Chapter, Verse
1 2, 7 | 7 Uw feestdagen zullen in leeddragen
2 2, 7 | veranderd worden, en al uw vreugde in treurgeschrei.
3 2, 15| zeide tot mij: Waar zijn nu uw aalmoezen en uw gerechtigheden?
4 2, 15| zijn nu uw aalmoezen en uw gerechtigheden? ziet het
5 3, 2 | zijt rechtvaardig, en al uw wegen zijn barmhartigheid
6 3, 4 | 4 Want zij zijn uw geboden ongehoorzaam geweest,
7 3, 5 | 5 En nu Here uw oordelen zijn vele en waarachtig:
8 3, 5 | vaderen zonden, overmits wij uw geboden niet hebben gedaan,
9 3, 6 | eeuwige plaatsen, en keer uw aangezicht van mij niet
10 3, 9 | gij nog niet wijs, gij die uw mannen verstikt?~
11 3, 14| mijn God, en gezegend zij uw heerlijke naam, die heilig
12 3, 14| der eeuwigheid. Dat u al uw werken prijzen in der eeuwigheid.~
13 4, 3 | begraaf mij, en veracht uw moeder niet; eer haar al
14 4, 6 | handelen, zo zal het welgaan in uw werken, en met al degenen
15 4, 7 | van hetgeen gij hebt, en uw oog zij niet nijdig als
16 4, 7 | aalmoezen doet, en keer uw aangezicht niet af van enige
17 4, 14| 14 En nu, kind, heb uw broederen lief, en wend
18 4, 14| wend u niet hovaardig in uw hart van uw broederen, en
19 4, 14| hovaardig in uw hart van uw broederen, en de zonen en
20 4, 16| heb acht op uzelf in al uw werken, en zijt voorzichtig
21 4, 16| en zijt voorzichtig in al uw omgang, en doe niemand hetgeen
22 4, 16| dronkenschap met u reizen op uw weg.~
23 4, 17| 17 Geef van uw brood degene die honger
24 4, 17| die honger heeft, en van uw klederen hun die naakt zijn.
25 4, 17| geef dat tot aalmoezen, en uw oog benijde het niet, wanneer
26 4, 18| 18 Werp uw brood overvloedig over het
27 4, 20| tijde, en begeer van hem dat uw wegen recht zijn mogen,
28 4, 20| recht zijn mogen, en dat al uw paden en uw raadslagen goede
29 4, 20| mogen, en dat al uw paden en uw raadslagen goede voortgang
30 4, 20| geboden, en laat die uit uw hart niet uitgewist worden.~
31 5, 14| of een die om loon met uw zoon heenreize? En Tobias
32 5, 14| tot hem: Broeder, ik wilde uw geslacht en naam wel weten.~
33 5, 17| worden, omdat ik gezocht heb uw stam en geslacht te weten.~
34 5, 24| die in de hemel woont, zal uw weg voorspoedig maken, en
35 5, 28| zal gezond weder komen, en uw ogen zullen hem zien.~
36 6, 12| herberg gaan, en deze is uw bloedvriend, en hij heeft
37 6, 17| gij niet de woorden, die uw vader u bevolen heeft, dat
38 6, 17| huisvrouw zoudt nemen uit uw geslacht?~
39 6, 18| mij, broeder, want zij zal uw vrouw zijn. En heb geen
40 7, 12| haar broeder, en zij is uw zuster.~
41 7, 15| tot u, en breng haar tot uw vader; en hij zegende haar.~
42 7, 20| geve u vreugde voor deze uw droefheid, heb goede moed,
43 8, 5 | vaderen, en geloofd zij uw naam, die heilig en heerlijk
44 8, 5 | de hemelen loven, en al uw schepselen.~
45 8, 14| heilige lof; loven moeten u uw heiligen, en al uw schepselen,
46 8, 14| moeten u uw heiligen, en al uw schepselen, en al uw engelen,
47 8, 14| al uw schepselen, en al uw engelen, en uw uitverkorenen;
48 8, 14| schepselen, en al uw engelen, en uw uitverkorenen; loven moeten
49 8, 14| hebt met ons gehandeld naar uw grote barmhartigheid.~
50 10, 11| Blijf bij mij, en ik zal tot uw vader zenden, en zal hem
51 10, 12| ouders in ere, die zijn nu uw ouders, laat mij van u een
52 10, 13| weder; en geve mij dat ik uw kinderen zien mag uit Sara
53 11, 2 | Gij weet, broeder, hoe gij uw vader achtergelaten hebt.~
54 11, 3 | Laat ons vooruit lopen voor uw vrouw, en het huis bereiden.~
55 11, 7 | 7 Zie uw zoon komt, en de man die
56 11, 7 | Rafaël zeide: Ik weet dat uw vader zijn ogen zal opendoen.~
57 11, 13| 13 En geloofd zij uw naam in der eeuwigheid.~
58 11, 14| 14 En geloofd zijn al uw heilige engelen; want gij
59 11, 18| heeft gebracht: desgelijks uw vader en uw moeder. En daar
60 11, 18| desgelijks uw vader en uw moeder. En daar werd blijdschap
61 12, 12| gij dan nu badt, gij, en uw schoondochter Sara, zo bracht
62 12, 13| bezwaardet op te staan, en uw middagmaal te verlaten,
63 12, 13| grafdoeken bewondt, zo was mij uw goeddoen niet onbekend,
64 12, 14| gezonden om u te genezen, en uw schoondochter Sara.~
65 13, 4 | hem wederkeert met geheel uw hart, en met geheel uw ziel,
66 13, 4 | geheel uw hart, en met geheel uw ziel, om oprechtheid voor
67 13, 5 | zult hem danken met geheel uw mond, en gij zult de Here
68 13, 16| zullen zich verblijden in uw vrede. Welgelukzalig zijn
69 13, 16| die zich bedroeven over al uw kastijdingen, want zij zullen
70 13, 16| u verblijden, als zij al uw heerlijkheid hebben aanschouwd,
71 13, 19| 19 En uw muren, en uw torens en bolwerken
72 13, 19| 19 En uw muren, en uw torens en bolwerken met
73 14, 6 | zeide tot hem: Kind, neem uw zonen met u, ziet, ik ben
74 14, 9 | begraaf mij heerlijk en uw moeder met mij, en blijf
|