598 14, 9 | bewaar de wet en de geboden, en heb barmhartigheid lief,
599 14, 9 | heb barmhartigheid lief, en zijt rechtvaardig, opdat
600 14, 9 | rechtvaardig, opdat het u welga; en begraaf mij heerlijk en
601 14, 9 | en begraaf mij heerlijk en uw moeder met mij, en blijf
602 14, 9 | heerlijk en uw moeder met mij, en blijf niet langer in Nineve.~
603 14, 10| duisternis gebracht heeft; en wat hij hem vergolden heeft.~
604 14, 11| 11 En Achiachar is wel verlost
605 14, 11| zijn vergelding gekregen, en is in de duisternis nedergedaald.
606 14, 11| heeft aalmoezen gedaan, en is uit de strik des doods
607 14, 11| is in de strik gevallen en omgekomen.~
608 14, 12| 12 En nu, mijn kind, zie wat aalmoezen
609 14, 12| zie wat aalmoezen doen, en hoe gerechtigheid verlost.~
610 14, 13| 13 En als hij dit zeide, begaf
611 14, 13| hem de ziel op het bed. En hij was honderdachtenvijftig
612 14, 13| honderdachtenvijftig jaren oud; en hij begroef hem heerlijk.~
613 14, 14| 14 En als Anna, zijn moeder, gestorven
614 14, 14| hij die bij zijn vader. En Tobias met zijn vrouw en
615 14, 14| En Tobias met zijn vrouw en zijn zonen vertrok naar
616 14, 15| 15 En kwam tot een goede ouderdom
617 14, 15| goede ouderdom met ere, en hij begroef zijn schoonvader
618 14, 15| begroef zijn schoonvader en schoonmoeder heerlijk, en
619 14, 15| en schoonmoeder heerlijk, en erfde hun goed, en het goed
620 14, 15| heerlijk, en erfde hun goed, en het goed zijns vaders Tobias.~
621 14, 16| 16 En hij stierf, oud zijnde honderdenzevenentwintig
622 14, 17| 17 En eer hij stierf hoorde hij
623 14, 17| Nineve, welke Nabuchodonosor en Assuërus ingenomen hadden,
624 14, 17| Assuërus ingenomen hadden, en hij verblijdde zich over
1-500 | 501-624 |