Chapter, Verse
1 1, 2 | 2 Die gevankelijk weggevoerd werd
2 1, 3 | broederen, en mijn volk die tezamen met mij vertrokken
3 1, 5 | wereld. En al de stammen, die tezamen afgeweken waren,
4 1, 7 | gaf ik de kinderen Aärons, die binnen Jeruzalem dienden,
5 1, 7 | reisde heen, en besteedde die alle jaren te Jeruzalem.~
6 1, 8 | 8 En de derde gaf ik die het betaamde, gelijk Debora,
7 1, 11| hebben al mijn broeders, en die van mijn geslacht waren,
8 1, 20| iemand uit mijn geslacht zag die gestorven was, en geworpen
9 1, 20| de muur der stad Nineve, die begroef ik.~
10 1, 22| 22 En een van die van Nineve ging heen, en
11 2, 2 | zult van onze broederen, die gebrek heeft en des Heren
12 3, 3 | de zonden mijner vaderen, die tegen u gezondigd hebben.~
13 3, 8 | Asmodeüs, de boze geest, had die gedood, eer zij bij haar
14 3, 9 | Wordt gij nog niet wijs, gij die uw mannen verstikt?~
15 3, 14| gezegend zij uw heerlijke naam, die heilig en dierbaar is in
16 3, 20| zoon, dat ik mijzelf voor die mocht bewaren tot een huisvrouw.~
17 4, 1 | 1 OP die dag werd Tobias indachtig
18 4, 6 | werken, en met al degenen die de gerechtigheid doen.~
19 4, 12| goede gift, voor al degenen, die deze doen, in de tegenwoordigheid
20 4, 13| neem geen vreemde vrouw, die niet is uit de stam uws
21 4, 15| het loon van geen mens, die voor u gearbeid heeft, bij
22 4, 17| Geef van uw brood degene die honger heeft, en van uw
23 4, 17| en van uw klederen hun die naakt zijn. Alles wat gij
24 4, 19| Zoek raad bij een ieder die verstandig is, en veracht
25 4, 20| gedenk mijn geboden, en laat die uit uw hart niet uitgewist
26 4, 21| de tien talenten zilvers, die ik aan Gabaël, de zoon van
27 5, 4 | 4 Zoek uzelf een man, die met u trekke, terwijl ik
28 5, 8 | 8 En zijt gij ook in die plaats bekend?~
29 5, 11| Zie ik heb een gevonden die met mij reizen zal. En hij
30 5, 14| stam of geslacht, of een die om loon met uw zoon heenreize?
31 5, 24| met deze man heen, en God die in de hemel woont, zal uw
32 6, 9 | boze geest, moet gij roken die voor die man of die vrouw,
33 6, 9 | moet gij roken die voor die man of die vrouw, en hij
34 6, 9 | roken die voor die man of die vrouw, en hij zal niet meer
35 6, 10| bestrijk met de gal een mens, die witte schellen heeft op
36 6, 16| een duivel haar liefheeft, die niemand leed doet, dan die
37 6, 16| die niemand leed doet, dan die tot haar ingaan. En nu vrees
38 6, 16| hebben geen andere zoon die hen zou begraven.~
39 6, 17| Gedenkt gij niet de woorden, die uw vader u bevolen heeft,
40 6, 18| zijn. En heb geen zorg voor die duivel.~
41 7, 9 | worden; en hij stelde Raguël die rede voor.~
42 7, 11| ingaan, stierven zij tegen die nacht. Maar wat nu belangt,
43 8, 5 | en geloofd zij uw naam, die heilig en heerlijk is in
44 8, 6 | ons hem een hulp maken, die hem gelijk zij.~
45 10, 5 | dat ik u heb laten gaan, die toch waart het licht van
46 10, 12| uws mans ouders in ere, die zijn nu uw ouders, laat
47 11, 7 | uw zoon komt, en de man die met hem getrokken is; en
48 11, 17| zijn vader de grote dingen, die geschied waren in Medië.~
49 11, 18| de poort van Nineve; en die hem zagen gaan, verwonderden
50 11, 18| dochter, geloofd zij God die u tot ons heeft gebracht:
51 11, 18| onder al zijn broederen, die te Nineve waren.~
52 12, 1 | Ziet, zoon, dat gij de man, die met u gekomen is, het loon
53 12, 7 | levenden, vanwege de dingen die hij u gedaan heeft. Het
54 12, 9 | zij zuivert alle zonde af. Die aalmoezen en gerechtigheid
55 12, 10| 10 Maar die zondigen, zijn vijanden
56 12, 15| de zeven heilige engelen, die de gebeden der heiligen
57 12, 20| want ik klim op tot degene, die mij gezonden heeft, en schrijf
58 13, 2 | 2 Geloofd zij God die in der eeuwigheid leeft,
59 13, 2 | uit, en daar is niemand die zijn hand zal ontvluchten.~
60 13, 14| Vervloekt moeten zij allen zijn, die u haten; gezegend daarentegen
61 13, 14| daarentegen zullen zij allen zijn, die u liefhebben, in eeuwigheid.~
62 13, 16| O welgelukzalig zijn zij die u liefhebben, zij zullen
63 13, 16| Welgelukzalig zijn zij, die zich bedroeven over al uw
64 13, 21| 21 Geloofd zij God, die ons verheven heeft in alle
65 14, 8 | volk verhogen; en allen die God de Here liefhebben,
66 14, 9 | vertrek van Nineve, want die dingen zullen zeker geschieden,
67 14, 9 | zullen zeker geschieden, die de profeet Jona gesproken
68 14, 10| gedaan heeft aan Achiachar, die hem opgevoed had; hoe hij
69 14, 11| strik des doods verlost, die zij hem gelegd hadden, maar
70 14, 14| gestorven was, zo begroef hij die bij zijn vader. En Tobias
|