Chapter, Verse
1 1, 3 | 3 Ik, Tobias, heb al de dagen
2 1, 4 | 4 En toen ik nog was in mijn land, in
3 1, 4 | in het land Israëls, als ik jong was, het gehele geslacht
4 1, 6 | 6 En ik reisde menigmaal alleen
5 1, 7 | tienden van al de vruchten gaf ik de kinderen Aärons, die
6 1, 7 | tweede tienden verkocht ik, en reisde heen, en besteedde
7 1, 8 | 8 En de derde gaf ik die het betaamde, gelijk
8 1, 8 | vaders, geboden had; dewijl ik van mijn vader wees was
9 1, 9 | 9 En als ik nu een man geworden was,
10 1, 9 | man geworden was, zo nam ik Anna, uit het zaad van ons
11 1, 10| 10 En toen ik gevankelijk weggevoerd werd
12 1, 12| 12 Maar ik bewaarde mijn ziel, dat
13 1, 12| bewaarde mijn ziel, dat ik daarvan niet at.~
14 1, 13| 13 Dewijl ik des Heren gedacht, met geheel
15 1, 14| aangenaamheid voor Enemessar, en ik werd zijn inkoper.~
16 1, 15| 15 En ik reisde naar Medië,~
17 1, 16| 16 En ik gaf tien talenten zilvers
18 1, 18| handelingen waren ongestadig, en ik kon niet meer naar Medië
19 1, 19| dagen van Enemessar deed ik veel aalmoezen aan mijn
20 1, 20| 20 Ik gaf mijn brood de hongerigen,
21 1, 20| klederen de naakten, en zo ik iemand uit mijn geslacht
22 1, 20| stad Nineve, die begroef ik.~
23 1, 21| gevlucht kwam, deze nam ik heimelijk weg, en begroef
24 1, 22| koning van mij te kennen, dat ik deze begroef, en ik verbergde
25 1, 22| dat ik deze begroef, en ik verbergde mij, en verstaande
26 1, 22| verbergde mij, en verstaande dat ik gezocht werd, om gedood
27 1, 22| gedood te worden, zo ben ik uit vrees vertrokken.~
28 1, 25| verzocht het voor mij, en ik kwam weder te Nineve. Achiachar
29 2, 1 | 1 EN toen ik weder in mijn huis ben gekomen,
30 2, 2 | goed middagmaal bereid, en ik was aangezeten om te eten,
31 2, 2 | Heren gedenkt, en ziet, ik zal op u wachten.~
32 2, 4 | 4 En ik sprong op, eer ik spijs
33 2, 4 | 4 En ik sprong op, eer ik spijs nuttigde, droeg hem
34 2, 5 | 5 En wederkerende wies ik mij, en at mijn brood met
35 2, 6 | 6 En ik werd gedachtig der profetie
36 2, 7 | vreugde in treurgeschrei. En ik weende.~
37 2, 8 | zon ondergegaan was, ging ik heen, maakte een graf en
38 2, 10| En diezelfde nacht keerde ik weder na het begraven, en
39 2, 10| het begraven, en dewijl ik onrein was, sliep ik aan
40 2, 10| dewijl ik onrein was, sliep ik aan de muur van de voorplaats
41 2, 10| aangezicht was ontdekt, en ik wist niet dat er mussen
42 2, 11| schellen op mijn ogen en ik ging tot de medicijnmeesters,
43 2, 11| Achiachar onderhield mij, totdat ik vertrokken ben naar Elymais.~
44 2, 14| begon het te blaten; en ik zeide tot haar: Vanwaar
45 2, 14| gegeven boven het loon; doch ik geloofde haar niet, en zeide
46 2, 15| 15 En ik werd zeer ontsteld tegen
47 3, 1 | 1 TOEN werd ik droevig, en weende, en bad
48 3, 6 | 6 En nu zeg ik, doe met mij naar hetgeen
49 3, 6 | geest van mij neme, opdat ik ontbonden mag zijn en tot
50 3, 6 | sterven dan te leven, dewijl ik valse smaadwoorden gehoord
51 3, 6 | droefheid in mij is; beveel dat ik nu verlost worde van deze
52 3, 12| verhangen, doch zij zeide: Ik ben een enige dochter mijns
53 3, 12| dochter mijns vaders, indien ik dit zal doen, zo zal het
54 3, 12| het hem een smaad zijn, en ik zal zijn ouderdom met smart
55 3, 15| 15 En nu Here, ik heb mijn ogen, en mijn aangezicht
56 3, 16| 16 Ik heb gezegd, dat gij mij
57 3, 16| verlossen van de aarde, en dat ik niet meer versmaadheid moge
58 3, 17| 17 Gij weet Here, dat ik zuiver ben van alle misdaad
59 3, 18| 18 En ik heb mijn naam niet bezoedeld,
60 3, 19| 19 Ik ben een eniggeborene mijns
61 3, 20| bloedvriend, noch zoon, dat ik mijzelf voor die mocht bewaren
62 3, 23| mijner ontferme, en geef dat ik geen smaadheid meer mag
63 4, 2 | hij zeide bij zichzelf: Ik heb om de dood gebeden,
64 4, 2 | dood gebeden, waarom roep ik dan Tobias mijn zoon niet,
65 4, 2 | Tobias mijn zoon niet, opdat ik het hem te kennen geve,
66 4, 2 | hem te kennen geve, eer ik sterf? En hem geroepen hebbende,
67 4, 3 | 3 Kind, indien ik sterf, zo begraaf mij, en
68 4, 21| 21 En nu voorts wijs ik u aan de tien talenten zilvers,
69 4, 21| tien talenten zilvers, die ik aan Gabaël, de zoon van
70 5, 1 | gij mij geboden hebt, zal ik doen.~
71 5, 2 | 2 Maar hoe zal ik dat geld kunnen ontvangen,
72 5, 2 | geld kunnen ontvangen, daar ik hem niet ken?~
73 5, 4 | die met u trekke, terwijl ik leef, en ik zal hem loon
74 5, 4 | trekke, terwijl ik leef, en ik zal hem loon geven, en trek
75 5, 9 | de engel zeide tot hem: Ik zal met u trekken, want
76 5, 9 | zal met u trekken, want ik heb bij Gabaël onze broeder
77 5, 10| zeide tot hem: Wacht op mij, ik zal het mijn vader aanzeggen;
78 5, 11| hij tot zijn vader: Zie ik heb een gevonden die met
79 5, 11| Roep hem tot mij, opdat ik mag verstaan van welke stam
80 5, 14| zeide tot hem: Broeder, ik wilde uw geslacht en naam
81 5, 15| 15 Hij dan zeide: Ik ben Azarias, de zoon van
82 5, 17| niet gram worden, omdat ik gezocht heb uw stam en geslacht
83 5, 18| eerlijk en goed geslacht. Want ik ken Ananias en Jonathan,
84 5, 21| Maar zeg mij, wat loon zal ik u geven? een drachme des
85 5, 21| gelijk als mijn zoon, en ik zal boven het loon u nog
86 6, 12| eniggeboren dochter, genaamd Sara; ik zal om haar spreken, opdat
87 6, 14| 14 En nu hoor mij, ik zal haar vader aanspreken,
88 6, 14| de bruiloft houden, want ik ken Raguël wel, dat hij
89 6, 15| engel: Azarias, broeder, ik heb gehoord dat deze dochter
90 6, 16| 16 En nu, ik ben een enig kind mijns
91 6, 16| mijns vaders, en vrees dat ik tot haar ingaande sterven
92 6, 16| haar ingaan. En nu vrees ik dat ik zou sterven, en ik
93 6, 16| ingaan. En nu vrees ik dat ik zou sterven, en ik zou het
94 6, 16| ik dat ik zou sterven, en ik zou het leven van mijn vader
95 6, 22| zij zal met u trekken, en ik zeg u, dat u kinderen uit
96 7, 11| 11 Doch ik wil u de waarheid openbaren.
97 7, 11| u de waarheid openbaren. Ik heb mijn dochter aan zeven
98 7, 12| 12 En Tobias zeide: Ik zal hier geen spijs smaken,
99 8, 7 | Here, niet om hoererij neem ik deze mijn zuster, maar in
100 8, 8 | mijner ontferme, en dat ik met haar samen oud mag worden.
101 8, 11| leeft; en indien niet, dat ik hem mag begraven, en het
102 8, 14| geschied, volgens hetgeen ik gedacht had. Maar gij hebt
103 8, 18| zal u geworden, wanneer ik en mijn vrouw zullen gestorvan
104 9, 3 | Raguël gezworen heeft, dat ik van hier niet gaan zal.~
105 9, 5 | 5 En indien ik lang vertoef, zo zal hij
106 10, 5 | rouwt mij, mijn kind, dat ik u heb laten gaan, die toch
107 10, 11| tot hem: Blijf bij mij, en ik zal tot uw vader zenden,
108 10, 12| hemels geve u voorspoed, eer ik sterve. En hij zeide tot
109 10, 13| u weder; en geve mij dat ik uw kinderen zien mag uit
110 10, 13| Sara mijn dochter, opdat ik mij verheugen mag voor de
111 10, 13| mag voor de Here. En zie ik geef u mijn dochter over
112 11, 7 | getrokken is; en Rafaël zeide: Ik weet dat uw vader zijn ogen
113 11, 9 | en zeide tot hem: Kind, ik heb u gezien, thans wil
114 11, 9 | heb u gezien, thans wil ik wel sterven; en zij weenden
115 11, 15| 15 Ziet, ik zie mijn zoon Tobias.~
116 12, 2 | Tobias zeide tot hem: Vader, ik heb geen bezwaar hem de
117 12, 2 | helft te geven, van al dat ik meegebracht heb.~
118 12, 11| 11 Ik zal voor ulieden geen zaak
119 12, 11| ulieden geen zaak verbergen; ik heb reeds gezegd, dat het
120 12, 12| schoondochter Sara, zo bracht ik de gedachtenis van ulieder
121 12, 13| de doden begroeft, zo was ik insgelijks bij u; en als
122 12, 13| goeddoen niet onbekend, maar ik was bij u.~
123 12, 15| 15 Ik ben Rafaël, een van de zeven
124 12, 18| 18 Dewijl ik niet gekomen ben door mijn
125 12, 19| 19 Al deze dagen ben ik door u gezien, en heb noch
126 12, 20| 20 En nu dankt God, want ik klim op tot degene, die
127 13, 6 | 6 Ik nu zal in het land mijner
128 13, 8 | 8 Ik zal mijn God verheffen,
129 14, 6 | neem uw zonen met u, ziet, ik ben oud geworden, en ben
130 14, 6 | naar Medië, mijn kind; want ik houd voor gewis, dat alles
|