Chapter, Verse
1 2, 2 | Heren gedenkt, en ziet, ik zal op u wachten.~
2 3, 12| mijns vaders, indien ik dit zal doen, zo zal het hem een
3 3, 12| indien ik dit zal doen, zo zal het hem een smaad zijn,
4 3, 12| hem een smaad zijn, en ik zal zijn ouderdom met smart
5 3, 19| dat zijn erfgenaam zijn zal;~
6 4, 5 | 5 Wanneer zij zal gestorven zijn, zo begraaf
7 4, 6 | oprechtelijk zult handelen, zo zal het welgaan in uw werken,
8 4, 7 | en het aangezicht Gods zal zich van u niet afkeren.~
9 4, 13| hun kinderen, en hun zaad zal het aardrijk beërven.~
10 4, 15| gij God gediend hebt, het zal u weergegeven worden.~
11 5, 1 | wat gij mij geboden hebt, zal ik doen.~
12 5, 2 | 2 Maar hoe zal ik dat geld kunnen ontvangen,
13 5, 4 | terwijl ik leef, en ik zal hem loon geven, en trek
14 5, 9 | engel zeide tot hem: Ik zal met u trekken, want ik heb
15 5, 10| tot hem: Wacht op mij, ik zal het mijn vader aanzeggen;
16 5, 11| gevonden die met mij reizen zal. En hij sprak: Roep hem
17 5, 21| Maar zeg mij, wat loon zal ik u geven? een drachme
18 5, 21| en hetgeen u nodig zijn zal, gelijk als mijn zoon, en
19 5, 21| gelijk als mijn zoon, en ik zal boven het loon u nog wat
20 5, 24| God die in de hemel woont, zal uw weg voorspoedig maken,
21 5, 28| Heb geen zorg, zuster, hij zal gezond weder komen, en uw
22 5, 29| 29 Want een goede engel zal met hem trekken, en zijn
23 5, 29| hem trekken, en zijn reis zal voorspoedig zijn, en hij
24 5, 29| voorspoedig zijn, en hij zal gezond weder keren; en zij
25 6, 9 | man of die vrouw, en hij zal niet meer gekweld worden.~
26 6, 10| heeft op zijn ogen, en hij zal genezen worden.~
27 6, 12| dochter, genaamd Sara; ik zal om haar spreken, opdat zij
28 6, 14| 14 En nu hoor mij, ik zal haar vader aanspreken, en
29 6, 14| hij haar geen andere man zal geven naar de wet van Mozes,
30 6, 16| tot haar ingaande sterven zal, gelijk als de voorgaanden,
31 6, 18| hoor mij, broeder, want zij zal uw vrouw zijn. En heb geen
32 6, 19| 19 Want deze zelfde nacht zal zij u tot een vrouw gegeven
33 6, 20| 20 En de duivel zal het ruiken en zal vluchten,
34 6, 20| duivel zal het ruiken en zal vluchten, en zal in alle
35 6, 20| ruiken en zal vluchten, en zal in alle eeuwigheid niet
36 6, 21| barmhartige God aan, en Hij zal u behouden, en zich uwer
37 6, 22| zult haar behouden, en zij zal met u trekken, en ik zeg
38 7, 12| 12 En Tobias zeide: Ik zal hier geen spijs smaken,
39 8, 18| en het overige zeide hij zal u geworden, wanneer ik en
40 9, 3 | dat ik van hier niet gaan zal.~
41 9, 5 | indien ik lang vertoef, zo zal hij zeer bedroefd worden.~
42 10, 11| hem: Blijf bij mij, en ik zal tot uw vader zenden, en
43 10, 11| tot uw vader zenden, en zal hem laten weten, hoe het
44 11, 7 | weet dat uw vader zijn ogen zal opendoen.~
45 11, 8 | en als het hem bijt zo zal hij ze wrijven, en de witte
46 11, 8 | schellen uitwerpen, en hij zal u zien.~
47 12, 3 | en de oude man zeide: Hem zal recht geschieden.~
48 12, 8 | Doet goed, en het kwaad zal ulieden niet vinden.~
49 12, 11| 11 Ik zal voor ulieden geen zaak verbergen;
50 12, 17| Vreest niet, want vrede zal u zijn, maar looft God.~
51 13, 2 | is niemand die zijn hand zal ontvluchten.~
52 13, 4 | 4 Hij zal ons kastijden in onze ongerechtigheden,
53 13, 4 | onze ongerechtigheden, en zal zich weder onzer ontfermen,
54 13, 4 | weder onzer ontfermen, en zal ons bijeenvergaderen uit
55 13, 4 | aanschijn te bewijzen, dan zal hij tot ulieden wederkeren,
56 13, 4 | tot ulieden wederkeren, en zal zijn aangezicht voor u niet
57 13, 4 | aanschouwen hetgeen hij met u doen zal;~
58 13, 6 | 6 Ik nu zal in het land mijner gevangenis
59 13, 6 | hem openlijk belijden, en zal zijn kracht en grote heerlijkheid
60 13, 8 | 8 Ik zal mijn God verheffen, en mijn
61 13, 8 | verheffen, en mijn ziel zal de Koning des hemels loven,
62 13, 10| Jeruzalem, gij heilige stad, hij zal u kastijden over de werken
63 13, 10| werken uwer kinderen, en hij zal zich weder ontfermen over
64 13, 18| 18 Want Jeruzalem zal met safyr, en smaragd, en
65 14, 6 | gesproken over Nineve geschieden zal, en dat het verwoest zal
66 14, 6 | zal, en dat het verwoest zal worden, (doch in Medië zal
67 14, 6 | zal worden, (doch in Medië zal meer vrede zijn voor een
68 14, 6 | goede land; en Jeruzalem zal woest wezen, en het huis
69 14, 6 | en het huis Gods daarin zal verbrand worden, en zal
70 14, 6 | zal verbrand worden, en zal woest zijn voor een tijd.~
71 14, 7 | 7 En God zal zich hunner weder ontfermen,
72 14, 7 | hunner weder ontfermen, en zal hen doen wederkeren in het
73 14, 7 | opbouwen; en het huis Gods zal daarin gebouwd worden, en
74 14, 7 | daarin gebouwd worden, en het zal een heerlijk gebouw zijn
75 14, 8 | Here loven; en zijn volk zal de Here belijden, en God
76 14, 8 | de Here belijden, en God zal zijn volk verhogen; en allen
|