Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
nemende 1
nevens 1
niemand 5
niet 68
niets 1
nijdig 1
nimmer 1
Frequency    [«  »]
71 dat
70 die
70 een
68 niet
67 mijn
64 is
62 mij

Het boek Tobit (Tobias)

IntraText - Concordances

niet

   Chapter, Verse
1 1, 12| mijn ziel, dat ik daarvan niet at.~ 2 1, 18| waren ongestadig, en ik kon niet meer naar Medië reizen.~ 3 1, 21| door de koning gezocht en niet gevonden.~ 4 2, 9 | zeggende: Nog vreest deze niet gedood te worden, om dier 5 2, 10| was ontdekt, en ik wist niet dat er mussen in de muur 6 2, 11| medicijnmeesters, maar zij hielpen mij niet en Achiachar onderhield 7 2, 14| Vanwaar komt dit bokje, is het niet gestolen? geeft het de rechte 8 2, 14| heer weder, want het is ons niet geoorloofd te eten hetgeen 9 2, 14| loon; doch ik geloofde haar niet, en zeide dat zij het de 10 3, 3 | zie mij aan, en wreek u niet over mij naar mijn zonden 11 3, 5 | overmits wij uw geboden niet hebben gedaan, want wij 12 3, 5 | gedaan, want wij hebben niet oprechtelijk voor u gewandeld.~ 13 3, 6 | keer uw aangezicht van mij niet af.~ 14 3, 9 | tot haar: Wordt gij nog niet wijs, gij die uw mannen 15 3, 10| zeven mannen gehad, en naar niet een hunner wordt gij genoemd.~ 16 3, 16| van de aarde, en dat ik niet meer versmaadheid moge horen.~ 17 3, 18| 18 En ik heb mijn naam niet bezoedeld, noch de naam 18 3, 22| 22 En indien het u niet goeddunkt mij te doden,~ 19 4, 2 | ik dan Tobias mijn zoon niet, opdat ik het hem te kennen 20 4, 3 | mij, en veracht uw moeder niet; eer haar al de dagen uws 21 4, 3 | behaaglijk is, en bedroef haar niet.~ 22 4, 6 | de Here onze God, en wil niet zondigen noch zijn geboden 23 4, 6 | dagen uws levens, en wandel niet in de wegen der ongerechtigheid. 24 4, 7 | gij hebt, en uw oog zij niet nijdig als gij aalmoezen 25 4, 7 | doet, en keer uw aangezicht niet af van enige arme, en het 26 4, 7 | aangezicht Gods zal zich van u niet afkeren.~ 27 4, 9 | Zo gij weinig hebt, vrees niet naar het weinige aalmoezen 28 4, 11| van de dood verlost, en niet in de duisternis laat komen.~ 29 4, 13| geen vreemde vrouw, die niet is uit de stam uws vaders, 30 4, 14| broederen lief, en wend u niet hovaardig in uw hart van 31 4, 17| aalmoezen, en uw oog benijde het niet, wanneer gij aalmoezen geeft.~ 32 4, 18| rechtvaardigen, en geef het niet de zondaren.~ 33 4, 20| en laat die uit uw hart niet uitgewist worden.~ 34 4, 21| bewaren gegeven heb, en vrees niet, kind, omdat wij arm geworden 35 5, 2 | kunnen ontvangen, daar ik hem niet ken?~ 36 5, 6 | engel, maar hij wist het niet.~ 37 5, 10| hem: Ga heen, en vertoef niet.~ 38 5, 17| 17 En wil over mij niet gram worden, omdat ik gezocht 39 5, 20| 20 En zij zijn niet verleid geworden tot de 40 5, 25| kind weggezonden, en is hij niet de stok van onze hand, als 41 6, 9 | of die vrouw, en hij zal niet meer gekweld worden.~ 42 6, 17| zeide tot hem: Gedenkt gij niet de woorden, die uw vader 43 6, 20| en zal in alle eeuwigheid niet wederkomen.~ 44 6, 22| 22 En vrees niet, dewijl deze u is bereid 45 8, 6 | Gij hebt gezegd, het is niet goed dat de mens alleen 46 8, 7 | 7 En nu Here, niet om hoererij neem ik deze 47 8, 9 | zeggende: Zou ook deze niet zijn gestorven?~ 48 8, 11| of hij leeft; en indien niet, dat ik hem mag begraven, 49 8, 14| hebt verheugd, en dat mij niet is geschied, volgens hetgeen 50 8, 17| geëindigd waren, dat hij niet zou vertrekken, tenzij de 51 9, 3 | gezworen heeft, dat ik van hier niet gaan zal.~ 52 10, 1 | reis vervuld waren, en zij niet kwamen, zo zeide Tobias: 53 10, 6 | Zwijg stil, en bekommer u niet, hij is gezond.~ 54 10, 7 | gij stil en bedrieg mij niet, mijn kind is omgekomen; 55 10, 8 | 8 Des daags nu at zij niet, en des nachts hield zij 56 10, 8 | en des nachts hield zij niet op haar zoon Tobias te bewenen,~ 57 10, 10| vader en mijn moeder hopen niet meer dat zij mij zien zullen.~ 58 10, 13| vertrouwd pand, bedroef haar niet. Daarna vertrok Tobias, 59 12, 7 | aanwijze; daarom vertraagt niet hem te danken.~ 60 12, 8 | en het kwaad zal ulieden niet vinden.~ 61 12, 13| insgelijks bij u; en als gij u niet bezwaardet op te staan, 62 12, 13| zo was mij uw goeddoen niet onbekend, maar ik was bij 63 12, 17| hij zeide tot hen: Vreest niet, want vrede zal u zijn, 64 12, 18| 18 Dewijl ik niet gekomen ben door mijn eigen 65 12, 21| stonden op, en zagen hem niet meer. En zij prezen openlijk 66 13, 4 | zal zijn aangezicht voor u niet verbergen, en gij zult aanschouwen 67 14, 7 | zullen het huis bouwen, maar niet zodanig als het eerste was, 68 14, 9 | moeder met mij, en blijf niet langer in Nineve.~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License