Chapter, Verse
1 1, 1 | geschiedenissen van Tobias, de zoon van Tobias, de zoon van
2 1, 1 | de zoon van Tobias, de zoon van Ananiël, de zoon van
3 1, 1 | de zoon van Ananiël, de zoon van Aduël, de zoon van Gabaël,
4 1, 1 | Ananiël, de zoon van Aduël, de zoon van Gabaël, uit het zaad
5 1, 17| werd Sennacherib, zijn zoon, koning in zijn plaats.~
6 1, 23| huisvrouw, en Tobias mijn zoon.~
7 1, 24| Ararat, en Achirdonus, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
8 1, 24| hij zette Achiachar, de zoon van Anaël, mijn broeder,
9 1, 25| naast zich, en hij was de zoon mijns broeders.~
10 2, 1 | mijn huisvrouw Anna en mijn zoon Tobias mij weder gegeven
11 2, 2 | spijs, en zeide tot mijn zoon: Ga heen, en breng mede
12 3, 11| zijn, zo ga met hen; geen zoon of dochter moeten wij van
13 3, 20| Noch een bloedvriend, noch zoon, dat ik mijzelf voor die
14 3, 25| van Raguël, aan Tobias de zoon van Tobias tot een vrouw
15 4, 2 | roep ik dan Tobias mijn zoon niet, opdat ik het hem te
16 4, 21| zilvers, die ik aan Gabaël, de zoon van Gabrias te Ragis in
17 5, 14| of een die om loon met uw zoon heenreize? En Tobias zeide
18 5, 15| zeide: Ik ben Azarias, de zoon van de grote Ananias, een
19 5, 21| zijn zal, gelijk als mijn zoon, en ik zal boven het loon
20 5, 24| 24 En zijn zoon bereidde hetgeen tot de
21 5, 26| bijeengeschraapt hebben, van onze zoon zijn mocht.~
22 6, 16| en zij hebben geen andere zoon die hen zou begraven.~
23 7, 7 | eerlijken en goeden mans zoon. En als hij hoorde, dat
24 10, 3 | vrouw zeide tot hem: Onze zoon is ergens omgekomen, dewijl
25 10, 8 | nachts hield zij niet op haar zoon Tobias te bewenen,~
26 11, 6 | en zag rondom naar haar zoon op de weg en zij werd hem
27 11, 7 | 7 Zie uw zoon komt, en de man die met
28 11, 9 | Anna liep toe en viel haar zoon aan de hals, en zeide tot
29 11, 10| zich daaraan; doch zijn zoon liep hem tegen, en greep
30 11, 11| 11 En ziende zijn zoon, viel hij aan zijn hals,
31 11, 15| 15 Ziet, ik zie mijn zoon Tobias.~
32 11, 16| 16 En zijn zoon verblijd zijnde ging in,~
33 11, 19| en Nasbas, zijns broeders zoon, kwamen ook tot hem.~
34 12, 1 | 1 EN Tobias riep zijn zoon Tobias en zeide tot hem:
35 12, 1 | en zeide tot hem: Ziet, zoon, dat gij de man, die met
36 14, 6 | zeer oud, en hij riep zijn zoon, en zijn zes kleinzonen,
37 14, 9 | 9 En nu, mijn zoon, vertrek van Nineve, want
38 14, 10| 10 Mijn zoon, zie, wat Haman gedaan heeft
|