Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
tijd 4
tijde 1
tijden 1
tobias 57
toch 2
toe 5
toebrengen 1
Frequency    [«  »]
64 is
62 mij
61 te
57 tobias
55 haar
55 met
47 der

Het boek Tobit (Tobias)

IntraText - Concordances

tobias

   Chapter, Verse
1 1, 1 | der geschiedenissen van Tobias, de zoon van Tobias, de 2 1, 1 | van Tobias, de zoon van Tobias, de zoon van Ananiël, de 3 1, 3 | 3 Ik, Tobias, heb al de dagen mijns levens 4 1, 9 | huisvrouw, en won uit haar Tobias.~ 5 1, 23| Anna mijn huisvrouw, en Tobias mijn zoon.~ 6 2, 1 | huisvrouw Anna en mijn zoon Tobias mij weder gegeven waren,~ 7 3, 25| om de witte schellen van Tobias' ogen af te doen, en om 8 3, 25| dochter van Raguël, aan Tobias de zoon van Tobias tot een 9 3, 25| aan Tobias de zoon van Tobias tot een vrouw te geven, 10 3, 25| te binden, aangezien het Tobias toekwam haar tot een erve 11 3, 25| Op dezelfde tijd dan is Tobias wedergekeerd, en in zijn 12 4, 1 | 1 OP die dag werd Tobias indachtig het geld, dat 13 4, 2 | gebeden, waarom roep ik dan Tobias mijn zoon niet, opdat ik 14 5, 1 | 1 EN Tobias antwoordende, zeide: Vader, 15 5, 10| 10 En Tobias zeide tot hem: Wacht op 16 5, 13| 13 En Tobias zeide tot hem: Broeder uit 17 5, 14| met uw zoon heenreize? En Tobias zeide tot hem: Broeder, 18 5, 16| 16 En Tobias zeide: Welkom zijt gij broeder.~ 19 5, 23| 23 En hij zeide tot Tobias: Maak u gereed tot de weg, 20 5, 25| schreide, en sprak tot Tobias: Waarom hebt gij ons kind 21 5, 28| 28 En Tobias zeide tot haar: Heb geen 22 6, 23| 23 En als Tobias dat hoorde, kreeg hij haar 23 7, 2 | Hoe gelijkt deze jongeling Tobias, mijn neef.~ 24 7, 5 | zeide tot hen: Kent gij Tobias, onze broeder, wel? En zij 25 7, 6 | leeft nog, en is gezond; en Tobias zeide: Het is mijn vader.~ 26 7, 7 | En als hij hoorde, dat Tobias zijn ogen had verloren, 27 7, 9 | hun veel spijs voor. Maar Tobias zeide tot Rafaël: Broeder 28 7, 10| 10 En Raguël zeide tot Tobias: Eet en drink, en zijt vrolijk; 29 7, 12| 12 En Tobias zeide: Ik zal hier geen 30 7, 15| bij de hand, gaf hij haar Tobias tot een vrouw, en zeide: 31 8, 1 | hadden, zo brachten zij Tobias tot haar.~ 32 8, 4 | elkander gesloten waren, stond Tobias op van het bed, en zeide: 33 8, 5 | 5 En Tobias begon te zeggen: Gezegend 34 9, 1 | 1 EN Tobias riep Rafaël,~ 35 9, 8 | kwamen tot de bruiloft. En Tobias zegende zijn vrouw.~ 36 10, 1 | 1 EN Tobias, zijn vader, rekende elke 37 10, 1 | zij niet kwamen, zo zeide Tobias: Zouden zij beschaamd zijn 38 10, 6 | 6 En Tobias zeide tot haar: Zwijg stil, 39 10, 8 | hield zij niet op haar zoon Tobias te bewenen,~ 40 10, 10| 10 En Tobias zeide tot Raguël: Laat mij 41 10, 11| hoe het met u gaat. En Tobias zeide: Neen, maar laat mij 42 10, 13| 13 En Edna zeide tot Tobias: Lieve broeder, de Here 43 10, 13| haar niet. Daarna vertrok Tobias, God dankende dat hij zijn 44 11, 2 | 2 En Rafaël zeide tot Tobias: Gij weet, broeder, hoe 45 11, 10| 10 En Tobias kwam uit naar de deur en 46 11, 15| 15 Ziet, ik zie mijn zoon Tobias.~ 47 11, 18| 18 En Tobias ging uit, zijn schoondochter 48 11, 18| verwonderden zich dat hij zag. En Tobias bekende openlijk voor hen, 49 11, 18| zijner had ontfermd. En als Tobias bij Sara, zijn schoondochter 50 11, 20| 20 En de bruiloft van Tobias werd zeven dagen lang gehouden 51 12, 1 | 1 EN Tobias riep zijn zoon Tobias en 52 12, 1 | EN Tobias riep zijn zoon Tobias en zeide tot hem: Ziet, 53 12, 2 | 2 En Tobias zeide tot hem: Vader, ik 54 13, 1 | 1 EN Tobias schreef een gebed tot verheuging 55 14, 1 | 1 EN Tobias hield op van dankzeggen,~ 56 14, 14| hij die bij zijn vader. En Tobias met zijn vrouw en zijn zonen 57 14, 15| en het goed zijns vaders Tobias.~


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License