Chapter, Verse
1 2, 2 | gedenkt, en ziet, ik zal op u wachten.~
2 2, 15| is alles bekend, wat bij u is.~
3 3, 3 | en zie mij aan, en wreek u niet over mij naar mijn
4 3, 3 | mijner vaderen, die tegen u gezondigd hebben.~
5 3, 5 | hebben niet oprechtelijk voor u gewandeld.~
6 3, 6 | hetgeen behagelijk is voor u; beveel dat men mijn geest
7 3, 11| of dochter moeten wij van u zien in eeuwigheid.~
8 3, 14| is in der eeuwigheid. Dat u al uw werken prijzen in
9 3, 15| en mijn aangezicht tot u begeven.~
10 3, 22| 22 En indien het u niet goeddunkt mij te doden,~
11 4, 7 | aangezicht Gods zal zich van u niet afkeren.~
12 4, 13| 13 Kind, wacht u van alle hoererij, en neem
13 4, 13| van alle hoererij, en neem u een vrouw van het zaad uwer
14 4, 14| broederen lief, en wend u niet hovaardig in uw hart
15 4, 15| van geen mens, die voor u gearbeid heeft, bij u vernachten,
16 4, 15| voor u gearbeid heeft, bij u vernachten, maar geef hem
17 4, 15| God gediend hebt, het zal u weergegeven worden.~
18 4, 16| laat geen dronkenschap met u reizen op uw weg.~
19 4, 21| 21 En nu voorts wijs ik u aan de tien talenten zilvers,
20 5, 4 | Zoek uzelf een man, die met u trekke, terwijl ik leef,
21 5, 9 | zeide tot hem: Ik zal met u trekken, want ik heb bij
22 5, 11| en of hij trouw is om met u te reizen; en hij riep hem.~
23 5, 21| zeg mij, wat loon zal ik u geven? een drachme des daags,
24 5, 21| drachme des daags, en hetgeen u nodig zijn zal, gelijk als
25 5, 21| en ik zal boven het loon u nog wat toeleggen, indien
26 5, 23| hij zeide tot Tobias: Maak u gereed tot de weg, en het
27 6, 12| haar spreken, opdat zij u tot een huisvrouw gegeven
28 6, 13| 13 Want u komt haar erfenis toe. En
29 6, 14| schuldig zijn, dewijl het u betaamt de erfenis te ontvangen
30 6, 17| de woorden, die uw vader u bevolen heeft, dat gij een
31 6, 19| deze zelfde nacht zal zij u tot een vrouw gegeven worden,
32 6, 21| barmhartige God aan, en Hij zal u behouden, en zich uwer ontfermen.~
33 6, 22| vrees niet, dewijl deze u is bereid van der eeuwigheid,
34 6, 22| behouden, en zij zal met u trekken, en ik zeg u, dat
35 6, 22| met u trekken, en ik zeg u, dat u kinderen uit haar
36 6, 22| trekken, en ik zeg u, dat u kinderen uit haar zullen
37 7, 10| drink, en zijt vrolijk; want u komt het toe mijn dochter
38 7, 11| 11 Doch ik wil u de waarheid openbaren. Ik
39 7, 12| Neem haar van nu aan tot u, naar recht, want gij zijt
40 7, 15| naar de wet van Mozes tot u, en breng haar tot uw vader;
41 7, 20| hemels en der aarde geve u vreugde voor deze uw droefheid,
42 8, 5 | heerlijk is in der eeuwigheid, u moeten de hemelen loven,
43 8, 14| heilige lof; loven moeten u uw heiligen, en al uw schepselen,
44 8, 14| uitverkorenen; loven moeten zij u in alle eeuwigheid. Geloofd
45 8, 15| Geloofd zijt gij, dat gij u hebt ontfermd over deze
46 8, 18| het overige zeide hij zal u geworden, wanneer ik en
47 9, 3 | 3 Neem met u een jongen, en twee kemels,
48 10, 5 | rouwt mij, mijn kind, dat ik u heb laten gaan, die toch
49 10, 6 | Zwijg stil, en bekommer u niet, hij is gezond.~
50 10, 11| laten weten, hoe het met u gaat. En Tobias zeide: Neen,
51 10, 12| de God des hemels geve u voorspoed, eer ik sterve.
52 10, 12| uw ouders, laat mij van u een goed gerucht horen;
53 10, 13| de Here des hemels brenge u weder; en geve mij dat ik
54 10, 13| de Here. En zie ik geef u mijn dochter over als een
55 11, 8 | schellen uitwerpen, en hij zal u zien.~
56 11, 9 | zeide tot hem: Kind, ik heb u gezien, thans wil ik wel
57 11, 14| hebt mij gekastijd, en hebt u mijner ontfermd.~
58 11, 18| dochter, geloofd zij God die u tot ons heeft gebracht:
59 12, 1 | dat gij de man, die met u gekomen is, het loon geeft,
60 12, 3 | 3 Want hij heeft mij u gezond wedergebracht en
61 12, 3 | heeft mijn geld gehaald, en u insgelijks genezen; en de
62 12, 7 | vanwege de dingen die hij u gedaan heeft. Het is goed
63 12, 13| zo was ik insgelijks bij u; en als gij u niet bezwaardet
64 12, 13| insgelijks bij u; en als gij u niet bezwaardet op te staan,
65 12, 13| onbekend, maar ik was bij u.~
66 12, 14| heeft mij God gezonden om u te genezen, en uw schoondochter
67 12, 17| Vreest niet, want vrede zal u zijn, maar looft God.~
68 12, 19| Al deze dagen ben ik door u gezien, en heb noch gegeten
69 13, 4 | zal zijn aangezicht voor u niet verbergen, en gij zult
70 13, 4 | aanschouwen hetgeen hij met u doen zal;~
71 13, 7 | weet het, of hij lust tot u kreeg, en u barmhartigheid
72 13, 7 | hij lust tot u kreeg, en u barmhartigheid bewees?~
73 13, 10| gij heilige stad, hij zal u kastijden over de werken
74 13, 11| tabernakel weder met vreugde in u mag gebouwd worden;~
75 13, 12| En hij de gevangenen in u verheuge, en de ellendigen
76 13, 12| verheuge, en de ellendigen in u liefhebbe, in alle geslachten
77 13, 13| geslachten na elkander zullen u prijzen, en zullen u vervrolijking
78 13, 13| zullen u prijzen, en zullen u vervrolijking toebrengen.~
79 13, 14| moeten zij allen zijn, die u haten; gezegend daarentegen
80 13, 14| zullen zij allen zijn, die u liefhebben, in eeuwigheid.~
81 13, 15| 15 Verblijd u, en vervrolijk u over de
82 13, 15| Verblijd u, en vervrolijk u over de kinderen der rechtvaardigen,
83 13, 16| welgelukzalig zijn zij die u liefhebben, zij zullen zich
84 13, 16| want zij zullen zich over u verblijden, als zij al uw
85 14, 6 | Kind, neem uw zonen met u, ziet, ik ben oud geworden,
86 14, 9 | rechtvaardig, opdat het u welga; en begraaf mij heerlijk
|