Chapter, Verse
1 1, 9 | een huisvrouw, en won uit haar Tobias.~
2 2, 13| heren toe, en zij gaven haar ook haar loon, en gaven
3 2, 13| toe, en zij gaven haar ook haar loon, en gaven haar bovendien
4 2, 13| ook haar loon, en gaven haar bovendien een bokje.~ groot~
5 2, 14| blaten; en ik zeide tot haar: Vanwaar komt dit bokje,
6 2, 14| het loon; doch ik geloofde haar niet, en zeide dat zij het
7 2, 15| werd zeer ontsteld tegen haar, maar zij, antwoordende,
8 3, 8 | die gedood, eer zij bij haar waren gekomen als men bij
9 3, 9 | 9 En zij zeiden tot haar: Wordt gij nog niet wijs,
10 3, 25| aangezien het Tobias toekwam haar tot een erve te verkrijgen.
11 3, 25| dochter van Raguël, van haar opperzolder afgekomen.~
12 4, 3 | veracht uw moeder niet; eer haar al de dagen uws levens,
13 4, 3 | dagen uws levens, en doe wat haar behaaglijk is, en bedroef
14 4, 3 | behaaglijk is, en bedroef haar niet.~
15 4, 4 | uitgestaan om uwentwil in haar lichaam,~
16 4, 5 | gestorven zijn, zo begraaf haar nevens mij in één graf.~
17 5, 28| 28 En Tobias zeide tot haar: Heb geen zorg, zuster,
18 6, 12| genaamd Sara; ik zal om haar spreken, opdat zij u tot
19 6, 13| 13 Want u komt haar erfenis toe. En gij zijt
20 6, 13| gij zijt alleen over uit haar geslacht; en zij is schoon
21 6, 14| 14 En nu hoor mij, ik zal haar vader aanspreken, en wanneer
22 6, 14| ken Raguël wel, dat hij haar geen andere man zal geven
23 6, 15| mannen, en dat zij allen in haar bruidskamer zijn omgekomen.~
24 6, 16| vaders, en vrees dat ik tot haar ingaande sterven zal, gelijk
25 6, 16| voorgaanden, dewijl een duivel haar liefheeft, die niemand leed
26 6, 16| niemand leed doet, dan die tot haar ingaan. En nu vrees ik dat
27 6, 21| Maar wanneer gij nu tot haar zult ingaan, zo staat beiden
28 6, 22| eeuwigheid, en gij zult haar behouden, en zij zal met
29 6, 22| zeg u, dat u kinderen uit haar zullen geworden.~
30 6, 23| Tobias dat hoorde, kreeg hij haar lief, en zijn ziel hing
31 6, 23| zijn ziel hing zeer aan haar, en zij kwamen te Ecbatana.~
32 7, 1 | groette hen, en zij weder haar.~
33 7, 11| gegeven, en wanneer zij nu tot haar zouden ingaan, stierven
34 7, 12| hebben. Raguël zeide: Neem haar van nu aan tot u, naar recht,
35 7, 12| naar recht, want gij zijt haar broeder, en zij is uw zuster.~
36 7, 14| dochter Sara, en zij kwam tot haar vader.~
37 7, 15| 15 En nemende haar bij de hand, gaf hij haar
38 7, 15| haar bij de hand, gaf hij haar Tobias tot een vrouw, en
39 7, 15| vrouw, en zeide: Zie, neem haar naar de wet van Mozes tot
40 7, 15| van Mozes tot u, en breng haar tot uw vader; en hij zegende
41 7, 15| uw vader; en hij zegende haar.~
42 7, 18| vrouw Edna, en zeide tot haar: Zuster, bereid de andere
43 7, 19| ontving ook de tranen van haar dochter,~
44 7, 20| 20 En zij zeide tot haar: Heb goede moed, dochter,
45 8, 1 | brachten zij Tobias tot haar.~
46 8, 8 | ontferme, en dat ik met haar samen oud mag worden. En
47 8, 11| der dienstmaagden, en laat haar zien of hij leeft; en indien
48 10, 6 | 6 En Tobias zeide tot haar: Zwijg stil, en bekommer
49 10, 8 | nachts hield zij niet op haar zoon Tobias te bewenen,~
50 10, 12| gerucht horen; en hij kuste haar.~
51 10, 13| vertrouwd pand, bedroef haar niet. Daarna vertrok Tobias,
52 11, 6 | Anna zat en zag rondom naar haar zoon op de weg en zij werd
53 11, 9 | En Anna liep toe en viel haar zoon aan de hals, en zeide
54 11, 18| schoondochter kwam, zo zegende hij haar, zeggende: Zijt welkom,
55 13, 20| Ofir bestraat worden, en al haar wijken zullen zeggen: Halleluja!
|