Chapter, Verse
1 1, 3 | mijn volk die tezamen met mij vertrokken waren in het
2 1, 6 | met een eeuwig gebod, bij mij hebbende de eerstelingen
3 1, 14| 14 En de Allerhoogste gaf mij genade, en aangenaamheid
4 1, 22| heen, en gaf de koning van mij te kennen, dat ik deze begroef,
5 1, 22| begroef, en ik verbergde mij, en verstaande dat ik gezocht
6 1, 23| geplunderd geworden, en mij is niets overgelaten dan
7 1, 25| Achiachar verzocht het voor mij, en ik kwam weder te Nineve.
8 2, 1 | Anna en mijn zoon Tobias mij weder gegeven waren,~
9 2, 2 | der zeven weken, zo werd mij een goed middagmaal bereid,
10 2, 5 | En wederkerende wies ik mij, en at mijn brood met treurigheid.~
11 2, 9 | 9 En de buren belachten mij, zeggende: Nog vreest deze
12 2, 11| medicijnmeesters, maar zij hielpen mij niet en Achiachar onderhield
13 2, 11| en Achiachar onderhield mij, totdat ik vertrokken ben
14 2, 14| 14 En toen zij bij mij gekomen was, begon het te
15 2, 14| is. En zij zeide: Het is mij tot een geschenk gegeven
16 2, 15| antwoordende, zeide tot mij: Waar zijn nu uw aalmoezen
17 3, 3 | 3 Gedenk mijner en zie mij aan, en wreek u niet over
18 3, 3 | aan, en wreek u niet over mij naar mijn zonden en mijn
19 3, 5 | vele en waarachtig: doe met mij vanwege mijn en mijner vaderen
20 3, 6 | 6 En nu zeg ik, doe met mij naar hetgeen behagelijk
21 3, 6 | beveel dat men mijn geest van mij neme, opdat ik ontbonden
22 3, 6 | aarde worden. Want het is mij nuttiger te sterven dan
23 3, 6 | heb, en veel droefheid in mij is; beveel dat ik nu verlost
24 3, 6 | en keer uw aangezicht van mij niet af.~
25 3, 16| 16 Ik heb gezegd, dat gij mij zoudt verlossen van de aarde,
26 3, 21| 21 Zeven zijn er mij reeds omgekomen; waartoe
27 3, 21| omgekomen; waartoe dient mij dan voortaan het leven?~
28 3, 22| indien het u niet goeddunkt mij te doden,~
29 3, 23| 23 Zo beveel dat men mij aanzie, en zich mijner ontferme,
30 4, 3 | indien ik sterf, zo begraaf mij, en veracht uw moeder niet;
31 4, 5 | zo begraaf haar nevens mij in één graf.~
32 5, 1 | zeide: Vader, alles wat gij mij geboden hebt, zal ik doen.~
33 5, 7 | zeide tot hem: Zoudt gij met mij kunnen trekken tot Ragis
34 5, 10| zeide tot hem: Wacht op mij, ik zal het mijn vader aanzeggen;
35 5, 11| heb een gevonden die met mij reizen zal. En hij sprak:
36 5, 11| hij sprak: Roep hem tot mij, opdat ik mag verstaan van
37 5, 13| geslacht zijt gij? geef het mij te kennen.~
38 5, 17| 17 En wil over mij niet gram worden, omdat
39 5, 21| groot geslacht. Maar zeg mij, wat loon zal ik u geven?
40 6, 14| 14 En nu hoor mij, ik zal haar vader aanspreken,
41 6, 16| moeder met smarten over mij in hun graf neder brengen,
42 6, 18| 18 En nu hoor mij, broeder, want zij zal uw
43 7, 12| hier zult staan, en, het mij toegestaan zult hebben.
44 8, 14| Geloofd zijt gij, dat gij mij hebt verheugd, en dat mij
45 8, 14| mij hebt verheugd, en dat mij niet is geschied, volgens
46 9, 3 | Medië, tot Gabaël, en haal mij het geld, en breng hem mede
47 10, 5 | En zeide: Och het rouwt mij, mijn kind, dat ik u heb
48 10, 7 | Zwijg gij stil en bedrieg mij niet, mijn kind is omgekomen;
49 10, 10| Tobias zeide tot Raguël: Laat mij heengaan; want mijn vader
50 10, 10| hopen niet meer dat zij mij zien zullen.~
51 10, 11| zeide tot hem: Blijf bij mij, en ik zal tot uw vader
52 10, 11| Tobias zeide: Neen, maar laat mij toch tot mijn vader trekken;
53 10, 12| zijn nu uw ouders, laat mij van u een goed gerucht horen;
54 10, 13| brenge u weder; en geve mij dat ik uw kinderen zien
55 10, 13| Sara mijn dochter, opdat ik mij verheugen mag voor de Here.
56 11, 14| heilige engelen; want gij hebt mij gekastijd, en hebt u mijner
57 12, 3 | 3 Want hij heeft mij u gezond wedergebracht en
58 12, 13| grafdoeken bewondt, zo was mij uw goeddoen niet onbekend,
59 12, 14| 14 En nu heeft mij God gezonden om u te genezen,
60 12, 20| klim op tot degene, die mij gezonden heeft, en schrijf
61 14, 9 | het u welga; en begraaf mij heerlijk en uw moeder met
62 14, 9 | heerlijk en uw moeder met mij, en blijf niet langer in
|