Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
gezondigd 1
gezworen 2
gift 1
gij 77
gijlieden 1
ging 11
gingen 4
Frequency    [«  »]
94 in
91 hem
86 u
77 gij
76 zal
74 uw
74 zeide

Het boek Tobit (Tobias)

IntraText - Concordances

gij

   Chapter, Verse
1 2, 2 | heen, en breng mede wie gij vinden zult van onze broederen, 2 3, 2 | 2 Here, gij zijt rechtvaardig, en al 3 3, 2 | barmhartigheid en waarheid, en gij oordeelt een waarachtig 4 3, 4 | ongehoorzaam geweest, en gij hebt ons overgegeven tot 5 3, 9 | zij zeiden tot haar: Wordt gij nog niet wijs, gij die uw 6 3, 9 | Wordt gij nog niet wijs, gij die uw mannen verstikt?~ 7 3, 10| 10 Gij hebt nu zeven mannen gehad, 8 3, 10| naar niet een hunner wordt gij genoemd.~ 9 3, 11| 11 Wat slaat gij ons om hunnentwil? indien 10 3, 14| 14 Gezegend zijt gij, o Here mijn God, en gezegend 11 3, 16| 16 Ik heb gezegd, dat gij mij zoudt verlossen van 12 3, 17| 17 Gij weet Here, dat ik zuiver 13 4, 6 | ongerechtigheid. Want als gij oprechtelijk zult handelen, 14 4, 7 | Doe aalmoezen van hetgeen gij hebt, en uw oog zij niet 15 4, 7 | oog zij niet nijdig als gij aalmoezen doet, en keer 16 4, 8 | 8 Naar dat gij hebt, doe aalmoezen naar 17 4, 9 | 9 Zo gij weinig hebt, vrees niet 18 4, 10| 10 Want gij vergadert uzelf een goede 19 4, 15| hem dat terstond, en zo gij God gediend hebt, het zal 20 4, 17| die naakt zijn. Alles wat gij overvloedig hebt, geef dat 21 4, 17| benijde het niet, wanneer gij aalmoezen geeft.~ 22 4, 21| omdat wij arm geworden zijn; gij hebt veel, indien gij God 23 4, 21| zijn; gij hebt veel, indien gij God vreest, en afstaat van 24 5, 1 | zeide: Vader, alles wat gij mij geboden hebt, zal ik 25 5, 7 | hij zeide tot hem: Zoudt gij met mij kunnen trekken tot 26 5, 8 | 8 En zijt gij ook in die plaats bekend?~ 27 5, 13| en uit welk geslacht zijt gij? geef het mij te kennen.~ 28 5, 14| hij zeide tot hem: Zoekt gij een stam of geslacht, of 29 5, 16| Tobias zeide: Welkom zijt gij broeder.~ 30 5, 18| 18 Ook gij zijt mijn broeder, uit een 31 5, 21| 21 Broeder, gij zijt van een groot geslacht. 32 5, 25| tot Tobias: Waarom hebt gij ons kind weggezonden, en 33 6, 9 | duivel of boze geest, moet gij roken die voor die man of 34 6, 13| komt haar erfenis toe. En gij zijt alleen over uit haar 35 6, 17| engel zeide tot hem: Gedenkt gij niet de woorden, die uw 36 6, 17| vader u bevolen heeft, dat gij een huisvrouw zoudt nemen 37 6, 19| vrouw gegeven worden, en als gij ingaat in de bruidskamer, 38 6, 19| de bruidskamer, zo zult gij as nemen van het reukoffer, 39 6, 21| 21 Maar wanneer gij nu tot haar zult ingaan, 40 6, 22| bereid van der eeuwigheid, en gij zult haar behouden, en zij 41 7, 3 | vroeg hun: Van waar zijt gij, broeders?~ 42 7, 5 | hij zeide tot hen: Kent gij Tobias, onze broeder, wel? 43 7, 7 | zegende hem, en zeide tot hem: Gij zijt eens eerlijken en goeden 44 7, 9 | nul van hetgeen waarvan gij gezegd hebt op de weg, en 45 7, 12| geen spijs smaken, totdat gij hier zult staan, en, het 46 7, 12| tot u, naar recht, want gij zijt haar broeder, en zij 47 8, 5 | te zeggen: Gezegend zijt gij, o God onzer vaderen, en 48 8, 6 | 6 Gij hebt Adam gemaakt, en gij 49 8, 6 | Gij hebt Adam gemaakt, en gij hebt hem Eva zijn vrouw 50 8, 6 | geslacht der mensen geboren. Gij hebt gezegd, het is niet 51 8, 14| zeggende: Geloofd zijt gij, o God, met alle zuivere 52 8, 14| eeuwigheid. Geloofd zijt gij, dat gij mij hebt verheugd, 53 8, 14| eeuwigheid. Geloofd zijt gij, dat gij mij hebt verheugd, en dat 54 8, 14| hetgeen ik gedacht had. Maar gij hebt met ons gehandeld naar 55 8, 15| 15 Geloofd zijt gij, dat gij u hebt ontfermd 56 8, 15| 15 Geloofd zijt gij, dat gij u hebt ontfermd over deze 57 10, 7 | zij zeide tot hem: Zwijg gij stil en bedrieg mij niet, 58 11, 2 | Rafaël zeide tot Tobias: Gij weet, broeder, hoe gij uw 59 11, 2 | Gij weet, broeder, hoe gij uw vader achtergelaten hebt.~ 60 11, 8 | 8 Strijk gij de gal in zijn ogen, en 61 11, 12| 12 Geloofd zijt gij, o God.~ 62 11, 14| uw heilige engelen; want gij hebt mij gekastijd, en hebt 63 12, 1 | tot hem: Ziet, zoon, dat gij de man, die met u gekomen 64 12, 5 | Neem de helft van alles wat gij meegebracht hebt,~ 65 12, 12| 12 Wanneer gij dan nu badt, gij, en uw 66 12, 12| Wanneer gij dan nu badt, gij, en uw schoondochter Sara, 67 12, 13| 13 En wanneer gij de doden begroeft, zo was 68 12, 13| insgelijks bij u; en als gij u niet bezwaardet op te 69 12, 13| middagmaal te verlaten, opdat gij heengingt en de doden met 70 12, 19| gegeten noch gedronken, maar gij hebt een gezicht daarvan 71 13, 3 | 3 Dankt hem, gij kinderen Israëls, voor de 72 13, 4 | ons verstrooid heeft. Zo gij tot hem wederkeert met geheel 73 13, 4 | voor u niet verbergen, en gij zult aanschouwen hetgeen 74 13, 5 | danken met geheel uw mond, en gij zult de Here der gerechtigheid 75 13, 7 | 7 Keert weder gij zondaars, en doet gerechtigheid 76 13, 10| 10 Jeruzalem, gij heilige stad, hij zal u 77 14, 9 | Jona gesproken heeft, maar gij, bewaar de wet en de geboden,


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License