Chapter, Verse
1 1, 3 | veel aalmoezen gedaan aan mijn broederen, en mijn volk
2 1, 3 | gedaan aan mijn broederen, en mijn volk die tezamen met mij
3 1, 4 | 4 En toen ik nog was in mijn land, in het land Israëls,
4 1, 8 | geboden had; dewijl ik van mijn vader wees was gelaten.~
5 1, 11| 11 Zo hebben al mijn broeders, en die van mijn
6 1, 11| mijn broeders, en die van mijn geslacht waren, gegeten
7 1, 12| 12 Maar ik bewaarde mijn ziel, dat ik daarvan niet
8 1, 13| Heren gedacht, met geheel mijn gemoed.~
9 1, 19| deed ik veel aalmoezen aan mijn broederen.~
10 1, 20| 20 Ik gaf mijn brood de hongerigen, en
11 1, 20| naakten, en zo ik iemand uit mijn geslacht zag die gestorven
12 1, 23| 23 En al mijn goederen zijn geplunderd
13 1, 23| niets overgelaten dan Anna mijn huisvrouw, en Tobias mijn
14 1, 23| mijn huisvrouw, en Tobias mijn zoon.~
15 1, 24| Achiachar, de zoon van Anaël, mijn broeder, over al de rekeningen
16 2, 1 | 1 EN toen ik weder in mijn huis ben gekomen, en mijn
17 2, 1 | mijn huis ben gekomen, en mijn huisvrouw Anna en mijn zoon
18 2, 1 | en mijn huisvrouw Anna en mijn zoon Tobias mij weder gegeven
19 2, 2 | veel spijs, en zeide tot mijn zoon: Ga heen, en breng
20 2, 5 | wederkerende wies ik mij, en at mijn brood met treurigheid.~
21 2, 10| muur van de voorplaats en mijn aangezicht was ontdekt,
22 2, 11| 11 En mijn ogen opgedaan zijnde, zo
23 2, 11| wierpen de mussen hete mest in mijn ogen, en daar kwamen witte
24 2, 11| kwamen witte schellen op mijn ogen en ik ging tot de medicijnmeesters,
25 2, 12| 12 En mijn huisvrouw Anna maakte handwerk
26 3, 3 | wreek u niet over mij naar mijn zonden en mijn onwetendheid,
27 3, 3 | mij naar mijn zonden en mijn onwetendheid, noch naar
28 3, 5 | waarachtig: doe met mij vanwege mijn en mijner vaderen zonden,
29 3, 6 | is voor u; beveel dat men mijn geest van mij neme, opdat
30 3, 14| Gezegend zijt gij, o Here mijn God, en gezegend zij uw
31 3, 15| 15 En nu Here, ik heb mijn ogen, en mijn aangezicht
32 3, 15| Here, ik heb mijn ogen, en mijn aangezicht tot u begeven.~
33 3, 18| 18 En ik heb mijn naam niet bezoedeld, noch
34 4, 2 | waarom roep ik dan Tobias mijn zoon niet, opdat ik het
35 4, 20| belieft. En nu kind, gedenk mijn geboden, en laat die uit
36 5, 10| Wacht op mij, ik zal het mijn vader aanzeggen; en hij
37 5, 18| 18 Ook gij zijt mijn broeder, uit een eerlijk
38 5, 21| nodig zijn zal, gelijk als mijn zoon, en ik zal boven het
39 6, 16| en ik zou het leven van mijn vader en van mijn moeder
40 6, 16| leven van mijn vader en van mijn moeder met smarten over
41 7, 2 | gelijkt deze jongeling Tobias, mijn neef.~
42 7, 6 | en Tobias zeide: Het is mijn vader.~
43 7, 10| vrolijk; want u komt het toe mijn dochter te nemen.~
44 7, 11| waarheid openbaren. Ik heb mijn dochter aan zeven mannen
45 8, 7 | om hoererij neem ik deze mijn zuster, maar in oprechtheid.~
46 8, 18| geworden, wanneer ik en mijn vrouw zullen gestorvan zijn,~
47 9, 4 | 4 En mijn vader telt de dagen.~
48 10, 5 | zeide: Och het rouwt mij, mijn kind, dat ik u heb laten
49 10, 5 | toch waart het licht van mijn ogen.~
50 10, 7 | stil en bedrieg mij niet, mijn kind is omgekomen; en zij
51 10, 10| Laat mij heengaan; want mijn vader en mijn moeder hopen
52 10, 10| heengaan; want mijn vader en mijn moeder hopen niet meer dat
53 10, 11| maar laat mij toch tot mijn vader trekken; en Raguël
54 10, 13| kinderen zien mag uit Sara mijn dochter, opdat ik mij verheugen
55 10, 13| de Here. En zie ik geef u mijn dochter over als een vertrouwd
56 11, 15| 15 Ziet, ik zie mijn zoon Tobias.~
57 11, 18| zeggende: Zijt welkom, mijn dochter, geloofd zij God
58 12, 3 | gezond wedergebracht en mijn vrouw genezen, en hij heeft
59 12, 3 | vrouw genezen, en hij heeft mijn geld gehaald, en u insgelijks
60 12, 18| ik niet gekomen ben door mijn eigen genade, maar door
61 13, 8 | 8 Ik zal mijn God verheffen, en mijn ziel
62 13, 8 | zal mijn God verheffen, en mijn ziel zal de Koning des hemels
63 13, 17| 17 Mijn ziel love God, de grote
64 14, 6 | scheiden, vertrek naar Medië, mijn kind; want ik houd voor
65 14, 9 | 9 En nu, mijn zoon, vertrek van Nineve,
66 14, 10| 10 Mijn zoon, zie, wat Haman gedaan
67 14, 12| 12 En nu, mijn kind, zie wat aalmoezen
|