Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
zien 6
ziende 2
ziet 6
zij 102
zijde 1
zijn 121
zijnde 5
Frequency    [«  »]
118 het
111 van
104 tot
102 zij
94 in
91 hem
86 u

Het boek Tobit (Tobias)

IntraText - Concordances

zij

    Chapter, Verse
1 1, 24| zijn zonen hem doodden, en zij vloden op de gebergten Ararat, 2 2, 11| de medicijnmeesters, maar zij hielpen mij niet en Achiachar 3 2, 13| zond dat de heren toe, en zij gaven haar ook haar loon, 4 2, 14| 14 En toen zij bij mij gekomen was, begon 5 2, 14| hetgeen gestolen is. En zij zeide: Het is mij tot een 6 2, 14| haar niet, en zeide dat zij het de heren weder geven 7 2, 15| ontsteld tegen haar, maar zij, antwoordende, zeide tot 8 3, 4 | 4 Want zij zijn uw geboden ongehoorzaam 9 3, 8 | 8 Omdat zij aan zeven mannen was gegeven, 10 3, 8 | geest, had die gedood, eer zij bij haar waren gekomen als 11 3, 9 | 9 En zij zeiden tot haar: Wordt gij 12 3, 11| ons om hunnentwil? indien zij dood zijn, zo ga met hen; 13 3, 12| 12 Als zij dit gehoord had, werd zij 14 3, 12| zij dit gehoord had, werd zij zeer bedroefd, zodat zij 15 3, 12| zij zeer bedroefd, zodat zij zich meende te verhangen, 16 3, 12| meende te verhangen, doch zij zeide: Ik ben een enige 17 3, 13| 13 En zij bad aan het venster en zeide:~ 18 3, 14| Here mijn God, en gezegend zij uw heerlijke naam, die heilig 19 4, 4 | 4 Gedenk, kind, dat zij veel gevaar heeft uitgestaan 20 4, 5 | 5 Wanneer zij zal gestorven zijn, zo begraaf 21 4, 7 | hetgeen gij hebt, en uw oog zij niet nijdig als gij aalmoezen 22 4, 13| hebben uit hun broederen, en zij zijn gezegend in hun kinderen, 23 5, 12| 12 En hij kwam in, en zij groetten elkander.~ 24 5, 20| 20 En zij zijn niet verleid geworden 25 5, 22| 22 En zij zijn zo overeengekomen.~ 26 5, 25| 25 En zij gingen beiden uit om weg 27 5, 29| zal gezond weder keren; en zij hield op van schreien.~ 28 6, 7 | de vis braadden en aten zij, en zij reisden beiden hun 29 6, 7 | braadden en aten zij, en zij reisden beiden hun weg, 30 6, 7 | reisden beiden hun weg, totdat zij kwamen tot bij Ecbatana.~ 31 6, 11| 11 En zo zij nu nabij Ragis gekomen waren,~ 32 6, 12| zal om haar spreken, opdat zij u tot een huisvrouw gegeven 33 6, 13| over uit haar geslacht; en zij is schoon en verstandig.~ 34 6, 15| aan zeven mannen, en dat zij allen in haar bruidskamer 35 6, 16| hun graf neder brengen, en zij hebben geen andere zoon 36 6, 18| hoor mij, broeder, want zij zal uw vrouw zijn. En heb 37 6, 19| Want deze zelfde nacht zal zij u tot een vrouw gegeven 38 6, 22| gij zult haar behouden, en zij zal met u trekken, en ik 39 6, 23| ziel hing zeer aan haar, en zij kwamen te Ecbatana.~ 40 7, 1 | tegemoet, en groette hen, en zij weder haar.~ 41 7, 2 | 2 En zij bracht hen in het huis, 42 7, 4 | 4 En zij zeiden tot hem: Uit de kinderen 43 7, 5 | Tobias, onze broeder, wel? En zij zeiden: Ja wij kennen hem 44 7, 6 | tot hen: Is hij gezond? Zij zeiden: Hij leeft nog, en 45 7, 9 | 9 En zij ontvingen hen vriendelijk, 46 7, 11| mannen gegeven, en wanneer zij nu tot haar zouden ingaan, 47 7, 11| zouden ingaan, stierven zij tegen die nacht. Maar wat 48 7, 12| gij zijt haar broeder, en zij is uw zuster.~ 49 7, 14| riep zijn dochter Sara, en zij kwam tot haar vader.~ 50 7, 17| 17 En zij begonnen te eten.~ 51 7, 19| 19 En zij deed gelijk hij zeide, en 52 7, 19| deed gelijk hij zeide, en zij bracht hen daar, en zij 53 7, 19| zij bracht hen daar, en zij weende, en ontving ook de 54 7, 20| 20 En zij zeide tot haar: Heb goede 55 8, 1 | 1 EN als zij nu het avondmaal geëindigd 56 8, 1 | geëindigd hadden, zo brachten zij Tobias tot haar.~ 57 8, 4 | 4 En als zij nu beiden bij elkander gesloten 58 8, 5 | onzer vaderen, en geloofd zij uw naam, die heilig en heerlijk 59 8, 6 | goed dat de mens alleen zij, laat ons hem een hulp maken, 60 8, 6 | hulp maken, die hem gelijk zij.~ 61 8, 8 | samen oud mag worden. En zij zeide met hem Amen. En zij 62 8, 8 | zij zeide met hem Amen. En zij sliepen beiden de nacht 63 8, 12| deur opengedaan had, ging zij in, en vond hen beiden slapende.~ 64 8, 13| 13 En zij kwam weder uit, en boodschapte 65 8, 14| uitverkorenen; loven moeten zij u in alle eeuwigheid. Geloofd 66 9, 7 | bracht de zakjes tot hem, zo zij verzegeld waren, en gaf 67 9, 8 | des morgens vroeg gingen zij te zamen, en kwamen tot 68 10, 1 | der reis vervuld waren, en zij niet kwamen, zo zeide Tobias: 69 10, 1 | zo zeide Tobias: Zouden zij beschaamd zijn geworden?~ 70 10, 4 | 4 En zij begon hem te bewenen.~ 71 10, 7 | 7 Maar zij zeide tot hem: Zwijg gij 72 10, 7 | mijn kind is omgekomen; en zij ging alle dagen buiten op 73 10, 8 | 8 Des daags nu at zij niet, en des nachts hield 74 10, 8 | niet, en des nachts hield zij niet op haar zoon Tobias 75 10, 10| moeder hopen niet meer dat zij mij zien zullen.~ 76 11, 1 | hij reisde voort totdat zij kwamen te Nineve.~ 77 11, 5 | 5 En zij trokken heen, en de hond 78 11, 6 | naar haar zoon op de weg en zij werd hem gewaar toen hij 79 11, 9 | thans wil ik wel sterven; en zij weenden beiden.~ groot~kaartje 80 11, 10| goede moed, vader; en als zij gebeten waren, wreef hij 81 11, 13| 13 En geloofd zij uw naam in der eeuwigheid.~ 82 11, 18| welkom, mijn dochter, geloofd zij God die u tot ons heeft 83 12, 9 | aalmoes verlost van de dood en zij zuivert alle zonde af. Die 84 12, 16| 16 En zij werden beiden ontroerd en 85 12, 16| op het aangezicht, want zij vreesden.~ 86 12, 21| 21 En zij stonden op, en zagen hem 87 12, 21| zagen hem niet meer. En zij prezen openlijk de grote 88 13, 2 | 2 Geloofd zij God die in der eeuwigheid 89 13, 2 | eeuwigheid leeft, en geloofd zij zijn koninkrijk. Want hij 90 13, 14| 14 Vervloekt moeten zij allen zijn, die u haten; 91 13, 14| gezegend daarentegen zullen zij allen zijn, die u liefhebben, 92 13, 15| der rechtvaardigen, want zij zullen bijeenvergaderd worden, 93 13, 15| bijeenvergaderd worden, en zij zullen de Here der rechtvaardigen 94 13, 16| 16 O welgelukzalig zijn zij die u liefhebben, zij zullen 95 13, 16| zijn zij die u liefhebben, zij zullen zich verblijden in 96 13, 16| vrede. Welgelukzalig zijn zij, die zich bedroeven over 97 13, 16| al uw kastijdingen, want zij zullen zich over u verblijden, 98 13, 16| zich over u verblijden, als zij al uw heerlijkheid hebben 99 13, 21| 21 Geloofd zij God, die ons verheven heeft 100 14, 7 | wederkeren in het land; en zij zullen het huis bouwen, 101 14, 7 | vervuld zijn. En daarna zullen zij wederkeren uit hun gevangenis, 102 14, 11| strik des doods verlost, die zij hem gelegd hadden, maar


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License