Chapter, Verse
1 2, 2 | eten, en zag veel spijs, en zeide tot mijn zoon: Ga heen,
2 2, 3 | 3 En hij weder komende zeide: Vader, een uit ons geslacht
3 2, 14| begon het te blaten; en ik zeide tot haar: Vanwaar komt dit
4 2, 14| hetgeen gestolen is. En zij zeide: Het is mij tot een geschenk
5 2, 14| ik geloofde haar niet, en zeide dat zij het de heren weder
6 2, 15| maar zij, antwoordende, zeide tot mij: Waar zijn nu uw
7 3, 12| meende te verhangen, doch zij zeide: Ik ben een enige dochter
8 3, 13| zij bad aan het venster en zeide:~
9 4, 2 | 2 En hij zeide bij zichzelf: Ik heb om
10 4, 2 | En hem geroepen hebbende, zeide hij:~
11 5, 1 | EN Tobias antwoordende, zeide: Vader, alles wat gij mij
12 5, 3 | hem het handschrift, en zeide tot hem:~
13 5, 7 | 7 En hij zeide tot hem: Zoudt gij met mij
14 5, 9 | 9 En de engel zeide tot hem: Ik zal met u trekken,
15 5, 10| 10 En Tobias zeide tot hem: Wacht op mij, ik
16 5, 11| 11 En ingegaan zijnde, zeide hij tot zijn vader: Zie
17 5, 13| 13 En Tobias zeide tot hem: Broeder uit welke
18 5, 14| 14 En hij zeide tot hem: Zoekt gij een stam
19 5, 14| zoon heenreize? En Tobias zeide tot hem: Broeder, ik wilde
20 5, 15| 15 Hij dan zeide: Ik ben Azarias, de zoon
21 5, 16| 16 En Tobias zeide: Welkom zijt gij broeder.~
22 5, 23| 23 En hij zeide tot Tobias: Maak u gereed
23 5, 24| nodig was, en zijn vader zeide tot hem: Trek met deze man
24 5, 28| 28 En Tobias zeide tot haar: Heb geen zorg,
25 6, 4 | 4 Maar de engel zeide tot hem: Grijp de vis aan.~
26 6, 6 | 6 En de engel zeide tot hem: Snijd de vis in
27 6, 8 | 8 En de jongeling zeide tot de engel: Azarias, broeder,
28 6, 9 | 9 En hij zeide tot hem: Wat het hart en
29 6, 12| 12 Zo zeide de engel tot de jongeling:
30 6, 15| 15 Toen zeide de jongeling tot de engel:
31 6, 17| 17 En de engel zeide tot hem: Gedenkt gij niet
32 7, 2 | hen in het huis, en Raguël zeide tot zijn vrouw Edna: Hoe
33 7, 5 | 5 En hij zeide tot hen: Kent gij Tobias,
34 7, 6 | 6 En hij zeide tot hen: Is hij gezond?
35 7, 6 | en is gezond; en Tobias zeide: Het is mijn vader.~
36 7, 7 | weende, en zegende hem, en zeide tot hem: Gij zijt eens eerlijken
37 7, 9 | spijs voor. Maar Tobias zeide tot Rafaël: Broeder Azarias,
38 7, 10| 10 En Raguël zeide tot Tobias: Eet en drink,
39 7, 12| 12 En Tobias zeide: Ik zal hier geen spijs
40 7, 12| toegestaan zult hebben. Raguël zeide: Neem haar van nu aan tot
41 7, 15| Tobias tot een vrouw, en zeide: Zie, neem haar naar de
42 7, 18| Raguël zijn vrouw Edna, en zeide tot haar: Zuster, bereid
43 7, 19| 19 En zij deed gelijk hij zeide, en zij bracht hen daar,
44 7, 20| 20 En zij zeide tot haar: Heb goede moed,
45 8, 4 | Tobias op van het bed, en zeide: Sta op, zuster, en laat
46 8, 8 | samen oud mag worden. En zij zeide met hem Amen. En zij sliepen
47 8, 10| Raguël kwam in zijn huis, en zeide tot Edna zijn vrouw:~
48 8, 17| veertien dagen, en Raguël zeide tot hem met ede, eer de
49 8, 18| trekken, en het overige zeide hij zal u geworden, wanneer
50 9, 2 | 2 En zeide tot hem: Azarias, broeder,~
51 10, 1 | en zij niet kwamen, zo zeide Tobias: Zouden zij beschaamd
52 10, 3 | bedroefd. En zijn vrouw zeide tot hem: Onze zoon is ergens
53 10, 5 | 5 En zeide: Och het rouwt mij, mijn
54 10, 6 | 6 En Tobias zeide tot haar: Zwijg stil, en
55 10, 7 | 7 Maar zij zeide tot hem: Zwijg gij stil
56 10, 10| 10 En Tobias zeide tot Raguël: Laat mij heengaan;
57 10, 11| 11 En zijn schoonvader zeide tot hem: Blijf bij mij,
58 10, 11| het met u gaat. En Tobias zeide: Neen, maar laat mij toch
59 10, 12| had liet hij hen gaan, en zeide: Kinderen, de God des hemels
60 10, 12| voorspoed, eer ik sterve. En hij zeide tot zijn dochter: Houd uws
61 10, 13| 13 En Edna zeide tot Tobias: Lieve broeder,
62 11, 2 | 2 En Rafaël zeide tot Tobias: Gij weet, broeder,
63 11, 6 | gewaar toen hij kwam en zeide tot zijn vader:~
64 11, 7 | getrokken is; en Rafaël zeide: Ik weet dat uw vader zijn
65 11, 9 | haar zoon aan de hals, en zeide tot hem: Kind, ik heb u
66 11, 11| zijn hals, en weende en zeide:~
67 12, 1 | riep zijn zoon Tobias en zeide tot hem: Ziet, zoon, dat
68 12, 2 | 2 En Tobias zeide tot hem: Vader, ik heb geen
69 12, 3 | genezen; en de oude man zeide: Hem zal recht geschieden.~
70 12, 4 | En hij riep de engel, en zeide tot hem:~
71 12, 7 | hen beiden heimelijk en zeide tot hen: Looft God, en dankt
72 12, 17| 17 Doch hij zeide tot hen: Vreest niet, want
73 14, 6 | zijn zes kleinzonen, en zeide tot hem: Kind, neem uw zonen
74 14, 13| 13 En als hij dit zeide, begaf hem de ziel op het
|