Chapter, Verse
1 1, 4 | week af van het huis Gods te Jeruzalem, hetwelk uitverkoren
2 1, 7 | besteedde die alle jaren te Jeruzalem.~
3 1, 22| en gaf de koning van mij te kennen, dat ik deze begroef,
4 1, 22| gezocht werd, om gedood te worden, zo ben ik uit vrees
5 1, 25| voor mij, en ik kwam weder te Nineve. Achiachar nu was
6 2, 2 | en ik was aangezeten om te eten, en zag veel spijs,
7 2, 9 | vreest deze niet gedood te worden, om dier zake wil;
8 2, 14| mij gekomen was, begon het te blaten; en ik zeide tot
9 2, 14| het is ons niet geoorloofd te eten hetgeen gestolen is.
10 3, 6 | Want het is mij nuttiger te sterven dan te leven, dewijl
11 3, 6 | nuttiger te sterven dan te leven, dewijl ik valse smaadwoorden
12 3, 7 | een dochter van Raguël, te Ecbatana in Medië, ook zelf
13 3, 12| bedroefd, zodat zij zich meende te verhangen, doch zij zeide:
14 3, 22| het u niet goeddunkt mij te doden,~
15 3, 25| uitgezonden om deze twee te genezen: namelijk om de
16 3, 25| schellen van Tobias' ogen af te doen, en om Sara, de dochter
17 3, 25| van Tobias tot een vrouw te geven, en Asmodeüs de boze
18 3, 25| en Asmodeüs de boze geest te binden, aangezien het Tobias
19 3, 25| toekwam haar tot een erve te verkrijgen. Op dezelfde
20 4, 1 | het geld, dat hij Gabaël te Ragis in Medië, in bewaring
21 4, 2 | zoon niet, opdat ik het hem te kennen geve, eer ik sterf?
22 4, 9 | naar het weinige aalmoezen te doen.~
23 4, 14| voor uzelf een huisvrouw te nemen. Want in de hovaardigheid
24 4, 20| 20 Loof de Here te allen tijde, en begeer van
25 4, 21| Gabaël, de zoon van Gabrias te Ragis in Medië, te bewaren
26 4, 21| Gabrias te Ragis in Medië, te bewaren gegeven heb, en
27 5, 5 | hij ging heen om een man te zoeken, en hij vond Rafaël,~
28 5, 11| of hij trouw is om met u te reizen; en hij riep hem.~
29 5, 13| geslacht zijt gij? geef het mij te kennen.~
30 5, 17| heb uw stam en geslacht te weten.~
31 5, 19| getrokken zijn naar Jeruzalem om te aanbidden, daarheen brengende
32 5, 25| gingen beiden uit om weg te gaan, en de hond des jongelings
33 5, 27| van de Here gegeven is om te leven, dat is ons genoeg.~
34 6, 2 | jongeling klom neder om zich te wassen, en een vis schoot
35 6, 6 | de gal, en leg ze weg om te bewaren.~
36 6, 12| Broeder, wij zullen heden te Raguël ter herberg gaan,
37 6, 14| het u betaamt de erfenis te ontvangen meer dan enig
38 6, 23| aan haar, en zij kwamen te Ecbatana.~
39 7, 4 | zijn wij, van de gevangenen te Nineve.~
40 7, 10| komt het toe mijn dochter te nemen.~
41 7, 17| 17 En zij begonnen te eten.~
42 8, 5 | 5 En Tobias begon te zeggen: Gezegend zijt gij,
43 8, 16| de huisknechten het graf te stoppen.~
44 9, 8 | morgens vroeg gingen zij te zamen, en kwamen tot de
45 10, 4 | 4 En zij begon hem te bewenen.~
46 10, 8 | niet op haar zoon Tobias te bewenen,~
47 11, 1 | voort totdat zij kwamen te Nineve.~
48 11, 18| onder al zijn broederen, die te Nineve waren.~
49 12, 2 | geen bezwaar hem de helft te geven, van al dat ik meegebracht
50 12, 7 | daarom vertraagt niet hem te danken.~
51 12, 9 | Het is beter aalmoezen te doen, dan goud tot een schat
52 12, 11| verborgenheden eens konings bedekt te houden, maar dat het heerlijk
53 12, 11| heerlijk is de werken Gods te openbaren.~
54 12, 13| gij u niet bezwaardet op te staan, en uw middagmaal
55 12, 13| staan, en uw middagmaal te verlaten, opdat gij heengingt
56 12, 14| heeft mij God gezonden om u te genezen, en uw schoondochter
57 13, 4 | oprechtheid voor zijn aanschijn te bewijzen, dan zal hij tot
58 14, 5 | hij voer voort God de Here te vrezen, en beleed hem openlijk.~
59 14, 6 | ben nabij om uit dit leven te scheiden, vertrek naar Medië,
60 14, 8 | bekeerd worden, om God de Here te vrezen, en zullen hun afgoden
61 14, 16| honderdenzevenentwintig jaren te Ecbatana in Medië.~
|