Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
met 55
middagmaal 2
mij 62
mijn 67
mijner 8
mijns 9
mijzelf 1
Frequency    [«  »]
70 die
70 een
68 niet
67 mijn
64 is
62 mij
61 te

Het boek Tobit (Tobias)

IntraText - Concordances

mijn

   Chapter, Verse
1 1, 3 | veel aalmoezen gedaan aan mijn broederen, en mijn volk 2 1, 3 | gedaan aan mijn broederen, en mijn volk die tezamen met mij 3 1, 4 | 4 En toen ik nog was in mijn land, in het land Israëls, 4 1, 8 | geboden had; dewijl ik van mijn vader wees was gelaten.~ 5 1, 11| 11 Zo hebben al mijn broeders, en die van mijn 6 1, 11| mijn broeders, en die van mijn geslacht waren, gegeten 7 1, 12| 12 Maar ik bewaarde mijn ziel, dat ik daarvan niet 8 1, 13| Heren gedacht, met geheel mijn gemoed.~ 9 1, 19| deed ik veel aalmoezen aan mijn broederen.~ 10 1, 20| 20 Ik gaf mijn brood de hongerigen, en 11 1, 20| naakten, en zo ik iemand uit mijn geslacht zag die gestorven 12 1, 23| 23 En al mijn goederen zijn geplunderd 13 1, 23| niets overgelaten dan Anna mijn huisvrouw, en Tobias mijn 14 1, 23| mijn huisvrouw, en Tobias mijn zoon.~ 15 1, 24| Achiachar, de zoon van Anaël, mijn broeder, over al de rekeningen 16 2, 1 | 1 EN toen ik weder in mijn huis ben gekomen, en mijn 17 2, 1 | mijn huis ben gekomen, en mijn huisvrouw Anna en mijn zoon 18 2, 1 | en mijn huisvrouw Anna en mijn zoon Tobias mij weder gegeven 19 2, 2 | veel spijs, en zeide tot mijn zoon: Ga heen, en breng 20 2, 5 | wederkerende wies ik mij, en at mijn brood met treurigheid.~ 21 2, 10| muur van de voorplaats en mijn aangezicht was ontdekt, 22 2, 11| 11 En mijn ogen opgedaan zijnde, zo 23 2, 11| wierpen de mussen hete mest in mijn ogen, en daar kwamen witte 24 2, 11| kwamen witte schellen op mijn ogen en ik ging tot de medicijnmeesters, 25 2, 12| 12 En mijn huisvrouw Anna maakte handwerk 26 3, 3 | wreek u niet over mij naar mijn zonden en mijn onwetendheid, 27 3, 3 | mij naar mijn zonden en mijn onwetendheid, noch naar 28 3, 5 | waarachtig: doe met mij vanwege mijn en mijner vaderen zonden, 29 3, 6 | is voor u; beveel dat men mijn geest van mij neme, opdat 30 3, 14| Gezegend zijt gij, o Here mijn God, en gezegend zij uw 31 3, 15| 15 En nu Here, ik heb mijn ogen, en mijn aangezicht 32 3, 15| Here, ik heb mijn ogen, en mijn aangezicht tot u begeven.~ 33 3, 18| 18 En ik heb mijn naam niet bezoedeld, noch 34 4, 2 | waarom roep ik dan Tobias mijn zoon niet, opdat ik het 35 4, 20| belieft. En nu kind, gedenk mijn geboden, en laat die uit 36 5, 10| Wacht op mij, ik zal het mijn vader aanzeggen; en hij 37 5, 18| 18 Ook gij zijt mijn broeder, uit een eerlijk 38 5, 21| nodig zijn zal, gelijk als mijn zoon, en ik zal boven het 39 6, 16| en ik zou het leven van mijn vader en van mijn moeder 40 6, 16| leven van mijn vader en van mijn moeder met smarten over 41 7, 2 | gelijkt deze jongeling Tobias, mijn neef.~ 42 7, 6 | en Tobias zeide: Het is mijn vader.~ 43 7, 10| vrolijk; want u komt het toe mijn dochter te nemen.~ 44 7, 11| waarheid openbaren. Ik heb mijn dochter aan zeven mannen 45 8, 7 | om hoererij neem ik deze mijn zuster, maar in oprechtheid.~ 46 8, 18| geworden, wanneer ik en mijn vrouw zullen gestorvan zijn,~ 47 9, 4 | 4 En mijn vader telt de dagen.~ 48 10, 5 | zeide: Och het rouwt mij, mijn kind, dat ik u heb laten 49 10, 5 | toch waart het licht van mijn ogen.~ 50 10, 7 | stil en bedrieg mij niet, mijn kind is omgekomen; en zij 51 10, 10| Laat mij heengaan; want mijn vader en mijn moeder hopen 52 10, 10| heengaan; want mijn vader en mijn moeder hopen niet meer dat 53 10, 11| maar laat mij toch tot mijn vader trekken; en Raguël 54 10, 13| kinderen zien mag uit Sara mijn dochter, opdat ik mij verheugen 55 10, 13| de Here. En zie ik geef u mijn dochter over als een vertrouwd 56 11, 15| 15 Ziet, ik zie mijn zoon Tobias.~ 57 11, 18| zeggende: Zijt welkom, mijn dochter, geloofd zij God 58 12, 3 | gezond wedergebracht en mijn vrouw genezen, en hij heeft 59 12, 3 | vrouw genezen, en hij heeft mijn geld gehaald, en u insgelijks 60 12, 18| ik niet gekomen ben door mijn eigen genade, maar door 61 13, 8 | 8 Ik zal mijn God verheffen, en mijn ziel 62 13, 8 | zal mijn God verheffen, en mijn ziel zal de Koning des hemels 63 13, 17| 17 Mijn ziel love God, de grote 64 14, 6 | scheiden, vertrek naar Medië, mijn kind; want ik houd voor 65 14, 9 | 9 En nu, mijn zoon, vertrek van Nineve, 66 14, 10| 10 Mijn zoon, zie, wat Haman gedaan 67 14, 12| 12 En nu, mijn kind, zie wat aalmoezen


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License