Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
toen 12
toorn 1
torens 1
tot 104
totdat 7
tranen 1
trek 3
Frequency    [«  »]
121 zijn
118 het
111 van
104 tot
102 zij
94 in
91 hem

Het boek Tobit (Tobias)

IntraText - Concordances

tot

    Chapter, Verse
1 1, 9 | het zaad van ons geslacht, tot een huisvrouw, en won uit 2 2, 2 | zag veel spijs, en zeide tot mijn zoon: Ga heen, en breng 3 2, 11| op mijn ogen en ik ging tot de medicijnmeesters, maar 4 2, 14| het te blaten; en ik zeide tot haar: Vanwaar komt dit bokje, 5 2, 14| En zij zeide: Het is mij tot een geschenk gegeven boven 6 2, 15| zij, antwoordende, zeide tot mij: Waar zijn nu uw aalmoezen 7 3, 4 | gij hebt ons overgegeven tot roof, en in gevangenis, 8 3, 4 | gevangenis, en ter dood, en tot een spreekwoord der versmading 9 3, 6 | ik ontbonden mag zijn en tot aarde worden. Want het is 10 3, 9 | 9 En zij zeiden tot haar: Wordt gij nog niet 11 3, 15| ogen, en mijn aangezicht tot u begeven.~ 12 3, 20| mijzelf voor die mocht bewaren tot een huisvrouw.~ 13 3, 25| Tobias de zoon van Tobias tot een vrouw te geven, en Asmodeüs 14 3, 25| het Tobias toekwam haar tot een erve te verkrijgen. 15 4, 16| hij haat. Drink geen wijn tot dronkenschap, en laat geen 16 4, 17| overvloedig hebt, geef dat tot aalmoezen, en uw oog benijde 17 5, 3 | het handschrift, en zeide tot hem:~ 18 5, 7 | 7 En hij zeide tot hem: Zoudt gij met mij kunnen 19 5, 7 | gij met mij kunnen trekken tot Ragis in Medië?~ 20 5, 9 | 9 En de engel zeide tot hem: Ik zal met u trekken, 21 5, 10| 10 En Tobias zeide tot hem: Wacht op mij, ik zal 22 5, 10| aanzeggen; en hij sprak tot hem: Ga heen, en vertoef 23 5, 11| ingegaan zijnde, zeide hij tot zijn vader: Zie ik heb een 24 5, 11| En hij sprak: Roep hem tot mij, opdat ik mag verstaan 25 5, 13| 13 En Tobias zeide tot hem: Broeder uit welke stam 26 5, 14| 14 En hij zeide tot hem: Zoekt gij een stam 27 5, 14| heenreize? En Tobias zeide tot hem: Broeder, ik wilde uw 28 5, 20| zijn niet verleid geworden tot de afdwaling onzer broederen.~ 29 5, 23| 23 En hij zeide tot Tobias: Maak u gereed tot 30 5, 23| tot Tobias: Maak u gereed tot de weg, en het ga ulieden 31 5, 24| zijn zoon bereidde hetgeen tot de reis nodig was, en zijn 32 5, 24| was, en zijn vader zeide tot hem: Trek met deze man heen, 33 5, 25| moeder, schreide, en sprak tot Tobias: Waarom hebt gij 34 5, 28| 28 En Tobias zeide tot haar: Heb geen zorg, zuster, 35 6, 4 | 4 Maar de engel zeide tot hem: Grijp de vis aan.~ 36 6, 6 | 6 En de engel zeide tot hem: Snijd de vis in stukken, 37 6, 7 | hun weg, totdat zij kwamen tot bij Ecbatana.~ 38 6, 8 | 8 En de jongeling zeide tot de engel: Azarias, broeder, 39 6, 9 | 9 En hij zeide tot hem: Wat het hart en de 40 6, 12| 12 Zo zeide de engel tot de jongeling: Broeder, wij 41 6, 12| haar spreken, opdat zij u tot een huisvrouw gegeven worde.~ 42 6, 15| Toen zeide de jongeling tot de engel: Azarias, broeder, 43 6, 16| vaders, en vrees dat ik tot haar ingaande sterven zal, 44 6, 16| niemand leed doet, dan die tot haar ingaan. En nu vrees 45 6, 17| 17 En de engel zeide tot hem: Gedenkt gij niet de 46 6, 19| deze zelfde nacht zal zij u tot een vrouw gegeven worden, 47 6, 21| 21 Maar wanneer gij nu tot haar zult ingaan, zo staat 48 7, 1 | 1 EN gingen tot het huis van Raguël, en 49 7, 2 | het huis, en Raguël zeide tot zijn vrouw Edna: Hoe gelijkt 50 7, 4 | 4 En zij zeiden tot hem: Uit de kinderen van 51 7, 5 | 5 En hij zeide tot hen: Kent gij Tobias, onze 52 7, 6 | 6 En hij zeide tot hen: Is hij gezond? Zij 53 7, 7 | en zegende hem, en zeide tot hem: Gij zijt eens eerlijken 54 7, 9 | voor. Maar Tobias zeide tot Rafaël: Broeder Azarias, 55 7, 10| 10 En Raguël zeide tot Tobias: Eet en drink, en 56 7, 11| gegeven, en wanneer zij nu tot haar zouden ingaan, stierven 57 7, 12| zeide: Neem haar van nu aan tot u, naar recht, want gij 58 7, 14| dochter Sara, en zij kwam tot haar vader.~ 59 7, 15| hand, gaf hij haar Tobias tot een vrouw, en zeide: Zie, 60 7, 15| haar naar de wet van Mozes tot u, en breng haar tot uw 61 7, 15| Mozes tot u, en breng haar tot uw vader; en hij zegende 62 7, 18| zijn vrouw Edna, en zeide tot haar: Zuster, bereid de 63 7, 20| 20 En zij zeide tot haar: Heb goede moed, dochter, 64 8, 1 | zo brachten zij Tobias tot haar.~ 65 8, 6 | hebt hem Eva zijn vrouw tot een hulp en steunsel gegeven; 66 8, 10| kwam in zijn huis, en zeide tot Edna zijn vrouw:~ 67 8, 17| veertien dagen, en Raguël zeide tot hem met ede, eer de dagen 68 8, 18| helft van zijn goederen tot zich nemen, en met gezondheid 69 8, 18| nemen, en met gezondheid tot zijn vader trekken, en het 70 9, 2 | 2 En zeide tot hem: Azarias, broeder,~ 71 9, 3 | trek naar Ragis in Medië, tot Gabaël, en haal mij het 72 9, 3 | geld, en breng hem mede tot de bruiloft, dewijl Raguël 73 9, 7 | Deze nu bracht de zakjes tot hem, zo zij verzegeld waren, 74 9, 8 | zij te zamen, en kwamen tot de bruiloft. En Tobias zegende 75 10, 3 | bedroefd. En zijn vrouw zeide tot hem: Onze zoon is ergens 76 10, 6 | 6 En Tobias zeide tot haar: Zwijg stil, en bekommer 77 10, 7 | 7 Maar zij zeide tot hem: Zwijg gij stil en bedrieg 78 10, 10| 10 En Tobias zeide tot Raguël: Laat mij heengaan; 79 10, 11| En zijn schoonvader zeide tot hem: Blijf bij mij, en ik 80 10, 11| Blijf bij mij, en ik zal tot uw vader zenden, en zal 81 10, 11| Neen, maar laat mij toch tot mijn vader trekken; en Raguël 82 10, 12| ik sterve. En hij zeide tot zijn dochter: Houd uws mans 83 10, 13| 13 En Edna zeide tot Tobias: Lieve broeder, de 84 11, 2 | 2 En Rafaël zeide tot Tobias: Gij weet, broeder, 85 11, 6 | gewaar toen hij kwam en zeide tot zijn vader:~ 86 11, 9 | zoon aan de hals, en zeide tot hem: Kind, ik heb u gezien, 87 11, 18| zijnde, en God lovende, tot aan de poort van Nineve; 88 11, 18| dochter, geloofd zij God die u tot ons heeft gebracht: desgelijks 89 11, 19| broeders zoon, kwamen ook tot hem.~ 90 12, 1 | zijn zoon Tobias en zeide tot hem: Ziet, zoon, dat gij 91 12, 2 | 2 En Tobias zeide tot hem: Vader, ik heb geen 92 12, 4 | riep de engel, en zeide tot hem:~ 93 12, 7 | beiden heimelijk en zeide tot hen: Looft God, en dankt 94 12, 9 | aalmoezen te doen, dan goud tot een schat vergaderen. Want 95 12, 17| 17 Doch hij zeide tot hen: Vreest niet, want vrede 96 12, 20| dankt God, want ik klim op tot degene, die mij gezonden 97 13, 1 | Tobias schreef een gebed tot verheuging en sprak:~ 98 13, 4 | verstrooid heeft. Zo gij tot hem wederkeert met geheel 99 13, 4 | te bewijzen, dan zal hij tot ulieden wederkeren, en zal 100 13, 7 | wie weet het, of hij lust tot u kreeg, en u barmhartigheid 101 13, 13| volken zullen van verre komen tot de naam Gods, des Heren, 102 14, 6 | zes kleinzonen, en zeide tot hem: Kind, neem uw zonen 103 14, 14| zonen vertrok naar Ecbatana, tot Raguël, zijn schoonvader.~ 104 14, 15| 15 En kwam tot een goede ouderdom met ere,


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License