Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
vaderen 5
vaders 12
valse 1
van 111
vanwaar 1
vanwege 2
vasten 1
Frequency    [«  »]
121 hij
121 zijn
118 het
111 van
104 tot
102 zij
94 in

Het boek Tobit (Tobias)

IntraText - Concordances

van

    Chapter, Verse
1 1, 1 | Boek der geschiedenissen van Tobias, de zoon van Tobias, 2 1, 1 | geschiedenissen van Tobias, de zoon van Tobias, de zoon van Ananiël, 3 1, 1 | zoon van Tobias, de zoon van Ananiël, de zoon van Aduël, 4 1, 1 | zoon van Ananiël, de zoon van Aduël, de zoon van Gabaël, 5 1, 1 | zoon van Aduël, de zoon van Gabaël, uit het zaad van 6 1, 1 | van Gabaël, uit het zaad van Azaël, uit de stam van Naftali.~ 7 1, 1 | zaad van Azaël, uit de stam van Naftali.~ 8 1, 2 | weggevoerd werd in de dagen van Enemessar, de koning der 9 1, 4 | Naftali, mijns vaders, week af van het huis Gods te Jeruzalem, 10 1, 5 | en de tempel der woning van de Allerhoogste was geheiligd 11 1, 7 | 7 De eerste tienden van al de vruchten gaf ik de 12 1, 8 | geboden had; dewijl ik van mijn vader wees was gelaten.~ 13 1, 9 | nam ik Anna, uit het zaad van ons geslacht, tot een huisvrouw, 14 1, 11| al mijn broeders, en die van mijn geslacht waren, gegeten 15 1, 11| geslacht waren, gegeten van de broden der heidenen,~ 16 1, 16| bewaring aan Gabaël, de broeder van Gabriël, binnen de stad 17 1, 19| 19 En in de dagen van Enemessar deed ik veel aalmoezen 18 1, 22| 22 En een van die van Nineve ging heen, 19 1, 22| 22 En een van die van Nineve ging heen, en gaf 20 1, 22| ging heen, en gaf de koning van mij te kennen, dat ik deze 21 1, 24| dagen voorbij, dat twee van zijn zonen hem doodden, 22 1, 24| zette Achiachar, de zoon van Anaël, mijn broeder, over 23 2, 2 | 2 Op het feest van Pinksteren, hetwelk is het 24 2, 2 | mede wie gij vinden zult van onze broederen, die gebrek 25 2, 6 | werd gedachtig der profetie van Amos gelijk hij gezegd had:~ 26 2, 10| was, sliep ik aan de muur van de voorplaats en mijn aangezicht 27 2, 12| huisvrouw Anna maakte handwerk van wol in de vrouwenkameren.~ 28 3, 6 | beveel dat men mijn geest van mij neme, opdat ik ontbonden 29 3, 6 | dat ik nu verlost worde van deze nood, en opgenomen 30 3, 6 | plaatsen, en keer uw aangezicht van mij niet af.~ 31 3, 7 | het, dat Sara, een dochter van Raguël, te Ecbatana in Medië, 32 3, 11| zoon of dochter moeten wij van u zien in eeuwigheid.~ 33 3, 16| gij mij zoudt verlossen van de aarde, en dat ik niet 34 3, 17| Here, dat ik zuiver ben van alle misdaad des mans.~ 35 3, 25| namelijk om de witte schellen van Tobias' ogen af te doen, 36 3, 25| en om Sara, de dochter van Raguël, aan Tobias de zoon 37 3, 25| Raguël, aan Tobias de zoon van Tobias tot een vrouw te 38 3, 25| en is Sara, de dochter van Raguël, van haar opperzolder 39 3, 25| de dochter van Raguël, van haar opperzolder afgekomen.~ 40 4, 7 | 7 Doe aalmoezen van hetgeen gij hebt, en uw 41 4, 7 | keer uw aangezicht niet af van enige arme, en het aangezicht 42 4, 7 | aangezicht Gods zal zich van u niet afkeren.~ 43 4, 11| 11 Dewijl de aalmoes van de dood verlost, en niet 44 4, 13| 13 Kind, wacht u van alle hoererij, en neem u 45 4, 13| hoererij, en neem u een vrouw van het zaad uwer vaderen, en 46 4, 13| Jakob zijn onze vaderen van ouds af; gedenk, kind, dat 47 4, 14| niet hovaardig in uw hart van uw broederen, en de zonen 48 4, 15| 15 En laat het loon van geen mens, die voor u gearbeid 49 4, 17| 17 Geef van uw brood degene die honger 50 4, 17| degene die honger heeft, en van uw klederen hun die naakt 51 4, 20| te allen tijde, en begeer van hem dat uw wegen recht zijn 52 4, 21| die ik aan Gabaël, de zoon van Gabrias te Ragis in Medië, 53 4, 21| gij God vreest, en afstaat van alle zonde, en doet hetgeen 54 5, 11| mij, opdat ik mag verstaan van welke stam hij is, en of 55 5, 15| Ik ben Azarias, de zoon van de grote Ananias, een uwer 56 5, 18| Ananias en Jonathan, de zonen van de grote Semeï wel;~ 57 5, 19| brengende de eerstgeborenen van het vee en de tienden der 58 5, 21| 21 Broeder, gij zijt van een groot geslacht. Maar 59 5, 25| en is hij niet de stok van onze hand, als hij uit en 60 5, 26| bijeengeschraapt hebben, van onze zoon zijn mocht.~ 61 5, 27| 27 Want zulks als ons van de Here gegeven is om te 62 5, 29| weder keren; en zij hield op van schreien.~ 63 6, 8 | Azarias, broeder, wat is van het hart, en de lever, en 64 6, 8 | en de lever, en de gal van deze vis?~ 65 6, 9 | indien iemand gekweld wordt van de duivel of boze geest, 66 6, 14| wanneer wij weder zullen keren van Ragis, zo zullen wij de 67 6, 14| man zal geven naar de wet van Mozes, of hij zou des doods 68 6, 16| sterven, en ik zou het leven van mijn vader en van mijn moeder 69 6, 16| leven van mijn vader en van mijn moeder met smarten 70 6, 19| bruidskamer, zo zult gij as nemen van het reukoffer, en zult daarop 71 6, 19| reukoffer, en zult daarop leggen van het hart en van de lever 72 6, 19| daarop leggen van het hart en van de lever van de vis, en 73 6, 19| het hart en van de lever van de vis, en zult roken.~ 74 6, 22| dewijl deze u is bereid van der eeuwigheid, en gij zult 75 7, 1 | 1 EN gingen tot het huis van Raguël, en Sara kwam hen 76 7, 3 | 3 En Raguël vroeg hun: Van waar zijt gij, broeders?~ 77 7, 4 | tot hem: Uit de kinderen van Naftali zijn wij, van de 78 7, 4 | kinderen van Naftali zijn wij, van de gevangenen te Nineve.~ 79 7, 9 | vriendelijk, en slachtten een ram van de schapen, en zetten hun 80 7, 9 | Broeder Azarias, spreek nul van hetgeen waarvan gij gezegd 81 7, 12| Raguël zeide: Neem haar van nu aan tot u, naar recht, 82 7, 15| Zie, neem haar naar de wet van Mozes tot u, en breng haar 83 7, 19| en ontving ook de tranen van haar dochter,~ 84 8, 2 | dacht hij aan de woorden van Rafaël, en nam de as der 85 8, 2 | legde het hart en de lever van de vis daarop en maakte 86 8, 3 | hij naar de bovenste delen van Egypte, en de engel bond 87 8, 4 | gesloten waren, stond Tobias op van het bed, en zeide: Sta op, 88 8, 17| bereidde hun een bruiloft van veertien dagen, en Raguël 89 8, 18| En dan zou hij de helft van zijn goederen tot zich nemen, 90 9, 3 | Raguël gezworen heeft, dat ik van hier niet gaan zal.~ 91 10, 5 | die toch waart het licht van mijn ogen.~ 92 10, 11| zijn vrouw, en de helft van zijn goederen, slaven, en 93 10, 12| zijn nu uw ouders, laat mij van u een goed gerucht horen; 94 11, 4 | 4 En neem de gal van de vis in de hand.~ 95 11, 10| schellen werden afgepeld van de hoeken zijner ogen.~ 96 11, 18| lovende, tot aan de poort van Nineve; en die hem zagen 97 11, 20| 20 En de bruiloft van Tobias werd zeven dagen 98 12, 2 | bezwaar hem de helft te geven, van al dat ik meegebracht heb.~ 99 12, 5 | 5 Neem de helft van alles wat gij meegebracht 100 12, 9 | vergaderen. Want aalmoes verlost van de dood en zij zuivert alle 101 12, 10| zondigen, zijn vijanden van hun eigen leven.~ 102 12, 12| bracht ik de gedachtenis van ulieder gebed voor het aangezicht 103 12, 15| 15 Ik ben Rafaël, een van de zeven heilige engelen, 104 12, 15| ingaan voor het aanschijn van de heerlijkheid des heiligen.~ 105 12, 18| genade, maar door de wil van onze God; daarom looft hem 106 13, 3 | verheft hem voor het aanschijn van alles wat leeft, gelijk 107 13, 13| 13 Vele volken zullen van verre komen tot de naam 108 13, 20| 20 En de straten van Jeruzalem zullen met berylsteen 109 14, 1 | 1 EN Tobias hield op van dankzeggen,~ 110 14, 9 | En nu, mijn zoon, vertrek van Nineve, want die dingen 111 14, 17| hoorde hij nog de ondergang van Nineve, welke Nabuchodonosor


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License