Chapter, Verse
1 1, 1 | der geschiedenissen van Tobias, de zoon van Tobias, de
2 1, 1 | van Tobias, de zoon van Tobias, de zoon van Ananiël, de
3 1, 3 | 3 Ik, Tobias, heb al de dagen mijns levens
4 1, 9 | huisvrouw, en won uit haar Tobias.~
5 1, 23| Anna mijn huisvrouw, en Tobias mijn zoon.~
6 2, 1 | huisvrouw Anna en mijn zoon Tobias mij weder gegeven waren,~
7 3, 25| om de witte schellen van Tobias' ogen af te doen, en om
8 3, 25| dochter van Raguël, aan Tobias de zoon van Tobias tot een
9 3, 25| aan Tobias de zoon van Tobias tot een vrouw te geven,
10 3, 25| te binden, aangezien het Tobias toekwam haar tot een erve
11 3, 25| Op dezelfde tijd dan is Tobias wedergekeerd, en in zijn
12 4, 1 | 1 OP die dag werd Tobias indachtig het geld, dat
13 4, 2 | gebeden, waarom roep ik dan Tobias mijn zoon niet, opdat ik
14 5, 1 | 1 EN Tobias antwoordende, zeide: Vader,
15 5, 10| 10 En Tobias zeide tot hem: Wacht op
16 5, 13| 13 En Tobias zeide tot hem: Broeder uit
17 5, 14| met uw zoon heenreize? En Tobias zeide tot hem: Broeder,
18 5, 16| 16 En Tobias zeide: Welkom zijt gij broeder.~
19 5, 23| 23 En hij zeide tot Tobias: Maak u gereed tot de weg,
20 5, 25| schreide, en sprak tot Tobias: Waarom hebt gij ons kind
21 5, 28| 28 En Tobias zeide tot haar: Heb geen
22 6, 23| 23 En als Tobias dat hoorde, kreeg hij haar
23 7, 2 | Hoe gelijkt deze jongeling Tobias, mijn neef.~
24 7, 5 | zeide tot hen: Kent gij Tobias, onze broeder, wel? En zij
25 7, 6 | leeft nog, en is gezond; en Tobias zeide: Het is mijn vader.~
26 7, 7 | En als hij hoorde, dat Tobias zijn ogen had verloren,
27 7, 9 | hun veel spijs voor. Maar Tobias zeide tot Rafaël: Broeder
28 7, 10| 10 En Raguël zeide tot Tobias: Eet en drink, en zijt vrolijk;
29 7, 12| 12 En Tobias zeide: Ik zal hier geen
30 7, 15| bij de hand, gaf hij haar Tobias tot een vrouw, en zeide:
31 8, 1 | hadden, zo brachten zij Tobias tot haar.~
32 8, 4 | elkander gesloten waren, stond Tobias op van het bed, en zeide:
33 8, 5 | 5 En Tobias begon te zeggen: Gezegend
34 9, 1 | 1 EN Tobias riep Rafaël,~
35 9, 8 | kwamen tot de bruiloft. En Tobias zegende zijn vrouw.~
36 10, 1 | 1 EN Tobias, zijn vader, rekende elke
37 10, 1 | zij niet kwamen, zo zeide Tobias: Zouden zij beschaamd zijn
38 10, 6 | 6 En Tobias zeide tot haar: Zwijg stil,
39 10, 8 | hield zij niet op haar zoon Tobias te bewenen,~
40 10, 10| 10 En Tobias zeide tot Raguël: Laat mij
41 10, 11| hoe het met u gaat. En Tobias zeide: Neen, maar laat mij
42 10, 13| 13 En Edna zeide tot Tobias: Lieve broeder, de Here
43 10, 13| haar niet. Daarna vertrok Tobias, God dankende dat hij zijn
44 11, 2 | 2 En Rafaël zeide tot Tobias: Gij weet, broeder, hoe
45 11, 10| 10 En Tobias kwam uit naar de deur en
46 11, 15| 15 Ziet, ik zie mijn zoon Tobias.~
47 11, 18| 18 En Tobias ging uit, zijn schoondochter
48 11, 18| verwonderden zich dat hij zag. En Tobias bekende openlijk voor hen,
49 11, 18| zijner had ontfermd. En als Tobias bij Sara, zijn schoondochter
50 11, 20| 20 En de bruiloft van Tobias werd zeven dagen lang gehouden
51 12, 1 | 1 EN Tobias riep zijn zoon Tobias en
52 12, 1 | EN Tobias riep zijn zoon Tobias en zeide tot hem: Ziet,
53 12, 2 | 2 En Tobias zeide tot hem: Vader, ik
54 13, 1 | 1 EN Tobias schreef een gebed tot verheuging
55 14, 1 | 1 EN Tobias hield op van dankzeggen,~
56 14, 14| hij die bij zijn vader. En Tobias met zijn vrouw en zijn zonen
57 14, 15| en het goed zijns vaders Tobias.~
|