Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
zegende 5
zeggen 2
zeggende 6
zeide 74
zeiden 4
zeker 2
zelf 2
Frequency    [«  »]
77 gij
76 zal
74 uw
74 zeide
71 dat
70 die
70 een

Het boek Tobit (Tobias)

IntraText - Concordances

zeide

   Chapter, Verse
1 2, 2 | eten, en zag veel spijs, en zeide tot mijn zoon: Ga heen, 2 2, 3 | 3 En hij weder komende zeide: Vader, een uit ons geslacht 3 2, 14| begon het te blaten; en ik zeide tot haar: Vanwaar komt dit 4 2, 14| hetgeen gestolen is. En zij zeide: Het is mij tot een geschenk 5 2, 14| ik geloofde haar niet, en zeide dat zij het de heren weder 6 2, 15| maar zij, antwoordende, zeide tot mij: Waar zijn nu uw 7 3, 12| meende te verhangen, doch zij zeide: Ik ben een enige dochter 8 3, 13| zij bad aan het venster en zeide:~ 9 4, 2 | 2 En hij zeide bij zichzelf: Ik heb om 10 4, 2 | En hem geroepen hebbende, zeide hij:~ 11 5, 1 | EN Tobias antwoordende, zeide: Vader, alles wat gij mij 12 5, 3 | hem het handschrift, en zeide tot hem:~ 13 5, 7 | 7 En hij zeide tot hem: Zoudt gij met mij 14 5, 9 | 9 En de engel zeide tot hem: Ik zal met u trekken, 15 5, 10| 10 En Tobias zeide tot hem: Wacht op mij, ik 16 5, 11| 11 En ingegaan zijnde, zeide hij tot zijn vader: Zie 17 5, 13| 13 En Tobias zeide tot hem: Broeder uit welke 18 5, 14| 14 En hij zeide tot hem: Zoekt gij een stam 19 5, 14| zoon heenreize? En Tobias zeide tot hem: Broeder, ik wilde 20 5, 15| 15 Hij dan zeide: Ik ben Azarias, de zoon 21 5, 16| 16 En Tobias zeide: Welkom zijt gij broeder.~ 22 5, 23| 23 En hij zeide tot Tobias: Maak u gereed 23 5, 24| nodig was, en zijn vader zeide tot hem: Trek met deze man 24 5, 28| 28 En Tobias zeide tot haar: Heb geen zorg, 25 6, 4 | 4 Maar de engel zeide tot hem: Grijp de vis aan.~ 26 6, 6 | 6 En de engel zeide tot hem: Snijd de vis in 27 6, 8 | 8 En de jongeling zeide tot de engel: Azarias, broeder, 28 6, 9 | 9 En hij zeide tot hem: Wat het hart en 29 6, 12| 12 Zo zeide de engel tot de jongeling: 30 6, 15| 15 Toen zeide de jongeling tot de engel: 31 6, 17| 17 En de engel zeide tot hem: Gedenkt gij niet 32 7, 2 | hen in het huis, en Raguël zeide tot zijn vrouw Edna: Hoe 33 7, 5 | 5 En hij zeide tot hen: Kent gij Tobias, 34 7, 6 | 6 En hij zeide tot hen: Is hij gezond? 35 7, 6 | en is gezond; en Tobias zeide: Het is mijn vader.~ 36 7, 7 | weende, en zegende hem, en zeide tot hem: Gij zijt eens eerlijken 37 7, 9 | spijs voor. Maar Tobias zeide tot Rafaël: Broeder Azarias, 38 7, 10| 10 En Raguël zeide tot Tobias: Eet en drink, 39 7, 12| 12 En Tobias zeide: Ik zal hier geen spijs 40 7, 12| toegestaan zult hebben. Raguël zeide: Neem haar van nu aan tot 41 7, 15| Tobias tot een vrouw, en zeide: Zie, neem haar naar de 42 7, 18| Raguël zijn vrouw Edna, en zeide tot haar: Zuster, bereid 43 7, 19| 19 En zij deed gelijk hij zeide, en zij bracht hen daar, 44 7, 20| 20 En zij zeide tot haar: Heb goede moed, 45 8, 4 | Tobias op van het bed, en zeide: Sta op, zuster, en laat 46 8, 8 | samen oud mag worden. En zij zeide met hem Amen. En zij sliepen 47 8, 10| Raguël kwam in zijn huis, en zeide tot Edna zijn vrouw:~ 48 8, 17| veertien dagen, en Raguël zeide tot hem met ede, eer de 49 8, 18| trekken, en het overige zeide hij zal u geworden, wanneer 50 9, 2 | 2 En zeide tot hem: Azarias, broeder,~ 51 10, 1 | en zij niet kwamen, zo zeide Tobias: Zouden zij beschaamd 52 10, 3 | bedroefd. En zijn vrouw zeide tot hem: Onze zoon is ergens 53 10, 5 | 5 En zeide: Och het rouwt mij, mijn 54 10, 6 | 6 En Tobias zeide tot haar: Zwijg stil, en 55 10, 7 | 7 Maar zij zeide tot hem: Zwijg gij stil 56 10, 10| 10 En Tobias zeide tot Raguël: Laat mij heengaan; 57 10, 11| 11 En zijn schoonvader zeide tot hem: Blijf bij mij, 58 10, 11| het met u gaat. En Tobias zeide: Neen, maar laat mij toch 59 10, 12| had liet hij hen gaan, en zeide: Kinderen, de God des hemels 60 10, 12| voorspoed, eer ik sterve. En hij zeide tot zijn dochter: Houd uws 61 10, 13| 13 En Edna zeide tot Tobias: Lieve broeder, 62 11, 2 | 2 En Rafaël zeide tot Tobias: Gij weet, broeder, 63 11, 6 | gewaar toen hij kwam en zeide tot zijn vader:~ 64 11, 7 | getrokken is; en Rafaël zeide: Ik weet dat uw vader zijn 65 11, 9 | haar zoon aan de hals, en zeide tot hem: Kind, ik heb u 66 11, 11| zijn hals, en weende en zeide:~ 67 12, 1 | riep zijn zoon Tobias en zeide tot hem: Ziet, zoon, dat 68 12, 2 | 2 En Tobias zeide tot hem: Vader, ik heb geen 69 12, 3 | genezen; en de oude man zeide: Hem zal recht geschieden.~ 70 12, 4 | En hij riep de engel, en zeide tot hem:~ 71 12, 7 | hen beiden heimelijk en zeide tot hen: Looft God, en dankt 72 12, 17| 17 Doch hij zeide tot hen: Vreest niet, want 73 14, 6 | zijn zes kleinzonen, en zeide tot hem: Kind, neem uw zonen 74 14, 13| 13 En als hij dit zeide, begaf hem de ziel op het


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License