Chapter, Verse
1 1, 2 | uit Thisbe: welke gelegen is aan de rechter zijde der
2 1, 6 | feestdagen, gelijk bevolen is aan al het volk Israëls
3 1, 23| geplunderd geworden, en mij is niets overgelaten dan Anna
4 2, 2 | van Pinksteren, hetwelk is het heilig feest der zeven
5 2, 9 | worden, om dier zake wil; hij is voortvluchtig geweest, en
6 2, 14| Vanwaar komt dit bokje, is het niet gestolen? geeft
7 2, 14| rechte heer weder, want het is ons niet geoorloofd te eten
8 2, 14| te eten hetgeen gestolen is. En zij zeide: Het is mij
9 2, 14| gestolen is. En zij zeide: Het is mij tot een geschenk gegeven
10 2, 15| gerechtigheden? ziet het is alles bekend, wat bij u
11 2, 15| alles bekend, wat bij u is.~
12 3, 6 | naar hetgeen behagelijk is voor u; beveel dat men mijn
13 3, 6 | tot aarde worden. Want het is mij nuttiger te sterven
14 3, 6 | en veel droefheid in mij is; beveel dat ik nu verlost
15 3, 14| die heilig en dierbaar is in der eeuwigheid. Dat u
16 3, 25| verkrijgen. Op dezelfde tijd dan is Tobias wedergekeerd, en
17 3, 25| in zijn huis gekomen, en is Sara, de dochter van Raguël,
18 4, 3 | doe wat haar behaaglijk is, en bedroef haar niet.~
19 4, 12| 12 Want aalmoes is een goede gift, voor al
20 4, 13| vreemde vrouw, die niet is uit de stam uws vaders,
21 4, 14| Want in de hovaardigheid is verderf en veel ongestadigheid,
22 4, 14| gebrek, want de trotsheid is een moeder des hongers.~
23 4, 19| een ieder die verstandig is, en veracht een nuttige
24 4, 21| doet hetgeen behaaglijk is voor hem.~
25 5, 11| verstaan van welke stam hij is, en of hij trouw is om met
26 5, 11| hij is, en of hij trouw is om met u te reizen; en hij
27 5, 25| ons kind weggezonden, en is hij niet de stok van onze
28 5, 27| ons van de Here gegeven is om te leven, dat is ons
29 5, 27| gegeven is om te leven, dat is ons genoeg.~
30 6, 8 | engel: Azarias, broeder, wat is van het hart, en de lever,
31 6, 12| ter herberg gaan, en deze is uw bloedvriend, en hij heeft
32 6, 13| uit haar geslacht; en zij is schoon en verstandig.~
33 6, 15| dat deze dochter gegeven is aan zeven mannen, en dat
34 6, 22| vrees niet, dewijl deze u is bereid van der eeuwigheid,
35 7, 6 | 6 En hij zeide tot hen: Is hij gezond? Zij zeiden:
36 7, 6 | zeiden: Hij leeft nog, en is gezond; en Tobias zeide:
37 7, 6 | gezond; en Tobias zeide: Het is mijn vader.~
38 7, 12| zijt haar broeder, en zij is uw zuster.~
39 8, 5 | die heilig en heerlijk is in der eeuwigheid, u moeten
40 8, 6 | steunsel gegeven; uit deze is het geslacht der mensen
41 8, 6 | geboren. Gij hebt gezegd, het is niet goed dat de mens alleen
42 8, 14| verheugd, en dat mij niet is geschied, volgens hetgeen
43 10, 3 | zeide tot hem: Onze zoon is ergens omgekomen, dewijl
44 10, 6 | en bekommer u niet, hij is gezond.~
45 10, 7 | bedrieg mij niet, mijn kind is omgekomen; en zij ging alle
46 11, 7 | man die met hem getrokken is; en Rafaël zeide: Ik weet
47 12, 1 | de man, die met u gekomen is, het loon geeft, en bovendien
48 12, 7 | hij u gedaan heeft. Het is goed dat men God love en
49 12, 8 | 8 Want het is goed dat men de verborgenheid
50 12, 8 | konings bedekt houdt, maar het is heerlijk dat men de werken
51 12, 9 | aalmoezen, en gerechtigheid is een goede zaak. Weinig is
52 12, 9 | is een goede zaak. Weinig is beter met gerechtigheid,
53 12, 9 | met ongerechtigheid. Het is beter aalmoezen te doen,
54 12, 11| reeds gezegd, dat het goed is de verborgenheden eens konings
55 12, 11| houden, maar dat het heerlijk is de werken Gods te openbaren.~
56 12, 20| schrijf al wat geschied is in een boek.~
57 13, 2 | brengt er weder uit, en daar is niemand die zijn hand zal
58 13, 3 | leeft, gelijk hij onze Here is, en God onze Vader is in
59 13, 3 | Here is, en God onze Vader is in alle eeuwigheid.~
60 13, 11| Dankt de Here, want hij is goed, en looft de Koning
61 14, 11| 11 En Achiachar is wel verlost geworden, doch
62 14, 11| vergelding gekregen, en is in de duisternis nedergedaald.
63 14, 11| heeft aalmoezen gedaan, en is uit de strik des doods verlost,
64 14, 11| gelegd hadden, maar Haman is in de strik gevallen en
|