Chapter, Verse
1 2, 2 | heen, en breng mede wie gij vinden zult van onze broederen,
2 3, 2 | 2 Here, gij zijt rechtvaardig, en al
3 3, 2 | barmhartigheid en waarheid, en gij oordeelt een waarachtig
4 3, 4 | ongehoorzaam geweest, en gij hebt ons overgegeven tot
5 3, 9 | zij zeiden tot haar: Wordt gij nog niet wijs, gij die uw
6 3, 9 | Wordt gij nog niet wijs, gij die uw mannen verstikt?~
7 3, 10| 10 Gij hebt nu zeven mannen gehad,
8 3, 10| naar niet een hunner wordt gij genoemd.~
9 3, 11| 11 Wat slaat gij ons om hunnentwil? indien
10 3, 14| 14 Gezegend zijt gij, o Here mijn God, en gezegend
11 3, 16| 16 Ik heb gezegd, dat gij mij zoudt verlossen van
12 3, 17| 17 Gij weet Here, dat ik zuiver
13 4, 6 | ongerechtigheid. Want als gij oprechtelijk zult handelen,
14 4, 7 | Doe aalmoezen van hetgeen gij hebt, en uw oog zij niet
15 4, 7 | oog zij niet nijdig als gij aalmoezen doet, en keer
16 4, 8 | 8 Naar dat gij hebt, doe aalmoezen naar
17 4, 9 | 9 Zo gij weinig hebt, vrees niet
18 4, 10| 10 Want gij vergadert uzelf een goede
19 4, 15| hem dat terstond, en zo gij God gediend hebt, het zal
20 4, 17| die naakt zijn. Alles wat gij overvloedig hebt, geef dat
21 4, 17| benijde het niet, wanneer gij aalmoezen geeft.~
22 4, 21| omdat wij arm geworden zijn; gij hebt veel, indien gij God
23 4, 21| zijn; gij hebt veel, indien gij God vreest, en afstaat van
24 5, 1 | zeide: Vader, alles wat gij mij geboden hebt, zal ik
25 5, 7 | hij zeide tot hem: Zoudt gij met mij kunnen trekken tot
26 5, 8 | 8 En zijt gij ook in die plaats bekend?~
27 5, 13| en uit welk geslacht zijt gij? geef het mij te kennen.~
28 5, 14| hij zeide tot hem: Zoekt gij een stam of geslacht, of
29 5, 16| Tobias zeide: Welkom zijt gij broeder.~
30 5, 18| 18 Ook gij zijt mijn broeder, uit een
31 5, 21| 21 Broeder, gij zijt van een groot geslacht.
32 5, 25| tot Tobias: Waarom hebt gij ons kind weggezonden, en
33 6, 9 | duivel of boze geest, moet gij roken die voor die man of
34 6, 13| komt haar erfenis toe. En gij zijt alleen over uit haar
35 6, 17| engel zeide tot hem: Gedenkt gij niet de woorden, die uw
36 6, 17| vader u bevolen heeft, dat gij een huisvrouw zoudt nemen
37 6, 19| vrouw gegeven worden, en als gij ingaat in de bruidskamer,
38 6, 19| de bruidskamer, zo zult gij as nemen van het reukoffer,
39 6, 21| 21 Maar wanneer gij nu tot haar zult ingaan,
40 6, 22| bereid van der eeuwigheid, en gij zult haar behouden, en zij
41 7, 3 | vroeg hun: Van waar zijt gij, broeders?~
42 7, 5 | hij zeide tot hen: Kent gij Tobias, onze broeder, wel?
43 7, 7 | zegende hem, en zeide tot hem: Gij zijt eens eerlijken en goeden
44 7, 9 | nul van hetgeen waarvan gij gezegd hebt op de weg, en
45 7, 12| geen spijs smaken, totdat gij hier zult staan, en, het
46 7, 12| tot u, naar recht, want gij zijt haar broeder, en zij
47 8, 5 | te zeggen: Gezegend zijt gij, o God onzer vaderen, en
48 8, 6 | 6 Gij hebt Adam gemaakt, en gij
49 8, 6 | Gij hebt Adam gemaakt, en gij hebt hem Eva zijn vrouw
50 8, 6 | geslacht der mensen geboren. Gij hebt gezegd, het is niet
51 8, 14| zeggende: Geloofd zijt gij, o God, met alle zuivere
52 8, 14| eeuwigheid. Geloofd zijt gij, dat gij mij hebt verheugd,
53 8, 14| eeuwigheid. Geloofd zijt gij, dat gij mij hebt verheugd, en dat
54 8, 14| hetgeen ik gedacht had. Maar gij hebt met ons gehandeld naar
55 8, 15| 15 Geloofd zijt gij, dat gij u hebt ontfermd
56 8, 15| 15 Geloofd zijt gij, dat gij u hebt ontfermd over deze
57 10, 7 | zij zeide tot hem: Zwijg gij stil en bedrieg mij niet,
58 11, 2 | Rafaël zeide tot Tobias: Gij weet, broeder, hoe gij uw
59 11, 2 | Gij weet, broeder, hoe gij uw vader achtergelaten hebt.~
60 11, 8 | 8 Strijk gij de gal in zijn ogen, en
61 11, 12| 12 Geloofd zijt gij, o God.~
62 11, 14| uw heilige engelen; want gij hebt mij gekastijd, en hebt
63 12, 1 | tot hem: Ziet, zoon, dat gij de man, die met u gekomen
64 12, 5 | Neem de helft van alles wat gij meegebracht hebt,~
65 12, 12| 12 Wanneer gij dan nu badt, gij, en uw
66 12, 12| Wanneer gij dan nu badt, gij, en uw schoondochter Sara,
67 12, 13| 13 En wanneer gij de doden begroeft, zo was
68 12, 13| insgelijks bij u; en als gij u niet bezwaardet op te
69 12, 13| middagmaal te verlaten, opdat gij heengingt en de doden met
70 12, 19| gegeten noch gedronken, maar gij hebt een gezicht daarvan
71 13, 3 | 3 Dankt hem, gij kinderen Israëls, voor de
72 13, 4 | ons verstrooid heeft. Zo gij tot hem wederkeert met geheel
73 13, 4 | voor u niet verbergen, en gij zult aanschouwen hetgeen
74 13, 5 | danken met geheel uw mond, en gij zult de Here der gerechtigheid
75 13, 7 | 7 Keert weder gij zondaars, en doet gerechtigheid
76 13, 10| 10 Jeruzalem, gij heilige stad, hij zal u
77 14, 9 | Jona gesproken heeft, maar gij, bewaar de wet en de geboden,
|