Chapter, Verse
1 1, 12| Maar ik bewaarde mijn ziel, dat ik daarvan niet at.~
2 1, 22| koning van mij te kennen, dat ik deze begroef, en ik verbergde
3 1, 22| verbergde mij, en verstaande dat ik gezocht werd, om gedood
4 1, 24| vijfenvijftig dagen voorbij, dat twee van zijn zonen hem
5 2, 10| ontdekt, en ik wist niet dat er mussen in de muur waren;~
6 2, 13| 13 En zond dat de heren toe, en zij gaven
7 2, 14| geloofde haar niet, en zeide dat zij het de heren weder geven
8 3, 6 | behagelijk is voor u; beveel dat men mijn geest van mij neme,
9 3, 6 | droefheid in mij is; beveel dat ik nu verlost worde van
10 3, 7 | zelfden dage gebeurde het, dat Sara, een dochter van Raguël,
11 3, 14| dierbaar is in der eeuwigheid. Dat u al uw werken prijzen in
12 3, 16| 16 Ik heb gezegd, dat gij mij zoudt verlossen
13 3, 16| verlossen van de aarde, en dat ik niet meer versmaadheid
14 3, 17| 17 Gij weet Here, dat ik zuiver ben van alle misdaad
15 3, 19| en hij heeft geen kind dat zijn erfgenaam zijn zal;~
16 3, 20| bloedvriend, noch zoon, dat ik mijzelf voor die mocht
17 3, 23| 23 Zo beveel dat men mij aanzie, en zich
18 3, 23| mijner ontferme, en geef dat ik geen smaadheid meer mag
19 4, 1 | Tobias indachtig het geld, dat hij Gabaël te Ragis in Medië,
20 4, 4 | 4 Gedenk, kind, dat zij veel gevaar heeft uitgestaan
21 4, 8 | 8 Naar dat gij hebt, doe aalmoezen
22 4, 13| van ouds af; gedenk, kind, dat deze allen vrouwen genomen
23 4, 15| vernachten, maar geef hem dat terstond, en zo gij God
24 4, 17| gij overvloedig hebt, geef dat tot aalmoezen, en uw oog
25 4, 20| tijde, en begeer van hem dat uw wegen recht zijn mogen,
26 4, 20| wegen recht zijn mogen, en dat al uw paden en uw raadslagen
27 5, 2 | 2 Maar hoe zal ik dat geld kunnen ontvangen, daar
28 5, 26| 26 Och of dat geld nooit voorgekomen ware,
29 5, 26| nooit voorgekomen ware, maar dat hetgeen wij bijeengeschraapt
30 5, 27| gegeven is om te leven, dat is ons genoeg.~
31 6, 14| want ik ken Raguël wel, dat hij haar geen andere man
32 6, 15| broeder, ik heb gehoord dat deze dochter gegeven is
33 6, 15| is aan zeven mannen, en dat zij allen in haar bruidskamer
34 6, 16| kind mijns vaders, en vrees dat ik tot haar ingaande sterven
35 6, 16| haar ingaan. En nu vrees ik dat ik zou sterven, en ik zou
36 6, 17| uw vader u bevolen heeft, dat gij een huisvrouw zoudt
37 6, 22| u trekken, en ik zeg u, dat u kinderen uit haar zullen
38 6, 23| 23 En als Tobias dat hoorde, kreeg hij haar lief,
39 7, 7 | zoon. En als hij hoorde, dat Tobias zijn ogen had verloren,
40 7, 16| handschrift en verzegelde dat.~
41 8, 6 | gezegd, het is niet goed dat de mens alleen zij, laat
42 8, 8 | 8 Beveel dan dat men mijner ontferme, en
43 8, 8 | men mijner ontferme, en dat ik met haar samen oud mag
44 8, 11| hij leeft; en indien niet, dat ik hem mag begraven, en
45 8, 13| uit, en boodschapte hun, dat hij leefde.~
46 8, 14| eeuwigheid. Geloofd zijt gij, dat gij mij hebt verheugd, en
47 8, 14| gij mij hebt verheugd, en dat mij niet is geschied, volgens
48 8, 15| 15 Geloofd zijt gij, dat gij u hebt ontfermd over
49 8, 17| bruiloft geëindigd waren, dat hij niet zou vertrekken,
50 9, 3 | dewijl Raguël gezworen heeft, dat ik van hier niet gaan zal.~
51 10, 2 | zou Gabaël gestorven zijn, dat niemand hem het geld zou
52 10, 5 | het rouwt mij, mijn kind, dat ik u heb laten gaan, die
53 10, 9 | welke Raguël gezworen had dat hij daar moest doorbrengen.~
54 10, 10| mijn moeder hopen niet meer dat zij mij zien zullen.~
55 10, 13| brenge u weder; en geve mij dat ik uw kinderen zien mag
56 10, 13| vertrok Tobias, God dankende dat hij zijn weg had voorspoedig
57 11, 7 | en Rafaël zeide: Ik weet dat uw vader zijn ogen zal opendoen.~
58 11, 18| gaan, verwonderden zich dat hij zag. En Tobias bekende
59 11, 18| bekende openlijk voor hen, dat God zich zijner had ontfermd.
60 12, 1 | zeide tot hem: Ziet, zoon, dat gij de man, die met u gekomen
61 12, 2 | de helft te geven, van al dat ik meegebracht heb.~
62 12, 7 | gedaan heeft. Het is goed dat men God love en zijn naam
63 12, 8 | 8 Want het is goed dat men de verborgenheid eens
64 12, 8 | houdt, maar het is heerlijk dat men de werken Gods openbaart.
65 12, 11| verbergen; ik heb reeds gezegd, dat het goed is de verborgenheden
66 12, 11| konings bedekt te houden, maar dat het heerlijk is de werken
67 13, 9 | 9 Dat een ieder spreke, en hem
68 13, 13| gaven in hun handen, en dat, gaven voor de Koning des
69 14, 6 | want ik houd voor gewis, dat alles wat Jona de profeet
70 14, 6 | Nineve geschieden zal, en dat het verwoest zal worden, (
71 14, 6 | vrede zijn voor een tijd) en dat onze broeders over de aardbodem
|