Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
zondige 1
zondigen 2
zonen 6
zoon 38
zorg 2
zou 10
zoude 1
Frequency    [«  »]
55 haar
55 met
47 der
38 zoon
37 uit
36 voor
36 want

Het boek Tobit (Tobias)

IntraText - Concordances

zoon

   Chapter, Verse
1 1, 1 | geschiedenissen van Tobias, de zoon van Tobias, de zoon van 2 1, 1 | de zoon van Tobias, de zoon van Ananiël, de zoon van 3 1, 1 | de zoon van Ananiël, de zoon van Aduël, de zoon van Gabaël, 4 1, 1 | Ananiël, de zoon van Aduël, de zoon van Gabaël, uit het zaad 5 1, 17| werd Sennacherib, zijn zoon, koning in zijn plaats.~ 6 1, 23| huisvrouw, en Tobias mijn zoon.~ 7 1, 24| Ararat, en Achirdonus, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. 8 1, 24| hij zette Achiachar, de zoon van Anaël, mijn broeder, 9 1, 25| naast zich, en hij was de zoon mijns broeders.~ 10 2, 1 | mijn huisvrouw Anna en mijn zoon Tobias mij weder gegeven 11 2, 2 | spijs, en zeide tot mijn zoon: Ga heen, en breng mede 12 3, 11| zijn, zo ga met hen; geen zoon of dochter moeten wij van 13 3, 20| Noch een bloedvriend, noch zoon, dat ik mijzelf voor die 14 3, 25| van Raguël, aan Tobias de zoon van Tobias tot een vrouw 15 4, 2 | roep ik dan Tobias mijn zoon niet, opdat ik het hem te 16 4, 21| zilvers, die ik aan Gabaël, de zoon van Gabrias te Ragis in 17 5, 14| of een die om loon met uw zoon heenreize? En Tobias zeide 18 5, 15| zeide: Ik ben Azarias, de zoon van de grote Ananias, een 19 5, 21| zijn zal, gelijk als mijn zoon, en ik zal boven het loon 20 5, 24| 24 En zijn zoon bereidde hetgeen tot de 21 5, 26| bijeengeschraapt hebben, van onze zoon zijn mocht.~ 22 6, 16| en zij hebben geen andere zoon die hen zou begraven.~ 23 7, 7 | eerlijken en goeden mans zoon. En als hij hoorde, dat 24 10, 3 | vrouw zeide tot hem: Onze zoon is ergens omgekomen, dewijl 25 10, 8 | nachts hield zij niet op haar zoon Tobias te bewenen,~ 26 11, 6 | en zag rondom naar haar zoon op de weg en zij werd hem 27 11, 7 | 7 Zie uw zoon komt, en de man die met 28 11, 9 | Anna liep toe en viel haar zoon aan de hals, en zeide tot 29 11, 10| zich daaraan; doch zijn zoon liep hem tegen, en greep 30 11, 11| 11 En ziende zijn zoon, viel hij aan zijn hals, 31 11, 15| 15 Ziet, ik zie mijn zoon Tobias.~ 32 11, 16| 16 En zijn zoon verblijd zijnde ging in,~ 33 11, 19| en Nasbas, zijns broeders zoon, kwamen ook tot hem.~ 34 12, 1 | 1 EN Tobias riep zijn zoon Tobias en zeide tot hem: 35 12, 1 | en zeide tot hem: Ziet, zoon, dat gij de man, die met 36 14, 6 | zeer oud, en hij riep zijn zoon, en zijn zes kleinzonen, 37 14, 9 | 9 En nu, mijn zoon, vertrek van Nineve, want 38 14, 10| 10 Mijn zoon, zie, wat Haman gedaan heeft


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License