Chapter, Verse
1 1, 24| zijn zonen hem doodden, en zij vloden op de gebergten Ararat,
2 2, 11| de medicijnmeesters, maar zij hielpen mij niet en Achiachar
3 2, 13| zond dat de heren toe, en zij gaven haar ook haar loon,
4 2, 14| 14 En toen zij bij mij gekomen was, begon
5 2, 14| hetgeen gestolen is. En zij zeide: Het is mij tot een
6 2, 14| haar niet, en zeide dat zij het de heren weder geven
7 2, 15| ontsteld tegen haar, maar zij, antwoordende, zeide tot
8 3, 4 | 4 Want zij zijn uw geboden ongehoorzaam
9 3, 8 | 8 Omdat zij aan zeven mannen was gegeven,
10 3, 8 | geest, had die gedood, eer zij bij haar waren gekomen als
11 3, 9 | 9 En zij zeiden tot haar: Wordt gij
12 3, 11| ons om hunnentwil? indien zij dood zijn, zo ga met hen;
13 3, 12| 12 Als zij dit gehoord had, werd zij
14 3, 12| zij dit gehoord had, werd zij zeer bedroefd, zodat zij
15 3, 12| zij zeer bedroefd, zodat zij zich meende te verhangen,
16 3, 12| meende te verhangen, doch zij zeide: Ik ben een enige
17 3, 13| 13 En zij bad aan het venster en zeide:~
18 3, 14| Here mijn God, en gezegend zij uw heerlijke naam, die heilig
19 4, 4 | 4 Gedenk, kind, dat zij veel gevaar heeft uitgestaan
20 4, 5 | 5 Wanneer zij zal gestorven zijn, zo begraaf
21 4, 7 | hetgeen gij hebt, en uw oog zij niet nijdig als gij aalmoezen
22 4, 13| hebben uit hun broederen, en zij zijn gezegend in hun kinderen,
23 5, 12| 12 En hij kwam in, en zij groetten elkander.~
24 5, 20| 20 En zij zijn niet verleid geworden
25 5, 22| 22 En zij zijn zo overeengekomen.~
26 5, 25| 25 En zij gingen beiden uit om weg
27 5, 29| zal gezond weder keren; en zij hield op van schreien.~
28 6, 7 | de vis braadden en aten zij, en zij reisden beiden hun
29 6, 7 | braadden en aten zij, en zij reisden beiden hun weg,
30 6, 7 | reisden beiden hun weg, totdat zij kwamen tot bij Ecbatana.~
31 6, 11| 11 En zo zij nu nabij Ragis gekomen waren,~
32 6, 12| zal om haar spreken, opdat zij u tot een huisvrouw gegeven
33 6, 13| over uit haar geslacht; en zij is schoon en verstandig.~
34 6, 15| aan zeven mannen, en dat zij allen in haar bruidskamer
35 6, 16| hun graf neder brengen, en zij hebben geen andere zoon
36 6, 18| hoor mij, broeder, want zij zal uw vrouw zijn. En heb
37 6, 19| Want deze zelfde nacht zal zij u tot een vrouw gegeven
38 6, 22| gij zult haar behouden, en zij zal met u trekken, en ik
39 6, 23| ziel hing zeer aan haar, en zij kwamen te Ecbatana.~
40 7, 1 | tegemoet, en groette hen, en zij weder haar.~
41 7, 2 | 2 En zij bracht hen in het huis,
42 7, 4 | 4 En zij zeiden tot hem: Uit de kinderen
43 7, 5 | Tobias, onze broeder, wel? En zij zeiden: Ja wij kennen hem
44 7, 6 | tot hen: Is hij gezond? Zij zeiden: Hij leeft nog, en
45 7, 9 | 9 En zij ontvingen hen vriendelijk,
46 7, 11| mannen gegeven, en wanneer zij nu tot haar zouden ingaan,
47 7, 11| zouden ingaan, stierven zij tegen die nacht. Maar wat
48 7, 12| gij zijt haar broeder, en zij is uw zuster.~
49 7, 14| riep zijn dochter Sara, en zij kwam tot haar vader.~
50 7, 17| 17 En zij begonnen te eten.~
51 7, 19| 19 En zij deed gelijk hij zeide, en
52 7, 19| deed gelijk hij zeide, en zij bracht hen daar, en zij
53 7, 19| zij bracht hen daar, en zij weende, en ontving ook de
54 7, 20| 20 En zij zeide tot haar: Heb goede
55 8, 1 | 1 EN als zij nu het avondmaal geëindigd
56 8, 1 | geëindigd hadden, zo brachten zij Tobias tot haar.~
57 8, 4 | 4 En als zij nu beiden bij elkander gesloten
58 8, 5 | onzer vaderen, en geloofd zij uw naam, die heilig en heerlijk
59 8, 6 | goed dat de mens alleen zij, laat ons hem een hulp maken,
60 8, 6 | hulp maken, die hem gelijk zij.~
61 8, 8 | samen oud mag worden. En zij zeide met hem Amen. En zij
62 8, 8 | zij zeide met hem Amen. En zij sliepen beiden de nacht
63 8, 12| deur opengedaan had, ging zij in, en vond hen beiden slapende.~
64 8, 13| 13 En zij kwam weder uit, en boodschapte
65 8, 14| uitverkorenen; loven moeten zij u in alle eeuwigheid. Geloofd
66 9, 7 | bracht de zakjes tot hem, zo zij verzegeld waren, en gaf
67 9, 8 | des morgens vroeg gingen zij te zamen, en kwamen tot
68 10, 1 | der reis vervuld waren, en zij niet kwamen, zo zeide Tobias:
69 10, 1 | zo zeide Tobias: Zouden zij beschaamd zijn geworden?~
70 10, 4 | 4 En zij begon hem te bewenen.~
71 10, 7 | 7 Maar zij zeide tot hem: Zwijg gij
72 10, 7 | mijn kind is omgekomen; en zij ging alle dagen buiten op
73 10, 8 | 8 Des daags nu at zij niet, en des nachts hield
74 10, 8 | niet, en des nachts hield zij niet op haar zoon Tobias
75 10, 10| moeder hopen niet meer dat zij mij zien zullen.~
76 11, 1 | hij reisde voort totdat zij kwamen te Nineve.~
77 11, 5 | 5 En zij trokken heen, en de hond
78 11, 6 | naar haar zoon op de weg en zij werd hem gewaar toen hij
79 11, 9 | thans wil ik wel sterven; en zij weenden beiden.~ groot~kaartje
80 11, 10| goede moed, vader; en als zij gebeten waren, wreef hij
81 11, 13| 13 En geloofd zij uw naam in der eeuwigheid.~
82 11, 18| welkom, mijn dochter, geloofd zij God die u tot ons heeft
83 12, 9 | aalmoes verlost van de dood en zij zuivert alle zonde af. Die
84 12, 16| 16 En zij werden beiden ontroerd en
85 12, 16| op het aangezicht, want zij vreesden.~
86 12, 21| 21 En zij stonden op, en zagen hem
87 12, 21| zagen hem niet meer. En zij prezen openlijk de grote
88 13, 2 | 2 Geloofd zij God die in der eeuwigheid
89 13, 2 | eeuwigheid leeft, en geloofd zij zijn koninkrijk. Want hij
90 13, 14| 14 Vervloekt moeten zij allen zijn, die u haten;
91 13, 14| gezegend daarentegen zullen zij allen zijn, die u liefhebben,
92 13, 15| der rechtvaardigen, want zij zullen bijeenvergaderd worden,
93 13, 15| bijeenvergaderd worden, en zij zullen de Here der rechtvaardigen
94 13, 16| 16 O welgelukzalig zijn zij die u liefhebben, zij zullen
95 13, 16| zijn zij die u liefhebben, zij zullen zich verblijden in
96 13, 16| vrede. Welgelukzalig zijn zij, die zich bedroeven over
97 13, 16| al uw kastijdingen, want zij zullen zich over u verblijden,
98 13, 16| zich over u verblijden, als zij al uw heerlijkheid hebben
99 13, 21| 21 Geloofd zij God, die ons verheven heeft
100 14, 7 | wederkeren in het land; en zij zullen het huis bouwen,
101 14, 7 | vervuld zijn. En daarna zullen zij wederkeren uit hun gevangenis,
102 14, 11| strik des doods verlost, die zij hem gelegd hadden, maar
|