Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
dankzegge 1
dankzeggen 1
dat 71
de 259
debora 1
deed 4
degene 2
Frequency    [«  »]
-----
-----
624 en
259 de
130 ik
121 hij
121 zijn

Het boek Tobit (Tobias)

IntraText - Concordances

de

    Chapter, Verse
1 1, 1 | geschiedenissen van Tobias, de zoon van Tobias, de zoon 2 1, 1 | Tobias, de zoon van Tobias, de zoon van Ananiël, de zoon 3 1, 1 | Tobias, de zoon van Ananiël, de zoon van Aduël, de zoon 4 1, 1 | Ananiël, de zoon van Aduël, de zoon van Gabaël, uit het 5 1, 1 | het zaad van Azaël, uit de stam van Naftali.~ 6 1, 2 | gevankelijk weggevoerd werd in de dagen van Enemessar, de 7 1, 2 | de dagen van Enemessar, de koning der Assyriërs, uit 8 1, 2 | Thisbe: welke gelegen is aan de rechter zijde der stad, 9 1, 3 | 3 Ik, Tobias, heb al de dagen mijns levens gewandeld 10 1, 3 | mijns levens gewandeld in de wegen der waarheid, en der 11 1, 5 | 5 Opdat al de stammen daar zouden offeren, 12 1, 5 | daar zouden offeren, en de tempel der woning van de 13 1, 5 | de tempel der woning van de Allerhoogste was geheiligd 14 1, 5 | geslachten der wereld. En al de stammen, die tezamen afgeweken 15 1, 6 | alleen naar Jeruzalem op de feestdagen, gelijk bevolen 16 1, 6 | gebod, bij mij hebbende de eerstelingen en de tienden 17 1, 6 | hebbende de eerstelingen en de tienden der vruchten, en 18 1, 6 | tienden der vruchten, en de eerste wol, en gaf deze 19 1, 6 | eerste wol, en gaf deze de priesters, de zonen Aärons, 20 1, 6 | en gaf deze de priesters, de zonen Aärons, voor het altaar.~ 21 1, 7 | 7 De eerste tienden van al de 22 1, 7 | De eerste tienden van al de vruchten gaf ik de kinderen 23 1, 7 | van al de vruchten gaf ik de kinderen Aärons, die binnen 24 1, 7 | binnen Jeruzalem dienden, en de tweede tienden verkocht 25 1, 8 | 8 En de derde gaf ik die het betaamde, 26 1, 8 | betaamde, gelijk Debora, de moeder mijns vaders, geboden 27 1, 11| geslacht waren, gegeten van de broden der heidenen,~ 28 1, 14| 14 En de Allerhoogste gaf mij genade, 29 1, 16| in bewaring aan Gabaël, de broeder van Gabriël, binnen 30 1, 16| broeder van Gabriël, binnen de stad Rages in Medië.~ 31 1, 19| 19 En in de dagen van Enemessar deed 32 1, 20| 20 Ik gaf mijn brood de hongerigen, en klederen 33 1, 20| hongerigen, en klederen de naakten, en zo ik iemand 34 1, 20| gestorven was, en geworpen bij de muur der stad Nineve, die 35 1, 21| 21 En zo de koning Sennacherib iemand 36 1, 21| velen in zijn toorn) en de lichamen werden door de 37 1, 21| de lichamen werden door de koning gezocht en niet gevonden.~ 38 1, 22| Nineve ging heen, en gaf de koning van mij te kennen, 39 1, 24| doodden, en zij vloden op de gebergten Ararat, en Achirdonus, 40 1, 24| En hij zette Achiachar, de zoon van Anaël, mijn broeder, 41 1, 24| Anaël, mijn broeder, over al de rekeningen zijns vaders, 42 1, 25| en Achirdonus stelde hem de tweede naast zich, en hij 43 1, 25| tweede naast zich, en hij was de zoon mijns broeders.~ 44 2, 3 | verworgd en geworpen op de markt.~ 45 2, 4 | in een zeker huis, totdat de zon zou ondergegaan zijn.~ 46 2, 8 | 8 En als de zon ondergegaan was, ging 47 2, 9 | 9 En de buren belachten mij, zeggende: 48 2, 9 | ziet, wederom begraaft hij de dode.~ 49 2, 10| onrein was, sliep ik aan de muur van de voorplaats en 50 2, 10| sliep ik aan de muur van de voorplaats en mijn aangezicht 51 2, 10| wist niet dat er mussen in de muur waren;~ 52 2, 11| opgedaan zijnde, zo wierpen de mussen hete mest in mijn 53 2, 11| mijn ogen en ik ging tot de medicijnmeesters, maar zij 54 2, 12| maakte handwerk van wol in de vrouwenkameren.~ 55 2, 13| 13 En zond dat de heren toe, en zij gaven 56 2, 14| niet gestolen? geeft het de rechte heer weder, want 57 2, 14| niet, en zeide dat zij het de heren weder geven zoude.~ 58 3, 3 | onwetendheid, noch naar de zonden mijner vaderen, die 59 3, 4 | spreekwoord der versmading alle de volken, waaronder wij verstrooid 60 3, 6 | nood, en opgenomen worde in de eeuwige plaatsen, en keer 61 3, 7 | ook zelf gesmaad werd door de dienstmaagden haars vaders.~ 62 3, 8 | was gegeven, en Asmodeüs, de boze geest, had die gedood, 63 3, 8 | waren gekomen als men bij de vrouwen pleegt.~ 64 3, 16| mij zoudt verlossen van de aarde, en dat ik niet meer 65 3, 18| naam niet bezoedeld, noch de naam mijns vaders in het 66 3, 24| beiden werd verhoord voor de heerlijkheid des groten 67 3, 25| te genezen: namelijk om de witte schellen van Tobias' 68 3, 25| af te doen, en om Sara, de dochter van Raguël, aan 69 3, 25| dochter van Raguël, aan Tobias de zoon van Tobias tot een 70 3, 25| vrouw te geven, en Asmodeüs de boze geest te binden, aangezien 71 3, 25| huis gekomen, en is Sara, de dochter van Raguël, van 72 4, 2 | bij zichzelf: Ik heb om de dood gebeden, waarom roep 73 4, 3 | moeder niet; eer haar al de dagen uws levens, en doe 74 4, 6 | Gedenk, kind, alle tijd de Here onze God, en wil niet 75 4, 6 | oefen gerechtigheid al de dagen uws levens, en wandel 76 4, 6 | levens, en wandel niet in de wegen der ongerechtigheid. 77 4, 6 | werken, en met al degenen die de gerechtigheid doen.~ 78 4, 8 | hebt, doe aalmoezen naar de menigte der dingen.~ 79 4, 10| weggelegde schat, tegen de dag des noods.~ 80 4, 11| 11 Dewijl de aalmoes van de dood verlost, 81 4, 11| 11 Dewijl de aalmoes van de dood verlost, en niet in 82 4, 11| dood verlost, en niet in de duisternis laat komen.~ 83 4, 12| degenen, die deze doen, in de tegenwoordigheid des Allerhoogsten.~ 84 4, 13| vreemde vrouw, die niet is uit de stam uws vaders, dewijl 85 4, 14| hart van uw broederen, en de zonen en dochteren uws volks, 86 4, 14| huisvrouw te nemen. Want in de hovaardigheid is verderf 87 4, 14| vermindering en groot gebrek, want de trotsheid is een moeder 88 4, 18| rechtvaardigen, en geef het niet de zondaren.~ 89 4, 20| 20 Loof de Here te allen tijde, en 90 4, 20| heeft raad bij zich; maar de Here zelf geeft al het goed, 91 4, 21| nu voorts wijs ik u aan de tien talenten zilvers, die 92 4, 21| zilvers, die ik aan Gabaël, de zoon van Gabrias te Ragis 93 5, 9 | 9 En de engel zeide tot hem: Ik 94 5, 15| dan zeide: Ik ben Azarias, de zoon van de grote Ananias, 95 5, 15| ben Azarias, de zoon van de grote Ananias, een uwer 96 5, 18| ken Ananias en Jonathan, de zonen van de grote Semeï 97 5, 18| en Jonathan, de zonen van de grote Semeï wel;~ 98 5, 19| aanbidden, daarheen brengende de eerstgeborenen van het vee 99 5, 19| eerstgeborenen van het vee en de tienden der vruchten.~ 100 5, 20| niet verleid geworden tot de afdwaling onzer broederen.~ 101 5, 23| Tobias: Maak u gereed tot de weg, en het ga ulieden wel.~ 102 5, 24| zoon bereidde hetgeen tot de reis nodig was, en zijn 103 5, 24| man heen, en God die in de hemel woont, zal uw weg 104 5, 24| weg voorspoedig maken, en de engel Gods trekke met ulieden.~ 105 5, 25| beiden uit om weg te gaan, en de hond des jongelings ging 106 5, 25| weggezonden, en is hij niet de stok van onze hand, als 107 5, 27| 27 Want zulks als ons van de Here gegeven is om te leven, 108 6, 1 | weg heen, en kwamen tegen de avond aan de rivier Tigris, 109 6, 1 | kwamen tegen de avond aan de rivier Tigris, en vernachtten 110 6, 2 | 2 En de jongeling klom neder om 111 6, 2 | en een vis schoot op uit de rivier.~ 112 6, 3 | 3 En hij wilde de jongeling verslinden.~ 113 6, 4 | 4 Maar de engel zeide tot hem: Grijp 114 6, 4 | engel zeide tot hem: Grijp de vis aan.~ 115 6, 5 | 5 En de jongeling vatte de vis en 116 6, 5 | 5 En de jongeling vatte de vis en wierp hem op het 117 6, 6 | 6 En de engel zeide tot hem: Snijd 118 6, 6 | engel zeide tot hem: Snijd de vis in stukken, en neem 119 6, 6 | stukken, en neem het hart, en de lever, en de gal, en leg 120 6, 6 | het hart, en de lever, en de gal, en leg ze weg om te 121 6, 7 | 7 En de jongeling deed gelijk de 122 6, 7 | de jongeling deed gelijk de engel hem gezegd had, maar 123 6, 7 | engel hem gezegd had, maar de vis braadden en aten zij, 124 6, 8 | 8 En de jongeling zeide tot de engel: 125 6, 8 | En de jongeling zeide tot de engel: Azarias, broeder, 126 6, 8 | wat is van het hart, en de lever, en de gal van deze 127 6, 8 | het hart, en de lever, en de gal van deze vis?~ 128 6, 9 | tot hem: Wat het hart en de lever betreft, indien iemand 129 6, 9 | iemand gekweld wordt van de duivel of boze geest, moet 130 6, 10| 10 En bestrijk met de gal een mens, die witte 131 6, 12| 12 Zo zeide de engel tot de jongeling: 132 6, 12| 12 Zo zeide de engel tot de jongeling: Broeder, wij 133 6, 14| van Ragis, zo zullen wij de bruiloft houden, want ik 134 6, 14| andere man zal geven naar de wet van Mozes, of hij zou 135 6, 14| zijn, dewijl het u betaamt de erfenis te ontvangen meer 136 6, 15| 15 Toen zeide de jongeling tot de engel: 137 6, 15| Toen zeide de jongeling tot de engel: Azarias, broeder, 138 6, 16| sterven zal, gelijk als de voorgaanden, dewijl een 139 6, 17| 17 En de engel zeide tot hem: Gedenkt 140 6, 17| tot hem: Gedenkt gij niet de woorden, die uw vader u 141 6, 19| worden, en als gij ingaat in de bruidskamer, zo zult gij 142 6, 19| leggen van het hart en van de lever van de vis, en zult 143 6, 19| hart en van de lever van de vis, en zult roken.~ 144 6, 20| 20 En de duivel zal het ruiken en 145 6, 21| staat beiden op, en roept de barmhartige God aan, en 146 7, 4 | zij zeiden tot hem: Uit de kinderen van Naftali zijn 147 7, 4 | van Naftali zijn wij, van de gevangenen te Nineve.~ 148 7, 9 | en slachtten een ram van de schapen, en zetten hun veel 149 7, 9 | waarvan gij gezegd hebt op de weg, en laat de zaak volbracht 150 7, 9 | hebt op de weg, en laat de zaak volbracht worden; en 151 7, 11| 11 Doch ik wil u de waarheid openbaren. Ik heb 152 7, 13| 13 En de barmhartige God brenge ulieden 153 7, 15| 15 En nemende haar bij de hand, gaf hij haar Tobias 154 7, 15| zeide: Zie, neem haar naar de wet van Mozes tot u, en 155 7, 18| tot haar: Zuster, bereid de andere kamer, en breng hen 156 7, 19| zij weende, en ontving ook de tranen van haar dochter,~ 157 7, 20| Heb goede moed, dochter, de Here des hemels en der aarde 158 8, 2 | hij ging, dacht hij aan de woorden van Rafaël, en nam 159 8, 2 | woorden van Rafaël, en nam de as der reukofferen, en legde 160 8, 2 | reukofferen, en legde het hart en de lever van de vis daarop 161 8, 2 | het hart en de lever van de vis daarop en maakte rook.~ 162 8, 3 | 3 En als de duivel de reuk rook, zo 163 8, 3 | 3 En als de duivel de reuk rook, zo vlood hij 164 8, 3 | rook, zo vlood hij naar de bovenste delen van Egypte, 165 8, 3 | bovenste delen van Egypte, en de engel bond hem daar.~ 166 8, 4 | laat ons bidden, opdat zich de Here onzer ontferme.~ 167 8, 5 | der eeuwigheid, u moeten de hemelen loven, en al uw 168 8, 6 | gezegd, het is niet goed dat de mens alleen zij, laat ons 169 8, 8 | Amen. En zij sliepen beiden de nacht over.~ 170 8, 12| 12 En als de dienstmaagd de deur opengedaan 171 8, 12| 12 En als de dienstmaagd de deur opengedaan had, ging 172 8, 16| 16 En hij beval de huisknechten het graf te 173 8, 17| zeide tot hem met ede, eer de dagen der bruiloft geëindigd 174 8, 17| niet zou vertrekken, tenzij de veertien dagen der bruiloft 175 8, 18| 18 En dan zou hij de helft van zijn goederen 176 9, 3 | geld, en breng hem mede tot de bruiloft, dewijl Raguël 177 9, 4 | 4 En mijn vader telt de dagen.~ 178 9, 7 | 7 Deze nu bracht de zakjes tot hem, zo zij verzegeld 179 9, 8 | te zamen, en kwamen tot de bruiloft. En Tobias zegende 180 10, 1 | rekende elke dag; en als de dagen der reis vervuld waren, 181 10, 7 | ging alle dagen buiten op de weg, waarlangs hij vertrokken 182 10, 9 | 9 Totdat de veertien dagen der bruiloft 183 10, 11| hem Sara zijn vrouw, en de helft van zijn goederen, 184 10, 12| gaan, en zeide: Kinderen, de God des hemels geve u voorspoed, 185 10, 13| tot Tobias: Lieve broeder, de Here des hemels brenge u 186 10, 13| ik mij verheugen mag voor de Here. En zie ik geef u mijn 187 11, 4 | 4 En neem de gal van de vis in de hand.~ 188 11, 4 | 4 En neem de gal van de vis in de hand.~ 189 11, 4 | neem de gal van de vis in de hand.~ 190 11, 5 | En zij trokken heen, en de hond kwam mede achter hen.~ 191 11, 6 | rondom naar haar zoon op de weg en zij werd hem gewaar 192 11, 7 | 7 Zie uw zoon komt, en de man die met hem getrokken 193 11, 8 | 8 Strijk gij de gal in zijn ogen, en als 194 11, 8 | zo zal hij ze wrijven, en de witte schellen uitwerpen, 195 11, 9 | toe en viel haar zoon aan de hals, en zeide tot hem: 196 11, 10| En Tobias kwam uit naar de deur en stiet zich daaraan; 197 11, 10| greep zijn vader; en streek de gal op de ogen zijns vaders, 198 11, 10| vader; en streek de gal op de ogen zijns vaders, zeggende: 199 11, 10| wreef hij zijn ogen, en de witte schellen werden afgepeld 200 11, 10| schellen werden afgepeld van de hoeken zijner ogen.~ 201 11, 17| En boodschapte zijn vader de grote dingen, die geschied 202 11, 18| en God lovende, tot aan de poort van Nineve; en die 203 11, 20| 20 En de bruiloft van Tobias werd 204 12, 1 | hem: Ziet, zoon, dat gij de man, die met u gekomen is, 205 12, 2 | ik heb geen bezwaar hem de helft te geven, van al dat 206 12, 3 | u insgelijks genezen; en de oude man zeide: Hem zal 207 12, 4 | 4 En hij riep de engel, en zeide tot hem:~ 208 12, 5 | 5 Neem de helft van alles wat gij 209 12, 7 | aller levenden, vanwege de dingen die hij u gedaan 210 12, 7 | en zijn naam verheffe, en de redenen der werken Gods 211 12, 8 | Want het is goed dat men de verborgenheid eens konings 212 12, 8 | het is heerlijk dat men de werken Gods openbaart. Doet 213 12, 9 | Want aalmoes verlost van de dood en zij zuivert alle 214 12, 11| gezegd, dat het goed is de verborgenheden eens konings 215 12, 11| maar dat het heerlijk is de werken Gods te openbaren.~ 216 12, 12| schoondochter Sara, zo bracht ik de gedachtenis van ulieder 217 12, 13| 13 En wanneer gij de doden begroeft, zo was ik 218 12, 13| opdat gij heengingt en de doden met grafdoeken bewondt, 219 12, 15| 15 Ik ben Rafaël, een van de zeven heilige engelen, die 220 12, 15| zeven heilige engelen, die de gebeden der heiligen voor 221 12, 15| ingaan voor het aanschijn van de heerlijkheid des heiligen.~ 222 12, 18| eigen genade, maar door de wil van onze God; daarom 223 12, 21| En zij prezen openlijk de grote en wonderlijke werken 224 12, 21| wonderlijke werken Gods, hoe de engel des Heren door hen 225 13, 2 | ontfermt; hij legt neder in de hel, en brengt er weder 226 13, 3 | gij kinderen Israëls, voor de heidenen, dewijl hij ons 227 13, 5 | geheel uw mond, en gij zult de Here der gerechtigheid loven, 228 13, 5 | gerechtigheid loven, en zult de Koning der eeuwigheid verheffen.~ 229 13, 8 | verheffen, en mijn ziel zal de Koning des hemels loven, 230 13, 10| hij zal u kastijden over de werken uwer kinderen, en 231 13, 10| zich weder ontfermen over de kinderen der rechtvaardigen.~ 232 13, 11| 11 Dankt de Here, want hij is goed, 233 13, 11| want hij is goed, en looft de Koning der eeuwigheid, opdat 234 13, 12| 12 En hij de gevangenen in u verheuge, 235 13, 12| gevangenen in u verheuge, en de ellendigen in u liefhebbe, 236 13, 13| zullen van verre komen tot de naam Gods, des Heren, hebbende 237 13, 13| handen, en dat, gaven voor de Koning des hemels. Alle 238 13, 15| u, en vervrolijk u over de kinderen der rechtvaardigen, 239 13, 15| bijeenvergaderd worden, en zij zullen de Here der rechtvaardigen 240 13, 17| 17 Mijn ziel love God, de grote Koning.~ 241 13, 20| 20 En de straten van Jeruzalem zullen 242 14, 5 | 5 En hij voer voort God de Here te vrezen, en beleed 243 14, 6 | gewis, dat alles wat Jona de profeet heeft gesproken 244 14, 6 | en dat onze broeders over de aardbodem zullen verstrooid 245 14, 7 | als het eerste was, totdat de tijden der wereld zullen 246 14, 7 | geslachten der wereld, gelijk de profeten daarvan gesproken 247 14, 8 | waarachtig bekeerd worden, om God de Here te vrezen, en zullen 248 14, 8 | En alle heidenen zullen de Here loven; en zijn volk 249 14, 8 | loven; en zijn volk zal de Here belijden, en God zal 250 14, 8 | verhogen; en allen die God de Here liefhebben, zullen 251 14, 9 | zullen zeker geschieden, die de profeet Jona gesproken heeft, 252 14, 9 | heeft, maar gij, bewaar de wet en de geboden, en heb 253 14, 9 | maar gij, bewaar de wet en de geboden, en heb barmhartigheid 254 14, 10| hij hem uit het licht in de duisternis gebracht heeft; 255 14, 11| vergelding gekregen, en is in de duisternis nedergedaald. 256 14, 11| aalmoezen gedaan, en is uit de strik des doods verlost, 257 14, 11| hadden, maar Haman is in de strik gevallen en omgekomen.~ 258 14, 13| hij dit zeide, begaf hem de ziel op het bed. En hij 259 14, 17| hij stierf hoorde hij nog de ondergang van Nineve, welke


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License