Chapter, Verse
1 1, 12| mijn ziel, dat ik daarvan niet at.~
2 1, 18| waren ongestadig, en ik kon niet meer naar Medië reizen.~
3 1, 21| door de koning gezocht en niet gevonden.~
4 2, 9 | zeggende: Nog vreest deze niet gedood te worden, om dier
5 2, 10| was ontdekt, en ik wist niet dat er mussen in de muur
6 2, 11| medicijnmeesters, maar zij hielpen mij niet en Achiachar onderhield
7 2, 14| Vanwaar komt dit bokje, is het niet gestolen? geeft het de rechte
8 2, 14| heer weder, want het is ons niet geoorloofd te eten hetgeen
9 2, 14| loon; doch ik geloofde haar niet, en zeide dat zij het de
10 3, 3 | zie mij aan, en wreek u niet over mij naar mijn zonden
11 3, 5 | overmits wij uw geboden niet hebben gedaan, want wij
12 3, 5 | gedaan, want wij hebben niet oprechtelijk voor u gewandeld.~
13 3, 6 | keer uw aangezicht van mij niet af.~
14 3, 9 | tot haar: Wordt gij nog niet wijs, gij die uw mannen
15 3, 10| zeven mannen gehad, en naar niet een hunner wordt gij genoemd.~
16 3, 16| van de aarde, en dat ik niet meer versmaadheid moge horen.~
17 3, 18| 18 En ik heb mijn naam niet bezoedeld, noch de naam
18 3, 22| 22 En indien het u niet goeddunkt mij te doden,~
19 4, 2 | ik dan Tobias mijn zoon niet, opdat ik het hem te kennen
20 4, 3 | mij, en veracht uw moeder niet; eer haar al de dagen uws
21 4, 3 | behaaglijk is, en bedroef haar niet.~
22 4, 6 | de Here onze God, en wil niet zondigen noch zijn geboden
23 4, 6 | dagen uws levens, en wandel niet in de wegen der ongerechtigheid.
24 4, 7 | gij hebt, en uw oog zij niet nijdig als gij aalmoezen
25 4, 7 | doet, en keer uw aangezicht niet af van enige arme, en het
26 4, 7 | aangezicht Gods zal zich van u niet afkeren.~
27 4, 9 | Zo gij weinig hebt, vrees niet naar het weinige aalmoezen
28 4, 11| van de dood verlost, en niet in de duisternis laat komen.~
29 4, 13| geen vreemde vrouw, die niet is uit de stam uws vaders,
30 4, 14| broederen lief, en wend u niet hovaardig in uw hart van
31 4, 17| aalmoezen, en uw oog benijde het niet, wanneer gij aalmoezen geeft.~
32 4, 18| rechtvaardigen, en geef het niet de zondaren.~
33 4, 20| en laat die uit uw hart niet uitgewist worden.~
34 4, 21| bewaren gegeven heb, en vrees niet, kind, omdat wij arm geworden
35 5, 2 | kunnen ontvangen, daar ik hem niet ken?~
36 5, 6 | engel, maar hij wist het niet.~
37 5, 10| hem: Ga heen, en vertoef niet.~
38 5, 17| 17 En wil over mij niet gram worden, omdat ik gezocht
39 5, 20| 20 En zij zijn niet verleid geworden tot de
40 5, 25| kind weggezonden, en is hij niet de stok van onze hand, als
41 6, 9 | of die vrouw, en hij zal niet meer gekweld worden.~
42 6, 17| zeide tot hem: Gedenkt gij niet de woorden, die uw vader
43 6, 20| en zal in alle eeuwigheid niet wederkomen.~
44 6, 22| 22 En vrees niet, dewijl deze u is bereid
45 8, 6 | Gij hebt gezegd, het is niet goed dat de mens alleen
46 8, 7 | 7 En nu Here, niet om hoererij neem ik deze
47 8, 9 | zeggende: Zou ook deze niet zijn gestorven?~
48 8, 11| of hij leeft; en indien niet, dat ik hem mag begraven,
49 8, 14| hebt verheugd, en dat mij niet is geschied, volgens hetgeen
50 8, 17| geëindigd waren, dat hij niet zou vertrekken, tenzij de
51 9, 3 | gezworen heeft, dat ik van hier niet gaan zal.~
52 10, 1 | reis vervuld waren, en zij niet kwamen, zo zeide Tobias:
53 10, 6 | Zwijg stil, en bekommer u niet, hij is gezond.~
54 10, 7 | gij stil en bedrieg mij niet, mijn kind is omgekomen;
55 10, 8 | 8 Des daags nu at zij niet, en des nachts hield zij
56 10, 8 | en des nachts hield zij niet op haar zoon Tobias te bewenen,~
57 10, 10| vader en mijn moeder hopen niet meer dat zij mij zien zullen.~
58 10, 13| vertrouwd pand, bedroef haar niet. Daarna vertrok Tobias,
59 12, 7 | aanwijze; daarom vertraagt niet hem te danken.~
60 12, 8 | en het kwaad zal ulieden niet vinden.~
61 12, 13| insgelijks bij u; en als gij u niet bezwaardet op te staan,
62 12, 13| zo was mij uw goeddoen niet onbekend, maar ik was bij
63 12, 17| hij zeide tot hen: Vreest niet, want vrede zal u zijn,
64 12, 18| 18 Dewijl ik niet gekomen ben door mijn eigen
65 12, 21| stonden op, en zagen hem niet meer. En zij prezen openlijk
66 13, 4 | zal zijn aangezicht voor u niet verbergen, en gij zult aanschouwen
67 14, 7 | zullen het huis bouwen, maar niet zodanig als het eerste was,
68 14, 9 | moeder met mij, en blijf niet langer in Nineve.~
|