Chapter, Verse
1 1, 6 | al het volk Israëls met een eeuwig gebod, bij mij hebbende
2 1, 9 | 9 En als ik nu een man geworden was, zo nam
3 1, 9 | zaad van ons geslacht, tot een huisvrouw, en won uit haar
4 1, 22| 22 En een van die van Nineve ging
5 2, 2 | zeven weken, zo werd mij een goed middagmaal bereid,
6 2, 3 | weder komende zeide: Vader, een uit ons geslacht ligt verworgd
7 2, 4 | nuttigde, droeg hem weg in een zeker huis, totdat de zon
8 2, 8 | was, ging ik heen, maakte een graf en begroef hem,~
9 2, 13| en gaven haar bovendien een bokje.~ groot~kaartje
10 2, 14| zij zeide: Het is mij tot een geschenk gegeven boven het
11 3, 2 | waarheid, en gij oordeelt een waarachtig en rechtvaardig
12 3, 4 | gevangenis, en ter dood, en tot een spreekwoord der versmading
13 3, 7 | gebeurde het, dat Sara, een dochter van Raguël, te Ecbatana
14 3, 10| mannen gehad, en naar niet een hunner wordt gij genoemd.~
15 3, 12| doch zij zeide: Ik ben een enige dochter mijns vaders,
16 3, 12| zal doen, zo zal het hem een smaad zijn, en ik zal zijn
17 3, 19| 19 Ik ben een eniggeborene mijns vaders,
18 3, 20| 20 Noch een bloedvriend, noch zoon,
19 3, 20| voor die mocht bewaren tot een huisvrouw.~
20 3, 25| Tobias de zoon van Tobias tot een vrouw te geven, en Asmodeüs
21 3, 25| Tobias toekwam haar tot een erve te verkrijgen. Op dezelfde
22 4, 10| Want gij vergadert uzelf een goede weggelegde schat,
23 4, 12| 12 Want aalmoes is een goede gift, voor al degenen,
24 4, 13| alle hoererij, en neem u een vrouw van het zaad uwer
25 4, 14| volks, om uit hen voor uzelf een huisvrouw te nemen. Want
26 4, 14| gebrek, want de trotsheid is een moeder des hongers.~
27 4, 19| 19 Zoek raad bij een ieder die verstandig is,
28 4, 19| verstandig is, en veracht een nuttige raad nimmer.~
29 5, 4 | 4 Zoek uzelf een man, die met u trekke, terwijl
30 5, 5 | 5 En hij ging heen om een man te zoeken, en hij vond
31 5, 6 | 6 Welke was een engel, maar hij wist het
32 5, 11| tot zijn vader: Zie ik heb een gevonden die met mij reizen
33 5, 14| zeide tot hem: Zoekt gij een stam of geslacht, of een
34 5, 14| een stam of geslacht, of een die om loon met uw zoon
35 5, 15| zoon van de grote Ananias, een uwer broederen.~
36 5, 18| gij zijt mijn broeder, uit een eerlijk en goed geslacht.
37 5, 21| 21 Broeder, gij zijt van een groot geslacht. Maar zeg
38 5, 21| wat loon zal ik u geven? een drachme des daags, en hetgeen
39 5, 29| 29 Want een goede engel zal met hem
40 6, 2 | neder om zich te wassen, en een vis schoot op uit de rivier.~
41 6, 10| 10 En bestrijk met de gal een mens, die witte schellen
42 6, 12| bloedvriend, en hij heeft een eniggeboren dochter, genaamd
43 6, 12| spreken, opdat zij u tot een huisvrouw gegeven worde.~
44 6, 16| 16 En nu, ik ben een enig kind mijns vaders,
45 6, 16| als de voorgaanden, dewijl een duivel haar liefheeft, die
46 6, 17| u bevolen heeft, dat gij een huisvrouw zoudt nemen uit
47 6, 19| zelfde nacht zal zij u tot een vrouw gegeven worden, en
48 7, 9 | vriendelijk, en slachtten een ram van de schapen, en zetten
49 7, 15| gaf hij haar Tobias tot een vrouw, en zeide: Zie, neem
50 7, 16| Edna, zijn vrouw, en nam een boekje, en schreef een handschrift
51 7, 16| nam een boekje, en schreef een handschrift en verzegelde
52 8, 6 | hebt hem Eva zijn vrouw tot een hulp en steunsel gegeven;
53 8, 6 | alleen zij, laat ons hem een hulp maken, die hem gelijk
54 8, 9 | en ging heen, en groef een graf, zeggende: Zou ook
55 8, 11| 11 Zend een der dienstmaagden, en laat
56 8, 17| 17 En hij bereidde hun een bruiloft van veertien dagen,
57 9, 3 | 3 Neem met u een jongen, en twee kemels,
58 10, 12| uw ouders, laat mij van u een goed gerucht horen; en hij
59 10, 13| u mijn dochter over als een vertrouwd pand, bedroef
60 12, 9 | aalmoezen, en gerechtigheid is een goede zaak. Weinig is beter
61 12, 9 | aalmoezen te doen, dan goud tot een schat vergaderen. Want aalmoes
62 12, 15| 15 Ik ben Rafaël, een van de zeven heilige engelen,
63 12, 19| gedronken, maar gij hebt een gezicht daarvan gezien.~
64 12, 20| schrijf al wat geschied is in een boek.~
65 13, 1 | 1 EN Tobias schreef een gebed tot verheuging en
66 13, 9 | 9 Dat een ieder spreke, en hem dankzegge
67 14, 6 | zal meer vrede zijn voor een tijd) en dat onze broeders
68 14, 6 | en zal woest zijn voor een tijd.~
69 14, 7 | gebouwd worden, en het zal een heerlijk gebouw zijn voor
70 14, 15| 15 En kwam tot een goede ouderdom met ere,
|