Chapter, Verse
1 1, 21| iemand gedood had, toen hij uit Judea gevlucht kwam,
2 1, 21| weg, en begroef hem, (want hij doodde er velen in zijn
3 1, 24| koning in zijn plaats. En hij zette Achiachar, de zoon
4 1, 25| de tweede naast zich, en hij was de zoon mijns broeders.~
5 2, 3 | 3 En hij weder komende zeide: Vader,
6 2, 6 | profetie van Amos gelijk hij gezegd had:~
7 2, 9 | worden, om dier zake wil; hij is voortvluchtig geweest,
8 2, 9 | en ziet, wederom begraaft hij de dode.~
9 3, 19| eniggeborene mijns vaders, en hij heeft geen kind dat zijn
10 4, 1 | indachtig het geld, dat hij Gabaël te Ragis in Medië,
11 4, 2 | 2 En hij zeide bij zichzelf: Ik heb
12 4, 2 | geroepen hebbende, zeide hij:~
13 4, 16| en doe niemand hetgeen hij haat. Drink geen wijn tot
14 4, 20| geeft al het goed, en zo wie hij wil vernedert hij, gelijk
15 4, 20| zo wie hij wil vernedert hij, gelijk het hem belieft.
16 5, 3 | 3 En toen gaf hij hem het handschrift, en
17 5, 5 | 5 En hij ging heen om een man te
18 5, 5 | om een man te zoeken, en hij vond Rafaël,~
19 5, 6 | Welke was een engel, maar hij wist het niet.~
20 5, 7 | 7 En hij zeide tot hem: Zoudt gij
21 5, 10| mijn vader aanzeggen; en hij sprak tot hem: Ga heen,
22 5, 11| En ingegaan zijnde, zeide hij tot zijn vader: Zie ik heb
23 5, 11| die met mij reizen zal. En hij sprak: Roep hem tot mij,
24 5, 11| verstaan van welke stam hij is, en of hij trouw is om
25 5, 11| welke stam hij is, en of hij trouw is om met u te reizen;
26 5, 11| is om met u te reizen; en hij riep hem.~
27 5, 12| 12 En hij kwam in, en zij groetten
28 5, 14| 14 En hij zeide tot hem: Zoekt gij
29 5, 15| 15 Hij dan zeide: Ik ben Azarias,
30 5, 23| 23 En hij zeide tot Tobias: Maak u
31 5, 25| kind weggezonden, en is hij niet de stok van onze hand,
32 5, 25| stok van onze hand, als hij uit en ingaat voor ons?~
33 5, 28| Heb geen zorg, zuster, hij zal gezond weder komen,
34 5, 29| zal voorspoedig zijn, en hij zal gezond weder keren;
35 6, 3 | 3 En hij wilde de jongeling verslinden.~
36 6, 9 | 9 En hij zeide tot hem: Wat het hart
37 6, 9 | die man of die vrouw, en hij zal niet meer gekweld worden.~
38 6, 10| schellen heeft op zijn ogen, en hij zal genezen worden.~
39 6, 12| deze is uw bloedvriend, en hij heeft een eniggeboren dochter,
40 6, 14| want ik ken Raguël wel, dat hij haar geen andere man zal
41 6, 14| naar de wet van Mozes, of hij zou des doods schuldig zijn,
42 6, 21| barmhartige God aan, en Hij zal u behouden, en zich
43 6, 23| Tobias dat hoorde, kreeg hij haar lief, en zijn ziel
44 7, 5 | 5 En hij zeide tot hen: Kent gij
45 7, 6 | 6 En hij zeide tot hen: Is hij gezond?
46 7, 6 | En hij zeide tot hen: Is hij gezond? Zij zeiden: Hij
47 7, 6 | hij gezond? Zij zeiden: Hij leeft nog, en is gezond;
48 7, 7 | goeden mans zoon. En als hij hoorde, dat Tobias zijn
49 7, 7 | ogen had verloren, werd hij bedroefd en weende.~
50 7, 9 | zaak volbracht worden; en hij stelde Raguël die rede voor.~
51 7, 14| 14 En hij riep zijn dochter Sara,
52 7, 15| nemende haar bij de hand, gaf hij haar Tobias tot een vrouw,
53 7, 15| breng haar tot uw vader; en hij zegende haar.~
54 7, 16| 16 En hij riep Edna, zijn vrouw, en
55 7, 19| 19 En zij deed gelijk hij zeide, en zij bracht hen
56 8, 2 | 2 En als hij ging, dacht hij aan de woorden
57 8, 2 | 2 En als hij ging, dacht hij aan de woorden van Rafaël,
58 8, 3 | duivel de reuk rook, zo vlood hij naar de bovenste delen van
59 8, 11| dienstmaagden, en laat haar zien of hij leeft; en indien niet, dat
60 8, 13| en boodschapte hun, dat hij leefde.~
61 8, 16| 16 En hij beval de huisknechten het
62 8, 17| 17 En hij bereidde hun een bruiloft
63 8, 17| bruiloft geëindigd waren, dat hij niet zou vertrekken, tenzij
64 8, 18| 18 En dan zou hij de helft van zijn goederen
65 8, 18| trekken, en het overige zeide hij zal u geworden, wanneer
66 9, 5 | ik lang vertoef, zo zal hij zeer bedroefd worden.~
67 10, 3 | 3 En hij werd zeer bedroefd. En zijn
68 10, 3 | ergens omgekomen, dewijl hij zo lang vertoeft.~
69 10, 6 | stil, en bekommer u niet, hij is gezond.~
70 10, 7 | buiten op de weg, waarlangs hij vertrokken was.~
71 10, 9 | Raguël gezworen had dat hij daar moest doorbrengen.~
72 10, 12| 12 En als hij hen gezegend had liet hij
73 10, 12| hij hen gezegend had liet hij hen gaan, en zeide: Kinderen,
74 10, 12| voorspoed, eer ik sterve. En hij zeide tot zijn dochter:
75 10, 12| een goed gerucht horen; en hij kuste haar.~
76 10, 13| Tobias, God dankende dat hij zijn weg had voorspoedig
77 10, 13| voorspoedig gemaakt. En hij zegende Raguël en Edna,
78 11, 1 | 1 EN hij reisde voort totdat zij
79 11, 6 | zij werd hem gewaar toen hij kwam en zeide tot zijn vader:~
80 11, 8 | als het hem bijt zo zal hij ze wrijven, en de witte
81 11, 8 | witte schellen uitwerpen, en hij zal u zien.~
82 11, 10| zij gebeten waren, wreef hij zijn ogen, en de witte schellen
83 11, 11| En ziende zijn zoon, viel hij aan zijn hals, en weende
84 11, 18| gaan, verwonderden zich dat hij zag. En Tobias bekende openlijk
85 11, 18| schoondochter kwam, zo zegende hij haar, zeggende: Zijt welkom,
86 12, 3 | 3 Want hij heeft mij u gezond wedergebracht
87 12, 3 | en mijn vrouw genezen, en hij heeft mijn geld gehaald,
88 12, 4 | 4 En hij riep de engel, en zeide
89 12, 7 | 7 Toen riep hij hen beiden heimelijk en
90 12, 7 | levenden, vanwege de dingen die hij u gedaan heeft. Het is goed
91 12, 17| 17 Doch hij zeide tot hen: Vreest niet,
92 13, 2 | zij zijn koninkrijk. Want hij kastijdt en ontfermt; hij
93 13, 2 | hij kastijdt en ontfermt; hij legt neder in de hel, en
94 13, 3 | voor de heidenen, dewijl hij ons onder deze heeft verstrooid;
95 13, 3 | alles wat leeft, gelijk hij onze Here is, en God onze
96 13, 4 | 4 Hij zal ons kastijden in onze
97 13, 4 | alle volken, onder welke hij ons verstrooid heeft. Zo
98 13, 4 | aanschijn te bewijzen, dan zal hij tot ulieden wederkeren,
99 13, 4 | zult aanschouwen hetgeen hij met u doen zal;~
100 13, 7 | aanschijn; wie weet het, of hij lust tot u kreeg, en u barmhartigheid
101 13, 10| Jeruzalem, gij heilige stad, hij zal u kastijden over de
102 13, 10| werken uwer kinderen, en hij zal zich weder ontfermen
103 13, 11| 11 Dankt de Here, want hij is goed, en looft de Koning
104 13, 12| 12 En hij de gevangenen in u verheuge,
105 14, 2 | vijftig jaren oud, toen hij het gezicht verloor.~
106 14, 3 | 3 En na acht jaren werd hij weder ziende,~
107 14, 5 | 5 En hij voer voort God de Here te
108 14, 6 | 6 En hij werd zeer oud, en hij riep
109 14, 6 | En hij werd zeer oud, en hij riep zijn zoon, en zijn
110 14, 10| die hem opgevoed had; hoe hij hem uit het licht in de
111 14, 10| duisternis gebracht heeft; en wat hij hem vergolden heeft.~
112 14, 13| 13 En als hij dit zeide, begaf hem de
113 14, 13| hem de ziel op het bed. En hij was honderdachtenvijftig
114 14, 13| honderdachtenvijftig jaren oud; en hij begroef hem heerlijk.~
115 14, 14| gestorven was, zo begroef hij die bij zijn vader. En Tobias
116 14, 15| goede ouderdom met ere, en hij begroef zijn schoonvader
117 14, 16| 16 En hij stierf, oud zijnde honderdenzevenentwintig
118 14, 17| 17 En eer hij stierf hoorde hij nog de
119 14, 17| En eer hij stierf hoorde hij nog de ondergang van Nineve,
120 14, 17| Assuërus ingenomen hadden, en hij verblijdde zich over Nineve,
121 14, 17| verblijdde zich over Nineve, eer hij stierf.~
|