Chapter, Verse
1 1, 9 | het zaad van ons geslacht, tot een huisvrouw, en won uit
2 2, 2 | zag veel spijs, en zeide tot mijn zoon: Ga heen, en breng
3 2, 11| op mijn ogen en ik ging tot de medicijnmeesters, maar
4 2, 14| het te blaten; en ik zeide tot haar: Vanwaar komt dit bokje,
5 2, 14| En zij zeide: Het is mij tot een geschenk gegeven boven
6 2, 15| zij, antwoordende, zeide tot mij: Waar zijn nu uw aalmoezen
7 3, 4 | gij hebt ons overgegeven tot roof, en in gevangenis,
8 3, 4 | gevangenis, en ter dood, en tot een spreekwoord der versmading
9 3, 6 | ik ontbonden mag zijn en tot aarde worden. Want het is
10 3, 9 | 9 En zij zeiden tot haar: Wordt gij nog niet
11 3, 15| ogen, en mijn aangezicht tot u begeven.~
12 3, 20| mijzelf voor die mocht bewaren tot een huisvrouw.~
13 3, 25| Tobias de zoon van Tobias tot een vrouw te geven, en Asmodeüs
14 3, 25| het Tobias toekwam haar tot een erve te verkrijgen.
15 4, 16| hij haat. Drink geen wijn tot dronkenschap, en laat geen
16 4, 17| overvloedig hebt, geef dat tot aalmoezen, en uw oog benijde
17 5, 3 | het handschrift, en zeide tot hem:~
18 5, 7 | 7 En hij zeide tot hem: Zoudt gij met mij kunnen
19 5, 7 | gij met mij kunnen trekken tot Ragis in Medië?~
20 5, 9 | 9 En de engel zeide tot hem: Ik zal met u trekken,
21 5, 10| 10 En Tobias zeide tot hem: Wacht op mij, ik zal
22 5, 10| aanzeggen; en hij sprak tot hem: Ga heen, en vertoef
23 5, 11| ingegaan zijnde, zeide hij tot zijn vader: Zie ik heb een
24 5, 11| En hij sprak: Roep hem tot mij, opdat ik mag verstaan
25 5, 13| 13 En Tobias zeide tot hem: Broeder uit welke stam
26 5, 14| 14 En hij zeide tot hem: Zoekt gij een stam
27 5, 14| heenreize? En Tobias zeide tot hem: Broeder, ik wilde uw
28 5, 20| zijn niet verleid geworden tot de afdwaling onzer broederen.~
29 5, 23| 23 En hij zeide tot Tobias: Maak u gereed tot
30 5, 23| tot Tobias: Maak u gereed tot de weg, en het ga ulieden
31 5, 24| zijn zoon bereidde hetgeen tot de reis nodig was, en zijn
32 5, 24| was, en zijn vader zeide tot hem: Trek met deze man heen,
33 5, 25| moeder, schreide, en sprak tot Tobias: Waarom hebt gij
34 5, 28| 28 En Tobias zeide tot haar: Heb geen zorg, zuster,
35 6, 4 | 4 Maar de engel zeide tot hem: Grijp de vis aan.~
36 6, 6 | 6 En de engel zeide tot hem: Snijd de vis in stukken,
37 6, 7 | hun weg, totdat zij kwamen tot bij Ecbatana.~
38 6, 8 | 8 En de jongeling zeide tot de engel: Azarias, broeder,
39 6, 9 | 9 En hij zeide tot hem: Wat het hart en de
40 6, 12| 12 Zo zeide de engel tot de jongeling: Broeder, wij
41 6, 12| haar spreken, opdat zij u tot een huisvrouw gegeven worde.~
42 6, 15| Toen zeide de jongeling tot de engel: Azarias, broeder,
43 6, 16| vaders, en vrees dat ik tot haar ingaande sterven zal,
44 6, 16| niemand leed doet, dan die tot haar ingaan. En nu vrees
45 6, 17| 17 En de engel zeide tot hem: Gedenkt gij niet de
46 6, 19| deze zelfde nacht zal zij u tot een vrouw gegeven worden,
47 6, 21| 21 Maar wanneer gij nu tot haar zult ingaan, zo staat
48 7, 1 | 1 EN gingen tot het huis van Raguël, en
49 7, 2 | het huis, en Raguël zeide tot zijn vrouw Edna: Hoe gelijkt
50 7, 4 | 4 En zij zeiden tot hem: Uit de kinderen van
51 7, 5 | 5 En hij zeide tot hen: Kent gij Tobias, onze
52 7, 6 | 6 En hij zeide tot hen: Is hij gezond? Zij
53 7, 7 | en zegende hem, en zeide tot hem: Gij zijt eens eerlijken
54 7, 9 | voor. Maar Tobias zeide tot Rafaël: Broeder Azarias,
55 7, 10| 10 En Raguël zeide tot Tobias: Eet en drink, en
56 7, 11| gegeven, en wanneer zij nu tot haar zouden ingaan, stierven
57 7, 12| zeide: Neem haar van nu aan tot u, naar recht, want gij
58 7, 14| dochter Sara, en zij kwam tot haar vader.~
59 7, 15| hand, gaf hij haar Tobias tot een vrouw, en zeide: Zie,
60 7, 15| haar naar de wet van Mozes tot u, en breng haar tot uw
61 7, 15| Mozes tot u, en breng haar tot uw vader; en hij zegende
62 7, 18| zijn vrouw Edna, en zeide tot haar: Zuster, bereid de
63 7, 20| 20 En zij zeide tot haar: Heb goede moed, dochter,
64 8, 1 | zo brachten zij Tobias tot haar.~
65 8, 6 | hebt hem Eva zijn vrouw tot een hulp en steunsel gegeven;
66 8, 10| kwam in zijn huis, en zeide tot Edna zijn vrouw:~
67 8, 17| veertien dagen, en Raguël zeide tot hem met ede, eer de dagen
68 8, 18| helft van zijn goederen tot zich nemen, en met gezondheid
69 8, 18| nemen, en met gezondheid tot zijn vader trekken, en het
70 9, 2 | 2 En zeide tot hem: Azarias, broeder,~
71 9, 3 | trek naar Ragis in Medië, tot Gabaël, en haal mij het
72 9, 3 | geld, en breng hem mede tot de bruiloft, dewijl Raguël
73 9, 7 | Deze nu bracht de zakjes tot hem, zo zij verzegeld waren,
74 9, 8 | zij te zamen, en kwamen tot de bruiloft. En Tobias zegende
75 10, 3 | bedroefd. En zijn vrouw zeide tot hem: Onze zoon is ergens
76 10, 6 | 6 En Tobias zeide tot haar: Zwijg stil, en bekommer
77 10, 7 | 7 Maar zij zeide tot hem: Zwijg gij stil en bedrieg
78 10, 10| 10 En Tobias zeide tot Raguël: Laat mij heengaan;
79 10, 11| En zijn schoonvader zeide tot hem: Blijf bij mij, en ik
80 10, 11| Blijf bij mij, en ik zal tot uw vader zenden, en zal
81 10, 11| Neen, maar laat mij toch tot mijn vader trekken; en Raguël
82 10, 12| ik sterve. En hij zeide tot zijn dochter: Houd uws mans
83 10, 13| 13 En Edna zeide tot Tobias: Lieve broeder, de
84 11, 2 | 2 En Rafaël zeide tot Tobias: Gij weet, broeder,
85 11, 6 | gewaar toen hij kwam en zeide tot zijn vader:~
86 11, 9 | zoon aan de hals, en zeide tot hem: Kind, ik heb u gezien,
87 11, 18| zijnde, en God lovende, tot aan de poort van Nineve;
88 11, 18| dochter, geloofd zij God die u tot ons heeft gebracht: desgelijks
89 11, 19| broeders zoon, kwamen ook tot hem.~
90 12, 1 | zijn zoon Tobias en zeide tot hem: Ziet, zoon, dat gij
91 12, 2 | 2 En Tobias zeide tot hem: Vader, ik heb geen
92 12, 4 | riep de engel, en zeide tot hem:~
93 12, 7 | beiden heimelijk en zeide tot hen: Looft God, en dankt
94 12, 9 | aalmoezen te doen, dan goud tot een schat vergaderen. Want
95 12, 17| 17 Doch hij zeide tot hen: Vreest niet, want vrede
96 12, 20| dankt God, want ik klim op tot degene, die mij gezonden
97 13, 1 | Tobias schreef een gebed tot verheuging en sprak:~
98 13, 4 | verstrooid heeft. Zo gij tot hem wederkeert met geheel
99 13, 4 | te bewijzen, dan zal hij tot ulieden wederkeren, en zal
100 13, 7 | wie weet het, of hij lust tot u kreeg, en u barmhartigheid
101 13, 13| volken zullen van verre komen tot de naam Gods, des Heren,
102 14, 6 | zes kleinzonen, en zeide tot hem: Kind, neem uw zonen
103 14, 14| zonen vertrok naar Ecbatana, tot Raguël, zijn schoonvader.~
104 14, 15| 15 En kwam tot een goede ouderdom met ere,
|