Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
ieder 2
iemand 3
iets 1
ik 130
in 94
indachtig 1
indien 9
Frequency    [«  »]
-----
624 en
259 de
130 ik
121 hij
121 zijn
118 het

Het boek Tobit (Tobias)

IntraText - Concordances

ik

    Chapter, Verse
1 1, 3 | 3 Ik, Tobias, heb al de dagen 2 1, 4 | 4 En toen ik nog was in mijn land, in 3 1, 4 | in het land Israëls, als ik jong was, het gehele geslacht 4 1, 6 | 6 En ik reisde menigmaal alleen 5 1, 7 | tienden van al de vruchten gaf ik de kinderen Aärons, die 6 1, 7 | tweede tienden verkocht ik, en reisde heen, en besteedde 7 1, 8 | 8 En de derde gaf ik die het betaamde, gelijk 8 1, 8 | vaders, geboden had; dewijl ik van mijn vader wees was 9 1, 9 | 9 En als ik nu een man geworden was, 10 1, 9 | man geworden was, zo nam ik Anna, uit het zaad van ons 11 1, 10| 10 En toen ik gevankelijk weggevoerd werd 12 1, 12| 12 Maar ik bewaarde mijn ziel, dat 13 1, 12| bewaarde mijn ziel, dat ik daarvan niet at.~ 14 1, 13| 13 Dewijl ik des Heren gedacht, met geheel 15 1, 14| aangenaamheid voor Enemessar, en ik werd zijn inkoper.~ 16 1, 15| 15 En ik reisde naar Medië,~ 17 1, 16| 16 En ik gaf tien talenten zilvers 18 1, 18| handelingen waren ongestadig, en ik kon niet meer naar Medië 19 1, 19| dagen van Enemessar deed ik veel aalmoezen aan mijn 20 1, 20| 20 Ik gaf mijn brood de hongerigen, 21 1, 20| klederen de naakten, en zo ik iemand uit mijn geslacht 22 1, 20| stad Nineve, die begroef ik.~ 23 1, 21| gevlucht kwam, deze nam ik heimelijk weg, en begroef 24 1, 22| koning van mij te kennen, dat ik deze begroef, en ik verbergde 25 1, 22| dat ik deze begroef, en ik verbergde mij, en verstaande 26 1, 22| verbergde mij, en verstaande dat ik gezocht werd, om gedood 27 1, 22| gedood te worden, zo ben ik uit vrees vertrokken.~ 28 1, 25| verzocht het voor mij, en ik kwam weder te Nineve. Achiachar 29 2, 1 | 1 EN toen ik weder in mijn huis ben gekomen, 30 2, 2 | goed middagmaal bereid, en ik was aangezeten om te eten, 31 2, 2 | Heren gedenkt, en ziet, ik zal op u wachten.~ 32 2, 4 | 4 En ik sprong op, eer ik spijs 33 2, 4 | 4 En ik sprong op, eer ik spijs nuttigde, droeg hem 34 2, 5 | 5 En wederkerende wies ik mij, en at mijn brood met 35 2, 6 | 6 En ik werd gedachtig der profetie 36 2, 7 | vreugde in treurgeschrei. En ik weende.~ 37 2, 8 | zon ondergegaan was, ging ik heen, maakte een graf en 38 2, 10| En diezelfde nacht keerde ik weder na het begraven, en 39 2, 10| het begraven, en dewijl ik onrein was, sliep ik aan 40 2, 10| dewijl ik onrein was, sliep ik aan de muur van de voorplaats 41 2, 10| aangezicht was ontdekt, en ik wist niet dat er mussen 42 2, 11| schellen op mijn ogen en ik ging tot de medicijnmeesters, 43 2, 11| Achiachar onderhield mij, totdat ik vertrokken ben naar Elymais.~ 44 2, 14| begon het te blaten; en ik zeide tot haar: Vanwaar 45 2, 14| gegeven boven het loon; doch ik geloofde haar niet, en zeide 46 2, 15| 15 En ik werd zeer ontsteld tegen 47 3, 1 | 1 TOEN werd ik droevig, en weende, en bad 48 3, 6 | 6 En nu zeg ik, doe met mij naar hetgeen 49 3, 6 | geest van mij neme, opdat ik ontbonden mag zijn en tot 50 3, 6 | sterven dan te leven, dewijl ik valse smaadwoorden gehoord 51 3, 6 | droefheid in mij is; beveel dat ik nu verlost worde van deze 52 3, 12| verhangen, doch zij zeide: Ik ben een enige dochter mijns 53 3, 12| dochter mijns vaders, indien ik dit zal doen, zo zal het 54 3, 12| het hem een smaad zijn, en ik zal zijn ouderdom met smart 55 3, 15| 15 En nu Here, ik heb mijn ogen, en mijn aangezicht 56 3, 16| 16 Ik heb gezegd, dat gij mij 57 3, 16| verlossen van de aarde, en dat ik niet meer versmaadheid moge 58 3, 17| 17 Gij weet Here, dat ik zuiver ben van alle misdaad 59 3, 18| 18 En ik heb mijn naam niet bezoedeld, 60 3, 19| 19 Ik ben een eniggeborene mijns 61 3, 20| bloedvriend, noch zoon, dat ik mijzelf voor die mocht bewaren 62 3, 23| mijner ontferme, en geef dat ik geen smaadheid meer mag 63 4, 2 | hij zeide bij zichzelf: Ik heb om de dood gebeden, 64 4, 2 | dood gebeden, waarom roep ik dan Tobias mijn zoon niet, 65 4, 2 | Tobias mijn zoon niet, opdat ik het hem te kennen geve, 66 4, 2 | hem te kennen geve, eer ik sterf? En hem geroepen hebbende, 67 4, 3 | 3 Kind, indien ik sterf, zo begraaf mij, en 68 4, 21| 21 En nu voorts wijs ik u aan de tien talenten zilvers, 69 4, 21| tien talenten zilvers, die ik aan Gabaël, de zoon van 70 5, 1 | gij mij geboden hebt, zal ik doen.~ 71 5, 2 | 2 Maar hoe zal ik dat geld kunnen ontvangen, 72 5, 2 | geld kunnen ontvangen, daar ik hem niet ken?~ 73 5, 4 | die met u trekke, terwijl ik leef, en ik zal hem loon 74 5, 4 | trekke, terwijl ik leef, en ik zal hem loon geven, en trek 75 5, 9 | de engel zeide tot hem: Ik zal met u trekken, want 76 5, 9 | zal met u trekken, want ik heb bij Gabaël onze broeder 77 5, 10| zeide tot hem: Wacht op mij, ik zal het mijn vader aanzeggen; 78 5, 11| hij tot zijn vader: Zie ik heb een gevonden die met 79 5, 11| Roep hem tot mij, opdat ik mag verstaan van welke stam 80 5, 14| zeide tot hem: Broeder, ik wilde uw geslacht en naam 81 5, 15| 15 Hij dan zeide: Ik ben Azarias, de zoon van 82 5, 17| niet gram worden, omdat ik gezocht heb uw stam en geslacht 83 5, 18| eerlijk en goed geslacht. Want ik ken Ananias en Jonathan, 84 5, 21| Maar zeg mij, wat loon zal ik u geven? een drachme des 85 5, 21| gelijk als mijn zoon, en ik zal boven het loon u nog 86 6, 12| eniggeboren dochter, genaamd Sara; ik zal om haar spreken, opdat 87 6, 14| 14 En nu hoor mij, ik zal haar vader aanspreken, 88 6, 14| de bruiloft houden, want ik ken Raguël wel, dat hij 89 6, 15| engel: Azarias, broeder, ik heb gehoord dat deze dochter 90 6, 16| 16 En nu, ik ben een enig kind mijns 91 6, 16| mijns vaders, en vrees dat ik tot haar ingaande sterven 92 6, 16| haar ingaan. En nu vrees ik dat ik zou sterven, en ik 93 6, 16| ingaan. En nu vrees ik dat ik zou sterven, en ik zou het 94 6, 16| ik dat ik zou sterven, en ik zou het leven van mijn vader 95 6, 22| zij zal met u trekken, en ik zeg u, dat u kinderen uit 96 7, 11| 11 Doch ik wil u de waarheid openbaren. 97 7, 11| u de waarheid openbaren. Ik heb mijn dochter aan zeven 98 7, 12| 12 En Tobias zeide: Ik zal hier geen spijs smaken, 99 8, 7 | Here, niet om hoererij neem ik deze mijn zuster, maar in 100 8, 8 | mijner ontferme, en dat ik met haar samen oud mag worden. 101 8, 11| leeft; en indien niet, dat ik hem mag begraven, en het 102 8, 14| geschied, volgens hetgeen ik gedacht had. Maar gij hebt 103 8, 18| zal u geworden, wanneer ik en mijn vrouw zullen gestorvan 104 9, 3 | Raguël gezworen heeft, dat ik van hier niet gaan zal.~ 105 9, 5 | 5 En indien ik lang vertoef, zo zal hij 106 10, 5 | rouwt mij, mijn kind, dat ik u heb laten gaan, die toch 107 10, 11| tot hem: Blijf bij mij, en ik zal tot uw vader zenden, 108 10, 12| hemels geve u voorspoed, eer ik sterve. En hij zeide tot 109 10, 13| u weder; en geve mij dat ik uw kinderen zien mag uit 110 10, 13| Sara mijn dochter, opdat ik mij verheugen mag voor de 111 10, 13| mag voor de Here. En zie ik geef u mijn dochter over 112 11, 7 | getrokken is; en Rafaël zeide: Ik weet dat uw vader zijn ogen 113 11, 9 | en zeide tot hem: Kind, ik heb u gezien, thans wil 114 11, 9 | heb u gezien, thans wil ik wel sterven; en zij weenden 115 11, 15| 15 Ziet, ik zie mijn zoon Tobias.~ 116 12, 2 | Tobias zeide tot hem: Vader, ik heb geen bezwaar hem de 117 12, 2 | helft te geven, van al dat ik meegebracht heb.~ 118 12, 11| 11 Ik zal voor ulieden geen zaak 119 12, 11| ulieden geen zaak verbergen; ik heb reeds gezegd, dat het 120 12, 12| schoondochter Sara, zo bracht ik de gedachtenis van ulieder 121 12, 13| de doden begroeft, zo was ik insgelijks bij u; en als 122 12, 13| goeddoen niet onbekend, maar ik was bij u.~ 123 12, 15| 15 Ik ben Rafaël, een van de zeven 124 12, 18| 18 Dewijl ik niet gekomen ben door mijn 125 12, 19| 19 Al deze dagen ben ik door u gezien, en heb noch 126 12, 20| 20 En nu dankt God, want ik klim op tot degene, die 127 13, 6 | 6 Ik nu zal in het land mijner 128 13, 8 | 8 Ik zal mijn God verheffen, 129 14, 6 | neem uw zonen met u, ziet, ik ben oud geworden, en ben 130 14, 6 | naar Medië, mijn kind; want ik houd voor gewis, dat alles


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License