Chapter, Verse
1 1, 1 | 1 HET Boek der geschiedenissen
2 1, 1 | de zoon van Gabaël, uit het zaad van Azaël, uit de stam
3 1, 3 | mij vertrokken waren in het land der Assyriërs, naar
4 1, 4 | nog was in mijn land, in het land Israëls, als ik jong
5 1, 4 | Israëls, als ik jong was, het gehele geslacht Naftali,
6 1, 4 | mijns vaders, week af van het huis Gods te Jeruzalem,
7 1, 5 | tezamen afgeweken waren, en het huis Naftali, mijns vaders,
8 1, 5 | mijns vaders, offerden het kalf Baäl.~
9 1, 6 | gelijk bevolen is aan al het volk Israëls met een eeuwig
10 1, 6 | priesters, de zonen Aärons, voor het altaar.~
11 1, 8 | 8 En de derde gaf ik die het betaamde, gelijk Debora,
12 1, 9 | was, zo nam ik Anna, uit het zaad van ons geslacht, tot
13 1, 24| zijns vaders, en over al het bewind.~
14 1, 25| 25 En Achiachar verzocht het voor mij, en ik kwam weder
15 2, 2 | 2 Op het feest van Pinksteren, hetwelk
16 2, 2 | van Pinksteren, hetwelk is het heilig feest der zeven weken,
17 2, 10| nacht keerde ik weder na het begraven, en dewijl ik onrein
18 2, 14| bij mij gekomen was, begon het te blaten; en ik zeide tot
19 2, 14| Vanwaar komt dit bokje, is het niet gestolen? geeft het
20 2, 14| het niet gestolen? geeft het de rechte heer weder, want
21 2, 14| rechte heer weder, want het is ons niet geoorloofd te
22 2, 14| gestolen is. En zij zeide: Het is mij tot een geschenk
23 2, 14| een geschenk gegeven boven het loon; doch ik geloofde haar
24 2, 14| haar niet, en zeide dat zij het de heren weder geven zoude.~
25 2, 15| uw gerechtigheden? ziet het is alles bekend, wat bij
26 3, 6 | en tot aarde worden. Want het is mij nuttiger te sterven
27 3, 7 | ten zelfden dage gebeurde het, dat Sara, een dochter van
28 3, 12| ik dit zal doen, zo zal het hem een smaad zijn, en ik
29 3, 12| zijn ouderdom met smart in het graf brengen.~
30 3, 13| 13 En zij bad aan het venster en zeide:~
31 3, 18| de naam mijns vaders in het land mijner gevangenis.~
32 3, 21| waartoe dient mij dan voortaan het leven?~
33 3, 22| 22 En indien het u niet goeddunkt mij te
34 3, 24| 24 En het gebed dezer beiden werd
35 3, 25| geest te binden, aangezien het Tobias toekwam haar tot
36 4, 1 | dag werd Tobias indachtig het geld, dat hij Gabaël te
37 4, 2 | mijn zoon niet, opdat ik het hem te kennen geve, eer
38 4, 6 | oprechtelijk zult handelen, zo zal het welgaan in uw werken, en
39 4, 7 | niet af van enige arme, en het aangezicht Gods zal zich
40 4, 9 | weinig hebt, vrees niet naar het weinige aalmoezen te doen.~
41 4, 13| en neem u een vrouw van het zaad uwer vaderen, en neem
42 4, 13| kinderen, en hun zaad zal het aardrijk beërven.~
43 4, 15| 15 En laat het loon van geen mens, die
44 4, 15| zo gij God gediend hebt, het zal u weergegeven worden.~
45 4, 17| aalmoezen, en uw oog benijde het niet, wanneer gij aalmoezen
46 4, 18| uw brood overvloedig over het graf der rechtvaardigen,
47 4, 18| rechtvaardigen, en geef het niet de zondaren.~
48 4, 20| maar de Here zelf geeft al het goed, en zo wie hij wil
49 4, 20| wil vernedert hij, gelijk het hem belieft. En nu kind,
50 5, 3 | 3 En toen gaf hij hem het handschrift, en zeide tot
51 5, 4 | geven, en trek heen, ontvang het geld.~
52 5, 6 | een engel, maar hij wist het niet.~
53 5, 10| hem: Wacht op mij, ik zal het mijn vader aanzeggen; en
54 5, 13| geslacht zijt gij? geef het mij te kennen.~
55 5, 19| brengende de eerstgeborenen van het vee en de tienden der vruchten.~
56 5, 21| mijn zoon, en ik zal boven het loon u nog wat toeleggen,
57 5, 23| u gereed tot de weg, en het ga ulieden wel.~
58 6, 5 | vatte de vis en wierp hem op het land.~ groot~kaartje
59 6, 6 | vis in stukken, en neem het hart, en de lever, en de
60 6, 8 | Azarias, broeder, wat is van het hart, en de lever, en de
61 6, 9 | En hij zeide tot hem: Wat het hart en de lever betreft,
62 6, 14| doods schuldig zijn, dewijl het u betaamt de erfenis te
63 6, 16| ik zou sterven, en ik zou het leven van mijn vader en
64 6, 19| zo zult gij as nemen van het reukoffer, en zult daarop
65 6, 19| en zult daarop leggen van het hart en van de lever van
66 6, 20| 20 En de duivel zal het ruiken en zal vluchten,
67 7, 1 | 1 EN gingen tot het huis van Raguël, en Sara
68 7, 2 | 2 En zij bracht hen in het huis, en Raguël zeide tot
69 7, 6 | gezond; en Tobias zeide: Het is mijn vader.~
70 7, 10| zijt vrolijk; want u komt het toe mijn dochter te nemen.~
71 7, 12| gij hier zult staan, en, het mij toegestaan zult hebben.
72 8, 1 | 1 EN als zij nu het avondmaal geëindigd hadden,
73 8, 2 | der reukofferen, en legde het hart en de lever van de
74 8, 4 | waren, stond Tobias op van het bed, en zeide: Sta op, zuster,
75 8, 6 | steunsel gegeven; uit deze is het geslacht der mensen geboren.
76 8, 6 | geboren. Gij hebt gezegd, het is niet goed dat de mens
77 8, 11| ik hem mag begraven, en het niemand wete.~
78 8, 16| hij beval de huisknechten het graf te stoppen.~
79 8, 18| tot zijn vader trekken, en het overige zeide hij zal u
80 9, 3 | tot Gabaël, en haal mij het geld, en breng hem mede
81 9, 6 | vernachtte bij Gabaël, en gaf hem het handschrift.~
82 10, 2 | gestorven zijn, dat niemand hem het geld zou geven?~
83 10, 5 | 5 En zeide: Och het rouwt mij, mijn kind, dat
84 10, 5 | laten gaan, die toch waart het licht van mijn ogen.~
85 10, 11| zal hem laten weten, hoe het met u gaat. En Tobias zeide:
86 11, 3 | lopen voor uw vrouw, en het huis bereiden.~
87 11, 8 | gal in zijn ogen, en als het hem bijt zo zal hij ze wrijven,
88 12, 1 | man, die met u gekomen is, het loon geeft, en bovendien
89 12, 7 | heerlijkheid, en dankt hem voor het aanschijn aller levenden,
90 12, 7 | die hij u gedaan heeft. Het is goed dat men God love
91 12, 8 | 8 Want het is goed dat men de verborgenheid
92 12, 8 | konings bedekt houdt, maar het is heerlijk dat men de werken
93 12, 8 | openbaart. Doet goed, en het kwaad zal ulieden niet vinden.~
94 12, 9 | 9 Het gebed met vasten, en aalmoezen,
95 12, 9 | veel met ongerechtigheid. Het is beter aalmoezen te doen,
96 12, 9 | gerechtigheid doen, zullen met het leven verzadigd worden.~
97 12, 11| ik heb reeds gezegd, dat het goed is de verborgenheden
98 12, 11| bedekt te houden, maar dat het heerlijk is de werken Gods
99 12, 12| gedachtenis van ulieder gebed voor het aangezicht des heiligen.~
100 12, 15| brengen, en ingaan voor het aanschijn van de heerlijkheid
101 12, 16| beiden ontroerd en vielen op het aangezicht, want zij vreesden.~
102 13, 3 | heerlijkheid, en verheft hem voor het aanschijn van alles wat
103 13, 6 | 6 Ik nu zal in het land mijner gevangenis hem
104 13, 6 | kracht en grote heerlijkheid het zondige volk vertonen.~
105 13, 7 | zijn aanschijn; wie weet het, of hij lust tot u kreeg,
106 14, 2 | vijftig jaren oud, toen hij het gezicht verloor.~
107 14, 6 | Nineve geschieden zal, en dat het verwoest zal worden, (doch
108 14, 6 | zullen verstrooid worden, uit het goede land; en Jeruzalem
109 14, 6 | Jeruzalem zal woest wezen, en het huis Gods daarin zal verbrand
110 14, 7 | zal hen doen wederkeren in het land; en zij zullen het
111 14, 7 | het land; en zij zullen het huis bouwen, maar niet zodanig
112 14, 7 | bouwen, maar niet zodanig als het eerste was, totdat de tijden
113 14, 7 | Jeruzalem kostelijk opbouwen; en het huis Gods zal daarin gebouwd
114 14, 7 | daarin gebouwd worden, en het zal een heerlijk gebouw
115 14, 9 | zijt rechtvaardig, opdat het u welga; en begraaf mij
116 14, 10| opgevoed had; hoe hij hem uit het licht in de duisternis gebracht
117 14, 13| zeide, begaf hem de ziel op het bed. En hij was honderdachtenvijftig
118 14, 15| heerlijk, en erfde hun goed, en het goed zijns vaders Tobias.~
|