Chapter, Verse
1 1, 14| voor Enemessar, en ik werd zijn inkoper.~
2 1, 17| gestorven was, werd Sennacherib, zijn zoon, koning in zijn plaats.~
3 1, 17| Sennacherib, zijn zoon, koning in zijn plaats.~
4 1, 18| 18 En zijn handelingen waren ongestadig,
5 1, 21| want hij doodde er velen in zijn toorn) en de lichamen werden
6 1, 23| 23 En al mijn goederen zijn geplunderd geworden, en
7 1, 24| dagen voorbij, dat twee van zijn zonen hem doodden, en zij
8 1, 24| gebergten Ararat, en Achirdonus, zijn zoon, werd koning in zijn
9 1, 24| zijn zoon, werd koning in zijn plaats. En hij zette Achiachar,
10 2, 4 | totdat de zon zou ondergegaan zijn.~
11 2, 15| antwoordende, zeide tot mij: Waar zijn nu uw aalmoezen en uw gerechtigheden?
12 3, 2 | rechtvaardig, en al uw wegen zijn barmhartigheid en waarheid,
13 3, 4 | 4 Want zij zijn uw geboden ongehoorzaam
14 3, 4 | waaronder wij verstrooid zijn.~
15 3, 5 | 5 En nu Here uw oordelen zijn vele en waarachtig: doe
16 3, 6 | opdat ik ontbonden mag zijn en tot aarde worden. Want
17 3, 11| hunnentwil? indien zij dood zijn, zo ga met hen; geen zoon
18 3, 12| zo zal het hem een smaad zijn, en ik zal zijn ouderdom
19 3, 12| een smaad zijn, en ik zal zijn ouderdom met smart in het
20 3, 19| hij heeft geen kind dat zijn erfgenaam zijn zal;~
21 3, 19| kind dat zijn erfgenaam zijn zal;~
22 3, 21| 21 Zeven zijn er mij reeds omgekomen;
23 3, 25| Tobias wedergekeerd, en in zijn huis gekomen, en is Sara,
24 4, 5 | Wanneer zij zal gestorven zijn, zo begraaf haar nevens
25 4, 6 | en wil niet zondigen noch zijn geboden overtreden, oefen
26 4, 13| wij kinderen der profeten zijn. Noach, Abraham, Izaäk,
27 4, 13| Noach, Abraham, Izaäk, Jakob zijn onze vaderen van ouds af;
28 4, 13| uit hun broederen, en zij zijn gezegend in hun kinderen,
29 4, 17| uw klederen hun die naakt zijn. Alles wat gij overvloedig
30 4, 20| van hem dat uw wegen recht zijn mogen, en dat al uw paden
31 4, 21| omdat wij arm geworden zijn; gij hebt veel, indien gij
32 5, 11| ingegaan zijnde, zeide hij tot zijn vader: Zie ik heb een gevonden
33 5, 19| Dewijl wij tezamen getrokken zijn naar Jeruzalem om te aanbidden,
34 5, 20| 20 En zij zijn niet verleid geworden tot
35 5, 21| daags, en hetgeen u nodig zijn zal, gelijk als mijn zoon,
36 5, 22| 22 En zij zijn zo overeengekomen.~
37 5, 24| 24 En zijn zoon bereidde hetgeen tot
38 5, 24| tot de reis nodig was, en zijn vader zeide tot hem: Trek
39 5, 25| jongelings ging met hen. En Anna, zijn moeder, schreide, en sprak
40 5, 26| bijeengeschraapt hebben, van onze zoon zijn mocht.~
41 5, 29| zal met hem trekken, en zijn reis zal voorspoedig zijn,
42 5, 29| zijn reis zal voorspoedig zijn, en hij zal gezond weder
43 6, 10| witte schellen heeft op zijn ogen, en hij zal genezen
44 6, 14| hij zou des doods schuldig zijn, dewijl het u betaamt de
45 6, 15| allen in haar bruidskamer zijn omgekomen.~
46 6, 18| broeder, want zij zal uw vrouw zijn. En heb geen zorg voor die
47 6, 23| kreeg hij haar lief, en zijn ziel hing zeer aan haar,
48 7, 2 | huis, en Raguël zeide tot zijn vrouw Edna: Hoe gelijkt
49 7, 4 | de kinderen van Naftali zijn wij, van de gevangenen te
50 7, 7 | als hij hoorde, dat Tobias zijn ogen had verloren, werd
51 7, 8 | 8 En Edna, zijn vrouw, en Sara zijn dochter
52 7, 8 | Edna, zijn vrouw, en Sara zijn dochter weenden ook.~
53 7, 14| 14 En hij riep zijn dochter Sara, en zij kwam
54 7, 16| 16 En hij riep Edna, zijn vrouw, en nam een boekje,
55 7, 18| 18 Daarna riep Raguël zijn vrouw Edna, en zeide tot
56 8, 6 | gemaakt, en gij hebt hem Eva zijn vrouw tot een hulp en steunsel
57 8, 9 | zeggende: Zou ook deze niet zijn gestorven?~
58 8, 10| 10 En Raguël kwam in zijn huis, en zeide tot Edna
59 8, 10| huis, en zeide tot Edna zijn vrouw:~
60 8, 17| bruiloft volbracht zouden zijn.~
61 8, 18| dan zou hij de helft van zijn goederen tot zich nemen,
62 8, 18| nemen, en met gezondheid tot zijn vader trekken, en het overige
63 8, 18| mijn vrouw zullen gestorvan zijn,~
64 9, 8 | bruiloft. En Tobias zegende zijn vrouw.~
65 10, 1 | 1 EN Tobias, zijn vader, rekende elke dag;
66 10, 1 | Tobias: Zouden zij beschaamd zijn geworden?~
67 10, 2 | Of zou Gabaël gestorven zijn, dat niemand hem het geld
68 10, 3 | hij werd zeer bedroefd. En zijn vrouw zeide tot hem: Onze
69 10, 11| 11 En zijn schoonvader zeide tot hem:
70 10, 11| stond op, en gaf hem Sara zijn vrouw, en de helft van zijn
71 10, 11| zijn vrouw, en de helft van zijn goederen, slaven, en beesten,
72 10, 12| sterve. En hij zeide tot zijn dochter: Houd uws mans ouders
73 10, 12| mans ouders in ere, die zijn nu uw ouders, laat mij van
74 10, 13| Tobias, God dankende dat hij zijn weg had voorspoedig gemaakt.
75 10, 13| zegende Raguël en Edna, zijn vrouw.~ ~ ~
76 11, 6 | toen hij kwam en zeide tot zijn vader:~
77 11, 7 | zeide: Ik weet dat uw vader zijn ogen zal opendoen.~
78 11, 8 | 8 Strijk gij de gal in zijn ogen, en als het hem bijt
79 11, 10| stiet zich daaraan; doch zijn zoon liep hem tegen, en
80 11, 10| liep hem tegen, en greep zijn vader; en streek de gal
81 11, 10| gebeten waren, wreef hij zijn ogen, en de witte schellen
82 11, 11| 11 En ziende zijn zoon, viel hij aan zijn
83 11, 11| zijn zoon, viel hij aan zijn hals, en weende en zeide:~
84 11, 14| 14 En geloofd zijn al uw heilige engelen; want
85 11, 16| 16 En zijn zoon verblijd zijnde ging
86 11, 17| 17 En boodschapte zijn vader de grote dingen, die
87 11, 18| 18 En Tobias ging uit, zijn schoondochter tegemoet,
88 11, 18| En als Tobias bij Sara, zijn schoondochter kwam, zo zegende
89 11, 18| werd blijdschap onder al zijn broederen, die te Nineve
90 12, 1 | 1 EN Tobias riep zijn zoon Tobias en zeide tot
91 12, 7 | goed dat men God love en zijn naam verheffe, en de redenen
92 12, 10| 10 Maar die zondigen, zijn vijanden van hun eigen leven.~
93 12, 17| Vreest niet, want vrede zal u zijn, maar looft God.~
94 13, 2 | eeuwigheid leeft, en geloofd zij zijn koninkrijk. Want hij kastijdt
95 13, 2 | en daar is niemand die zijn hand zal ontvluchten.~
96 13, 3 | verstrooid; vertoont daar zijn grote heerlijkheid, en verheft
97 13, 4 | ziel, om oprechtheid voor zijn aanschijn te bewijzen, dan
98 13, 4 | ulieden wederkeren, en zal zijn aangezicht voor u niet verbergen,
99 13, 6 | openlijk belijden, en zal zijn kracht en grote heerlijkheid
100 13, 7 | doet gerechtigheid voor zijn aanschijn; wie weet het,
101 13, 8 | Koning des hemels loven, en zijn grote heerlijkheid met vreugde
102 13, 11| Koning der eeuwigheid, opdat zijn tabernakel weder met vreugde
103 13, 14| Vervloekt moeten zij allen zijn, die u haten; gezegend daarentegen
104 13, 14| daarentegen zullen zij allen zijn, die u liefhebben, in eeuwigheid.~
105 13, 16| 16 O welgelukzalig zijn zij die u liefhebben, zij
106 13, 16| uw vrede. Welgelukzalig zijn zij, die zich bedroeven
107 14, 6 | werd zeer oud, en hij riep zijn zoon, en zijn zes kleinzonen,
108 14, 6 | en hij riep zijn zoon, en zijn zes kleinzonen, en zeide
109 14, 6 | in Medië zal meer vrede zijn voor een tijd) en dat onze
110 14, 6 | verbrand worden, en zal woest zijn voor een tijd.~
111 14, 7 | der wereld zullen vervuld zijn. En daarna zullen zij wederkeren
112 14, 7 | zal een heerlijk gebouw zijn voor alle geslachten der
113 14, 8 | zullen de Here loven; en zijn volk zal de Here belijden,
114 14, 8 | Here belijden, en God zal zijn volk verhogen; en allen
115 14, 11| geworden, doch hijzelf heeft zijn vergelding gekregen, en
116 14, 14| 14 En als Anna, zijn moeder, gestorven was, zo
117 14, 14| zo begroef hij die bij zijn vader. En Tobias met zijn
118 14, 14| zijn vader. En Tobias met zijn vrouw en zijn zonen vertrok
119 14, 14| Tobias met zijn vrouw en zijn zonen vertrok naar Ecbatana,
120 14, 14| naar Ecbatana, tot Raguël, zijn schoonvader.~
121 14, 15| met ere, en hij begroef zijn schoonvader en schoonmoeder
|