Chapter, Verse
1 1, 1 | Boek der geschiedenissen van Tobias, de zoon van Tobias,
2 1, 1 | geschiedenissen van Tobias, de zoon van Tobias, de zoon van Ananiël,
3 1, 1 | zoon van Tobias, de zoon van Ananiël, de zoon van Aduël,
4 1, 1 | zoon van Ananiël, de zoon van Aduël, de zoon van Gabaël,
5 1, 1 | zoon van Aduël, de zoon van Gabaël, uit het zaad van
6 1, 1 | van Gabaël, uit het zaad van Azaël, uit de stam van Naftali.~
7 1, 1 | zaad van Azaël, uit de stam van Naftali.~
8 1, 2 | weggevoerd werd in de dagen van Enemessar, de koning der
9 1, 4 | Naftali, mijns vaders, week af van het huis Gods te Jeruzalem,
10 1, 5 | en de tempel der woning van de Allerhoogste was geheiligd
11 1, 7 | 7 De eerste tienden van al de vruchten gaf ik de
12 1, 8 | geboden had; dewijl ik van mijn vader wees was gelaten.~
13 1, 9 | nam ik Anna, uit het zaad van ons geslacht, tot een huisvrouw,
14 1, 11| al mijn broeders, en die van mijn geslacht waren, gegeten
15 1, 11| geslacht waren, gegeten van de broden der heidenen,~
16 1, 16| bewaring aan Gabaël, de broeder van Gabriël, binnen de stad
17 1, 19| 19 En in de dagen van Enemessar deed ik veel aalmoezen
18 1, 22| 22 En een van die van Nineve ging heen,
19 1, 22| 22 En een van die van Nineve ging heen, en gaf
20 1, 22| ging heen, en gaf de koning van mij te kennen, dat ik deze
21 1, 24| dagen voorbij, dat twee van zijn zonen hem doodden,
22 1, 24| zette Achiachar, de zoon van Anaël, mijn broeder, over
23 2, 2 | 2 Op het feest van Pinksteren, hetwelk is het
24 2, 2 | mede wie gij vinden zult van onze broederen, die gebrek
25 2, 6 | werd gedachtig der profetie van Amos gelijk hij gezegd had:~
26 2, 10| was, sliep ik aan de muur van de voorplaats en mijn aangezicht
27 2, 12| huisvrouw Anna maakte handwerk van wol in de vrouwenkameren.~
28 3, 6 | beveel dat men mijn geest van mij neme, opdat ik ontbonden
29 3, 6 | dat ik nu verlost worde van deze nood, en opgenomen
30 3, 6 | plaatsen, en keer uw aangezicht van mij niet af.~
31 3, 7 | het, dat Sara, een dochter van Raguël, te Ecbatana in Medië,
32 3, 11| zoon of dochter moeten wij van u zien in eeuwigheid.~
33 3, 16| gij mij zoudt verlossen van de aarde, en dat ik niet
34 3, 17| Here, dat ik zuiver ben van alle misdaad des mans.~
35 3, 25| namelijk om de witte schellen van Tobias' ogen af te doen,
36 3, 25| en om Sara, de dochter van Raguël, aan Tobias de zoon
37 3, 25| Raguël, aan Tobias de zoon van Tobias tot een vrouw te
38 3, 25| en is Sara, de dochter van Raguël, van haar opperzolder
39 3, 25| de dochter van Raguël, van haar opperzolder afgekomen.~
40 4, 7 | 7 Doe aalmoezen van hetgeen gij hebt, en uw
41 4, 7 | keer uw aangezicht niet af van enige arme, en het aangezicht
42 4, 7 | aangezicht Gods zal zich van u niet afkeren.~
43 4, 11| 11 Dewijl de aalmoes van de dood verlost, en niet
44 4, 13| 13 Kind, wacht u van alle hoererij, en neem u
45 4, 13| hoererij, en neem u een vrouw van het zaad uwer vaderen, en
46 4, 13| Jakob zijn onze vaderen van ouds af; gedenk, kind, dat
47 4, 14| niet hovaardig in uw hart van uw broederen, en de zonen
48 4, 15| 15 En laat het loon van geen mens, die voor u gearbeid
49 4, 17| 17 Geef van uw brood degene die honger
50 4, 17| degene die honger heeft, en van uw klederen hun die naakt
51 4, 20| te allen tijde, en begeer van hem dat uw wegen recht zijn
52 4, 21| die ik aan Gabaël, de zoon van Gabrias te Ragis in Medië,
53 4, 21| gij God vreest, en afstaat van alle zonde, en doet hetgeen
54 5, 11| mij, opdat ik mag verstaan van welke stam hij is, en of
55 5, 15| Ik ben Azarias, de zoon van de grote Ananias, een uwer
56 5, 18| Ananias en Jonathan, de zonen van de grote Semeï wel;~
57 5, 19| brengende de eerstgeborenen van het vee en de tienden der
58 5, 21| 21 Broeder, gij zijt van een groot geslacht. Maar
59 5, 25| en is hij niet de stok van onze hand, als hij uit en
60 5, 26| bijeengeschraapt hebben, van onze zoon zijn mocht.~
61 5, 27| 27 Want zulks als ons van de Here gegeven is om te
62 5, 29| weder keren; en zij hield op van schreien.~
63 6, 8 | Azarias, broeder, wat is van het hart, en de lever, en
64 6, 8 | en de lever, en de gal van deze vis?~
65 6, 9 | indien iemand gekweld wordt van de duivel of boze geest,
66 6, 14| wanneer wij weder zullen keren van Ragis, zo zullen wij de
67 6, 14| man zal geven naar de wet van Mozes, of hij zou des doods
68 6, 16| sterven, en ik zou het leven van mijn vader en van mijn moeder
69 6, 16| leven van mijn vader en van mijn moeder met smarten
70 6, 19| bruidskamer, zo zult gij as nemen van het reukoffer, en zult daarop
71 6, 19| reukoffer, en zult daarop leggen van het hart en van de lever
72 6, 19| daarop leggen van het hart en van de lever van de vis, en
73 6, 19| het hart en van de lever van de vis, en zult roken.~
74 6, 22| dewijl deze u is bereid van der eeuwigheid, en gij zult
75 7, 1 | 1 EN gingen tot het huis van Raguël, en Sara kwam hen
76 7, 3 | 3 En Raguël vroeg hun: Van waar zijt gij, broeders?~
77 7, 4 | tot hem: Uit de kinderen van Naftali zijn wij, van de
78 7, 4 | kinderen van Naftali zijn wij, van de gevangenen te Nineve.~
79 7, 9 | vriendelijk, en slachtten een ram van de schapen, en zetten hun
80 7, 9 | Broeder Azarias, spreek nul van hetgeen waarvan gij gezegd
81 7, 12| Raguël zeide: Neem haar van nu aan tot u, naar recht,
82 7, 15| Zie, neem haar naar de wet van Mozes tot u, en breng haar
83 7, 19| en ontving ook de tranen van haar dochter,~
84 8, 2 | dacht hij aan de woorden van Rafaël, en nam de as der
85 8, 2 | legde het hart en de lever van de vis daarop en maakte
86 8, 3 | hij naar de bovenste delen van Egypte, en de engel bond
87 8, 4 | gesloten waren, stond Tobias op van het bed, en zeide: Sta op,
88 8, 17| bereidde hun een bruiloft van veertien dagen, en Raguël
89 8, 18| En dan zou hij de helft van zijn goederen tot zich nemen,
90 9, 3 | Raguël gezworen heeft, dat ik van hier niet gaan zal.~
91 10, 5 | die toch waart het licht van mijn ogen.~
92 10, 11| zijn vrouw, en de helft van zijn goederen, slaven, en
93 10, 12| zijn nu uw ouders, laat mij van u een goed gerucht horen;
94 11, 4 | 4 En neem de gal van de vis in de hand.~
95 11, 10| schellen werden afgepeld van de hoeken zijner ogen.~
96 11, 18| lovende, tot aan de poort van Nineve; en die hem zagen
97 11, 20| 20 En de bruiloft van Tobias werd zeven dagen
98 12, 2 | bezwaar hem de helft te geven, van al dat ik meegebracht heb.~
99 12, 5 | 5 Neem de helft van alles wat gij meegebracht
100 12, 9 | vergaderen. Want aalmoes verlost van de dood en zij zuivert alle
101 12, 10| zondigen, zijn vijanden van hun eigen leven.~
102 12, 12| bracht ik de gedachtenis van ulieder gebed voor het aangezicht
103 12, 15| 15 Ik ben Rafaël, een van de zeven heilige engelen,
104 12, 15| ingaan voor het aanschijn van de heerlijkheid des heiligen.~
105 12, 18| genade, maar door de wil van onze God; daarom looft hem
106 13, 3 | verheft hem voor het aanschijn van alles wat leeft, gelijk
107 13, 13| 13 Vele volken zullen van verre komen tot de naam
108 13, 20| 20 En de straten van Jeruzalem zullen met berylsteen
109 14, 1 | 1 EN Tobias hield op van dankzeggen,~
110 14, 9 | En nu, mijn zoon, vertrek van Nineve, want die dingen
111 14, 17| hoorde hij nog de ondergang van Nineve, welke Nabuchodonosor
|