Chapter, Verse
1 1, 21| heimelijk weg, en begroef hem, (want hij doodde er velen
2 1, 24| dat twee van zijn zonen hem doodden, en zij vloden op
3 1, 25| rekenmeester, en Achirdonus stelde hem de tweede naast zich, en
4 2, 4 | ik spijs nuttigde, droeg hem weg in een zeker huis, totdat
5 2, 8 | maakte een graf en begroef hem,~
6 3, 12| dit zal doen, zo zal het hem een smaad zijn, en ik zal
7 4, 2 | zoon niet, opdat ik het hem te kennen geve, eer ik sterf?
8 4, 2 | kennen geve, eer ik sterf? En hem geroepen hebbende, zeide
9 4, 15| u vernachten, maar geef hem dat terstond, en zo gij
10 4, 20| allen tijde, en begeer van hem dat uw wegen recht zijn
11 4, 20| vernedert hij, gelijk het hem belieft. En nu kind, gedenk
12 4, 21| hetgeen behaaglijk is voor hem.~
13 5, 2 | kunnen ontvangen, daar ik hem niet ken?~
14 5, 3 | 3 En toen gaf hij hem het handschrift, en zeide
15 5, 3 | handschrift, en zeide tot hem:~
16 5, 4 | terwijl ik leef, en ik zal hem loon geven, en trek heen,
17 5, 7 | 7 En hij zeide tot hem: Zoudt gij met mij kunnen
18 5, 9 | 9 En de engel zeide tot hem: Ik zal met u trekken, want
19 5, 10| 10 En Tobias zeide tot hem: Wacht op mij, ik zal het
20 5, 10| aanzeggen; en hij sprak tot hem: Ga heen, en vertoef niet.~
21 5, 11| zal. En hij sprak: Roep hem tot mij, opdat ik mag verstaan
22 5, 11| u te reizen; en hij riep hem.~
23 5, 13| 13 En Tobias zeide tot hem: Broeder uit welke stam
24 5, 14| 14 En hij zeide tot hem: Zoekt gij een stam of geslacht,
25 5, 14| heenreize? En Tobias zeide tot hem: Broeder, ik wilde uw geslacht
26 5, 24| en zijn vader zeide tot hem: Trek met deze man heen,
27 5, 28| komen, en uw ogen zullen hem zien.~
28 5, 29| een goede engel zal met hem trekken, en zijn reis zal
29 6, 4 | Maar de engel zeide tot hem: Grijp de vis aan.~
30 6, 5 | jongeling vatte de vis en wierp hem op het land.~ groot~kaartje
31 6, 6 | 6 En de engel zeide tot hem: Snijd de vis in stukken,
32 6, 7 | jongeling deed gelijk de engel hem gezegd had, maar de vis
33 6, 9 | 9 En hij zeide tot hem: Wat het hart en de lever
34 6, 17| 17 En de engel zeide tot hem: Gedenkt gij niet de woorden,
35 7, 4 | 4 En zij zeiden tot hem: Uit de kinderen van Naftali
36 7, 5 | zij zeiden: Ja wij kennen hem wel.~
37 7, 7 | Raguël sprong op en kuste hem, en weende, en zegende hem,
38 7, 7 | hem, en weende, en zegende hem, en zeide tot hem: Gij zijt
39 7, 7 | zegende hem, en zeide tot hem: Gij zijt eens eerlijken
40 8, 3 | Egypte, en de engel bond hem daar.~
41 8, 6 | Adam gemaakt, en gij hebt hem Eva zijn vrouw tot een hulp
42 8, 6 | mens alleen zij, laat ons hem een hulp maken, die hem
43 8, 6 | hem een hulp maken, die hem gelijk zij.~
44 8, 8 | worden. En zij zeide met hem Amen. En zij sliepen beiden
45 8, 11| en indien niet, dat ik hem mag begraven, en het niemand
46 8, 17| dagen, en Raguël zeide tot hem met ede, eer de dagen der
47 9, 2 | 2 En zeide tot hem: Azarias, broeder,~
48 9, 3 | haal mij het geld, en breng hem mede tot de bruiloft, dewijl
49 9, 6 | vernachtte bij Gabaël, en gaf hem het handschrift.~
50 9, 7 | nu bracht de zakjes tot hem, zo zij verzegeld waren,
51 9, 7 | verzegeld waren, en gaf ze hem.~
52 10, 2 | gestorven zijn, dat niemand hem het geld zou geven?~
53 10, 3 | En zijn vrouw zeide tot hem: Onze zoon is ergens omgekomen,
54 10, 4 | 4 En zij begon hem te bewenen.~
55 10, 7 | 7 Maar zij zeide tot hem: Zwijg gij stil en bedrieg
56 10, 11| zijn schoonvader zeide tot hem: Blijf bij mij, en ik zal
57 10, 11| uw vader zenden, en zal hem laten weten, hoe het met
58 10, 11| Raguël stond op, en gaf hem Sara zijn vrouw, en de helft
59 11, 6 | zoon op de weg en zij werd hem gewaar toen hij kwam en
60 11, 7 | komt, en de man die met hem getrokken is; en Rafaël
61 11, 8 | in zijn ogen, en als het hem bijt zo zal hij ze wrijven,
62 11, 9 | aan de hals, en zeide tot hem: Kind, ik heb u gezien,
63 11, 10| daaraan; doch zijn zoon liep hem tegen, en greep zijn vader;
64 11, 18| poort van Nineve; en die hem zagen gaan, verwonderden
65 11, 19| broeders zoon, kwamen ook tot hem.~
66 12, 1 | zoon Tobias en zeide tot hem: Ziet, zoon, dat gij de
67 12, 1 | geeft, en bovendien moet hem nog iets toegelegd worden.~
68 12, 2 | 2 En Tobias zeide tot hem: Vader, ik heb geen bezwaar
69 12, 2 | Vader, ik heb geen bezwaar hem de helft te geven, van al
70 12, 3 | genezen; en de oude man zeide: Hem zal recht geschieden.~
71 12, 4 | riep de engel, en zeide tot hem:~
72 12, 7 | hen: Looft God, en dankt hem, en geeft hem heerlijkheid,
73 12, 7 | en dankt hem, en geeft hem heerlijkheid, en dankt hem
74 12, 7 | hem heerlijkheid, en dankt hem voor het aanschijn aller
75 12, 7 | aanwijze; daarom vertraagt niet hem te danken.~
76 12, 18| van onze God; daarom looft hem in der eeuwigheid.~
77 12, 21| zij stonden op, en zagen hem niet meer. En zij prezen
78 13, 3 | 3 Dankt hem, gij kinderen Israëls, voor
79 13, 3 | heerlijkheid, en verheft hem voor het aanschijn van alles
80 13, 4 | verstrooid heeft. Zo gij tot hem wederkeert met geheel uw
81 13, 5 | 5 En zult hem danken met geheel uw mond,
82 13, 6 | het land mijner gevangenis hem openlijk belijden, en zal
83 13, 9 | Dat een ieder spreke, en hem dankzegge in gerechtigheid.~
84 14, 5 | Here te vrezen, en beleed hem openlijk.~
85 14, 6 | kleinzonen, en zeide tot hem: Kind, neem uw zonen met
86 14, 10| heeft aan Achiachar, die hem opgevoed had; hoe hij hem
87 14, 10| hem opgevoed had; hoe hij hem uit het licht in de duisternis
88 14, 10| gebracht heeft; en wat hij hem vergolden heeft.~
89 14, 11| des doods verlost, die zij hem gelegd hadden, maar Haman
90 14, 13| als hij dit zeide, begaf hem de ziel op het bed. En hij
91 14, 13| jaren oud; en hij begroef hem heerlijk.~
|