Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
mest 1
met 55
middagmaal 2
mij 62
mijn 67
mijner 8
mijns 9
Frequency    [«  »]
68 niet
67 mijn
64 is
62 mij
61 te
57 tobias
55 haar

Het boek Tobit (Tobias)

IntraText - Concordances

mij

   Chapter, Verse
1 1, 3 | mijn volk die tezamen met mij vertrokken waren in het 2 1, 6 | met een eeuwig gebod, bij mij hebbende de eerstelingen 3 1, 14| 14 En de Allerhoogste gaf mij genade, en aangenaamheid 4 1, 22| heen, en gaf de koning van mij te kennen, dat ik deze begroef, 5 1, 22| begroef, en ik verbergde mij, en verstaande dat ik gezocht 6 1, 23| geplunderd geworden, en mij is niets overgelaten dan 7 1, 25| Achiachar verzocht het voor mij, en ik kwam weder te Nineve. 8 2, 1 | Anna en mijn zoon Tobias mij weder gegeven waren,~ 9 2, 2 | der zeven weken, zo werd mij een goed middagmaal bereid, 10 2, 5 | En wederkerende wies ik mij, en at mijn brood met treurigheid.~ 11 2, 9 | 9 En de buren belachten mij, zeggende: Nog vreest deze 12 2, 11| medicijnmeesters, maar zij hielpen mij niet en Achiachar onderhield 13 2, 11| en Achiachar onderhield mij, totdat ik vertrokken ben 14 2, 14| 14 En toen zij bij mij gekomen was, begon het te 15 2, 14| is. En zij zeide: Het is mij tot een geschenk gegeven 16 2, 15| antwoordende, zeide tot mij: Waar zijn nu uw aalmoezen 17 3, 3 | 3 Gedenk mijner en zie mij aan, en wreek u niet over 18 3, 3 | aan, en wreek u niet over mij naar mijn zonden en mijn 19 3, 5 | vele en waarachtig: doe met mij vanwege mijn en mijner vaderen 20 3, 6 | 6 En nu zeg ik, doe met mij naar hetgeen behagelijk 21 3, 6 | beveel dat men mijn geest van mij neme, opdat ik ontbonden 22 3, 6 | aarde worden. Want het is mij nuttiger te sterven dan 23 3, 6 | heb, en veel droefheid in mij is; beveel dat ik nu verlost 24 3, 6 | en keer uw aangezicht van mij niet af.~ 25 3, 16| 16 Ik heb gezegd, dat gij mij zoudt verlossen van de aarde, 26 3, 21| 21 Zeven zijn er mij reeds omgekomen; waartoe 27 3, 21| omgekomen; waartoe dient mij dan voortaan het leven?~ 28 3, 22| indien het u niet goeddunkt mij te doden,~ 29 3, 23| 23 Zo beveel dat men mij aanzie, en zich mijner ontferme, 30 4, 3 | indien ik sterf, zo begraaf mij, en veracht uw moeder niet; 31 4, 5 | zo begraaf haar nevens mij in één graf.~ 32 5, 1 | zeide: Vader, alles wat gij mij geboden hebt, zal ik doen.~ 33 5, 7 | zeide tot hem: Zoudt gij met mij kunnen trekken tot Ragis 34 5, 10| zeide tot hem: Wacht op mij, ik zal het mijn vader aanzeggen; 35 5, 11| heb een gevonden die met mij reizen zal. En hij sprak: 36 5, 11| hij sprak: Roep hem tot mij, opdat ik mag verstaan van 37 5, 13| geslacht zijt gij? geef het mij te kennen.~ 38 5, 17| 17 En wil over mij niet gram worden, omdat 39 5, 21| groot geslacht. Maar zeg mij, wat loon zal ik u geven? 40 6, 14| 14 En nu hoor mij, ik zal haar vader aanspreken, 41 6, 16| moeder met smarten over mij in hun graf neder brengen, 42 6, 18| 18 En nu hoor mij, broeder, want zij zal uw 43 7, 12| hier zult staan, en, het mij toegestaan zult hebben. 44 8, 14| Geloofd zijt gij, dat gij mij hebt verheugd, en dat mij 45 8, 14| mij hebt verheugd, en dat mij niet is geschied, volgens 46 9, 3 | Medië, tot Gabaël, en haal mij het geld, en breng hem mede 47 10, 5 | En zeide: Och het rouwt mij, mijn kind, dat ik u heb 48 10, 7 | Zwijg gij stil en bedrieg mij niet, mijn kind is omgekomen; 49 10, 10| Tobias zeide tot Raguël: Laat mij heengaan; want mijn vader 50 10, 10| hopen niet meer dat zij mij zien zullen.~ 51 10, 11| zeide tot hem: Blijf bij mij, en ik zal tot uw vader 52 10, 11| Tobias zeide: Neen, maar laat mij toch tot mijn vader trekken; 53 10, 12| zijn nu uw ouders, laat mij van u een goed gerucht horen; 54 10, 13| brenge u weder; en geve mij dat ik uw kinderen zien 55 10, 13| Sara mijn dochter, opdat ik mij verheugen mag voor de Here. 56 11, 14| heilige engelen; want gij hebt mij gekastijd, en hebt u mijner 57 12, 3 | 3 Want hij heeft mij u gezond wedergebracht en 58 12, 13| grafdoeken bewondt, zo was mij uw goeddoen niet onbekend, 59 12, 14| 14 En nu heeft mij God gezonden om u te genezen, 60 12, 20| klim op tot degene, die mij gezonden heeft, en schrijf 61 14, 9 | het u welga; en begraaf mij heerlijk en uw moeder met 62 14, 9 | heerlijk en uw moeder met mij, en blijf niet langer in


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License