Chapter, Verse
1 1, 3 | en mijn volk die tezamen met mij vertrokken waren in
2 1, 6 | aan al het volk Israëls met een eeuwig gebod, bij mij
3 1, 13| Dewijl ik des Heren gedacht, met geheel mijn gemoed.~
4 2, 5 | ik mij, en at mijn brood met treurigheid.~
5 3, 1 | droevig, en weende, en bad met smarten en sprak:~
6 3, 5 | vele en waarachtig: doe met mij vanwege mijn en mijner
7 3, 6 | 6 En nu zeg ik, doe met mij naar hetgeen behagelijk
8 3, 11| indien zij dood zijn, zo ga met hen; geen zoon of dochter
9 3, 12| en ik zal zijn ouderdom met smart in het graf brengen.~
10 4, 6 | welgaan in uw werken, en met al degenen die de gerechtigheid
11 4, 16| en laat geen dronkenschap met u reizen op uw weg.~
12 5, 4 | Zoek uzelf een man, die met u trekke, terwijl ik leef,
13 5, 7 | zeide tot hem: Zoudt gij met mij kunnen trekken tot Ragis
14 5, 9 | engel zeide tot hem: Ik zal met u trekken, want ik heb bij
15 5, 11| ik heb een gevonden die met mij reizen zal. En hij sprak:
16 5, 11| is, en of hij trouw is om met u te reizen; en hij riep
17 5, 14| geslacht, of een die om loon met uw zoon heenreize? En Tobias
18 5, 24| vader zeide tot hem: Trek met deze man heen, en God die
19 5, 24| en de engel Gods trekke met ulieden.~
20 5, 25| hond des jongelings ging met hen. En Anna, zijn moeder,
21 5, 29| Want een goede engel zal met hem trekken, en zijn reis
22 6, 10| 10 En bestrijk met de gal een mens, die witte
23 6, 16| vader en van mijn moeder met smarten over mij in hun
24 6, 22| haar behouden, en zij zal met u trekken, en ik zeg u,
25 8, 8 | mijner ontferme, en dat ik met haar samen oud mag worden.
26 8, 8 | mag worden. En zij zeide met hem Amen. En zij sliepen
27 8, 14| Geloofd zijt gij, o God, met alle zuivere en heilige
28 8, 14| gedacht had. Maar gij hebt met ons gehandeld naar uw grote
29 8, 15| hun leven in gezondheid, met vreugde en barmhartigheid.~
30 8, 17| en Raguël zeide tot hem met ede, eer de dagen der bruiloft
31 8, 18| goederen tot zich nemen, en met gezondheid tot zijn vader
32 9, 3 | 3 Neem met u een jongen, en twee kemels,
33 10, 11| hem laten weten, hoe het met u gaat. En Tobias zeide:
34 11, 7 | zoon komt, en de man die met hem getrokken is; en Rafaël
35 11, 20| zeven dagen lang gehouden met vreugde.~ ~ ~
36 12, 1 | zoon, dat gij de man, die met u gekomen is, het loon geeft,
37 12, 9 | 9 Het gebed met vasten, en aalmoezen, en
38 12, 9 | goede zaak. Weinig is beter met gerechtigheid, dan veel
39 12, 9 | gerechtigheid, dan veel met ongerechtigheid. Het is
40 12, 9 | gerechtigheid doen, zullen met het leven verzadigd worden.~
41 12, 13| gij heengingt en de doden met grafdoeken bewondt, zo was
42 13, 4 | Zo gij tot hem wederkeert met geheel uw hart, en met geheel
43 13, 4 | wederkeert met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, om oprechtheid
44 13, 4 | aanschouwen hetgeen hij met u doen zal;~
45 13, 5 | 5 En zult hem danken met geheel uw mond, en gij zult
46 13, 8 | zijn grote heerlijkheid met vreugde zingen.~
47 13, 11| opdat zijn tabernakel weder met vreugde in u mag gebouwd
48 13, 18| 18 Want Jeruzalem zal met safyr, en smaragd, en met
49 13, 18| met safyr, en smaragd, en met kostelijke stenen gebouwd
50 13, 19| en uw torens en bolwerken met zuiver goud.~
51 13, 20| straten van Jeruzalem zullen met berylsteen en karbonkel,
52 14, 6 | hem: Kind, neem uw zonen met u, ziet, ik ben oud geworden,
53 14, 9 | mij heerlijk en uw moeder met mij, en blijf niet langer
54 14, 14| bij zijn vader. En Tobias met zijn vrouw en zijn zonen
55 14, 15| kwam tot een goede ouderdom met ere, en hij begroef zijn
|