Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
hield 3
hielpen 1
hier 3
hij 121
hijzelf 1
hing 1
hoe 7
Frequency    [«  »]
624 en
259 de
130 ik
121 hij
121 zijn
118 het
111 van

Het boek Tobit (Tobias)

IntraText - Concordances

hij

    Chapter, Verse
1 1, 21| iemand gedood had, toen hij uit Judea gevlucht kwam, 2 1, 21| weg, en begroef hem, (want hij doodde er velen in zijn 3 1, 24| koning in zijn plaats. En hij zette Achiachar, de zoon 4 1, 25| de tweede naast zich, en hij was de zoon mijns broeders.~ 5 2, 3 | 3 En hij weder komende zeide: Vader, 6 2, 6 | profetie van Amos gelijk hij gezegd had:~ 7 2, 9 | worden, om dier zake wil; hij is voortvluchtig geweest, 8 2, 9 | en ziet, wederom begraaft hij de dode.~ 9 3, 19| eniggeborene mijns vaders, en hij heeft geen kind dat zijn 10 4, 1 | indachtig het geld, dat hij Gabaël te Ragis in Medië, 11 4, 2 | 2 En hij zeide bij zichzelf: Ik heb 12 4, 2 | geroepen hebbende, zeide hij:~ 13 4, 16| en doe niemand hetgeen hij haat. Drink geen wijn tot 14 4, 20| geeft al het goed, en zo wie hij wil vernedert hij, gelijk 15 4, 20| zo wie hij wil vernedert hij, gelijk het hem belieft. 16 5, 3 | 3 En toen gaf hij hem het handschrift, en 17 5, 5 | 5 En hij ging heen om een man te 18 5, 5 | om een man te zoeken, en hij vond Rafaël,~ 19 5, 6 | Welke was een engel, maar hij wist het niet.~ 20 5, 7 | 7 En hij zeide tot hem: Zoudt gij 21 5, 10| mijn vader aanzeggen; en hij sprak tot hem: Ga heen, 22 5, 11| En ingegaan zijnde, zeide hij tot zijn vader: Zie ik heb 23 5, 11| die met mij reizen zal. En hij sprak: Roep hem tot mij, 24 5, 11| verstaan van welke stam hij is, en of hij trouw is om 25 5, 11| welke stam hij is, en of hij trouw is om met u te reizen; 26 5, 11| is om met u te reizen; en hij riep hem.~ 27 5, 12| 12 En hij kwam in, en zij groetten 28 5, 14| 14 En hij zeide tot hem: Zoekt gij 29 5, 15| 15 Hij dan zeide: Ik ben Azarias, 30 5, 23| 23 En hij zeide tot Tobias: Maak u 31 5, 25| kind weggezonden, en is hij niet de stok van onze hand, 32 5, 25| stok van onze hand, als hij uit en ingaat voor ons?~ 33 5, 28| Heb geen zorg, zuster, hij zal gezond weder komen, 34 5, 29| zal voorspoedig zijn, en hij zal gezond weder keren; 35 6, 3 | 3 En hij wilde de jongeling verslinden.~ 36 6, 9 | 9 En hij zeide tot hem: Wat het hart 37 6, 9 | die man of die vrouw, en hij zal niet meer gekweld worden.~ 38 6, 10| schellen heeft op zijn ogen, en hij zal genezen worden.~ 39 6, 12| deze is uw bloedvriend, en hij heeft een eniggeboren dochter, 40 6, 14| want ik ken Raguël wel, dat hij haar geen andere man zal 41 6, 14| naar de wet van Mozes, of hij zou des doods schuldig zijn, 42 6, 21| barmhartige God aan, en Hij zal u behouden, en zich 43 6, 23| Tobias dat hoorde, kreeg hij haar lief, en zijn ziel 44 7, 5 | 5 En hij zeide tot hen: Kent gij 45 7, 6 | 6 En hij zeide tot hen: Is hij gezond? 46 7, 6 | En hij zeide tot hen: Is hij gezond? Zij zeiden: Hij 47 7, 6 | hij gezond? Zij zeiden: Hij leeft nog, en is gezond; 48 7, 7 | goeden mans zoon. En als hij hoorde, dat Tobias zijn 49 7, 7 | ogen had verloren, werd hij bedroefd en weende.~ 50 7, 9 | zaak volbracht worden; en hij stelde Raguël die rede voor.~ 51 7, 14| 14 En hij riep zijn dochter Sara, 52 7, 15| nemende haar bij de hand, gaf hij haar Tobias tot een vrouw, 53 7, 15| breng haar tot uw vader; en hij zegende haar.~ 54 7, 16| 16 En hij riep Edna, zijn vrouw, en 55 7, 19| 19 En zij deed gelijk hij zeide, en zij bracht hen 56 8, 2 | 2 En als hij ging, dacht hij aan de woorden 57 8, 2 | 2 En als hij ging, dacht hij aan de woorden van Rafaël, 58 8, 3 | duivel de reuk rook, zo vlood hij naar de bovenste delen van 59 8, 11| dienstmaagden, en laat haar zien of hij leeft; en indien niet, dat 60 8, 13| en boodschapte hun, dat hij leefde.~ 61 8, 16| 16 En hij beval de huisknechten het 62 8, 17| 17 En hij bereidde hun een bruiloft 63 8, 17| bruiloft geëindigd waren, dat hij niet zou vertrekken, tenzij 64 8, 18| 18 En dan zou hij de helft van zijn goederen 65 8, 18| trekken, en het overige zeide hij zal u geworden, wanneer 66 9, 5 | ik lang vertoef, zo zal hij zeer bedroefd worden.~ 67 10, 3 | 3 En hij werd zeer bedroefd. En zijn 68 10, 3 | ergens omgekomen, dewijl hij zo lang vertoeft.~ 69 10, 6 | stil, en bekommer u niet, hij is gezond.~ 70 10, 7 | buiten op de weg, waarlangs hij vertrokken was.~ 71 10, 9 | Raguël gezworen had dat hij daar moest doorbrengen.~ 72 10, 12| 12 En als hij hen gezegend had liet hij 73 10, 12| hij hen gezegend had liet hij hen gaan, en zeide: Kinderen, 74 10, 12| voorspoed, eer ik sterve. En hij zeide tot zijn dochter: 75 10, 12| een goed gerucht horen; en hij kuste haar.~ 76 10, 13| Tobias, God dankende dat hij zijn weg had voorspoedig 77 10, 13| voorspoedig gemaakt. En hij zegende Raguël en Edna, 78 11, 1 | 1 EN hij reisde voort totdat zij 79 11, 6 | zij werd hem gewaar toen hij kwam en zeide tot zijn vader:~ 80 11, 8 | als het hem bijt zo zal hij ze wrijven, en de witte 81 11, 8 | witte schellen uitwerpen, en hij zal u zien.~ 82 11, 10| zij gebeten waren, wreef hij zijn ogen, en de witte schellen 83 11, 11| En ziende zijn zoon, viel hij aan zijn hals, en weende 84 11, 18| gaan, verwonderden zich dat hij zag. En Tobias bekende openlijk 85 11, 18| schoondochter kwam, zo zegende hij haar, zeggende: Zijt welkom, 86 12, 3 | 3 Want hij heeft mij u gezond wedergebracht 87 12, 3 | en mijn vrouw genezen, en hij heeft mijn geld gehaald, 88 12, 4 | 4 En hij riep de engel, en zeide 89 12, 7 | 7 Toen riep hij hen beiden heimelijk en 90 12, 7 | levenden, vanwege de dingen die hij u gedaan heeft. Het is goed 91 12, 17| 17 Doch hij zeide tot hen: Vreest niet, 92 13, 2 | zij zijn koninkrijk. Want hij kastijdt en ontfermt; hij 93 13, 2 | hij kastijdt en ontfermt; hij legt neder in de hel, en 94 13, 3 | voor de heidenen, dewijl hij ons onder deze heeft verstrooid; 95 13, 3 | alles wat leeft, gelijk hij onze Here is, en God onze 96 13, 4 | 4 Hij zal ons kastijden in onze 97 13, 4 | alle volken, onder welke hij ons verstrooid heeft. Zo 98 13, 4 | aanschijn te bewijzen, dan zal hij tot ulieden wederkeren, 99 13, 4 | zult aanschouwen hetgeen hij met u doen zal;~ 100 13, 7 | aanschijn; wie weet het, of hij lust tot u kreeg, en u barmhartigheid 101 13, 10| Jeruzalem, gij heilige stad, hij zal u kastijden over de 102 13, 10| werken uwer kinderen, en hij zal zich weder ontfermen 103 13, 11| 11 Dankt de Here, want hij is goed, en looft de Koning 104 13, 12| 12 En hij de gevangenen in u verheuge, 105 14, 2 | vijftig jaren oud, toen hij het gezicht verloor.~ 106 14, 3 | 3 En na acht jaren werd hij weder ziende,~ 107 14, 5 | 5 En hij voer voort God de Here te 108 14, 6 | 6 En hij werd zeer oud, en hij riep 109 14, 6 | En hij werd zeer oud, en hij riep zijn zoon, en zijn 110 14, 10| die hem opgevoed had; hoe hij hem uit het licht in de 111 14, 10| duisternis gebracht heeft; en wat hij hem vergolden heeft.~ 112 14, 13| 13 En als hij dit zeide, begaf hem de 113 14, 13| hem de ziel op het bed. En hij was honderdachtenvijftig 114 14, 13| honderdachtenvijftig jaren oud; en hij begroef hem heerlijk.~ 115 14, 14| gestorven was, zo begroef hij die bij zijn vader. En Tobias 116 14, 15| goede ouderdom met ere, en hij begroef zijn schoonvader 117 14, 16| 16 En hij stierf, oud zijnde honderdenzevenentwintig 118 14, 17| 17 En eer hij stierf hoorde hij nog de 119 14, 17| En eer hij stierf hoorde hij nog de ondergang van Nineve, 120 14, 17| Assuërus ingenomen hadden, en hij verblijdde zich over Nineve, 121 14, 17| verblijdde zich over Nineve, eer hij stierf.~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License