Chapter, Verse
1 1, 1 | Aduël, de zoon van Gabaël, uit het zaad van Azaël, uit
2 1, 1 | uit het zaad van Azaël, uit de stam van Naftali.~
3 1, 2 | de koning der Assyriërs, uit Thisbe: welke gelegen is
4 1, 4 | hetwelk uitverkoren was, uit alle stammen Israëls,~
5 1, 9 | geworden was, zo nam ik Anna, uit het zaad van ons geslacht,
6 1, 9 | tot een huisvrouw, en won uit haar Tobias.~
7 1, 20| naakten, en zo ik iemand uit mijn geslacht zag die gestorven
8 1, 21| iemand gedood had, toen hij uit Judea gevlucht kwam, deze
9 1, 22| gedood te worden, zo ben ik uit vrees vertrokken.~
10 2, 3 | komende zeide: Vader, een uit ons geslacht ligt verworgd
11 4, 13| vreemde vrouw, die niet is uit de stam uws vaders, dewijl
12 4, 13| allen vrouwen genomen hebben uit hun broederen, en zij zijn
13 4, 14| dochteren uws volks, om uit hen voor uzelf een huisvrouw
14 4, 20| mijn geboden, en laat die uit uw hart niet uitgewist worden.~
15 5, 13| Tobias zeide tot hem: Broeder uit welke stam en uit welk geslacht
16 5, 13| Broeder uit welke stam en uit welk geslacht zijt gij?
17 5, 18| Ook gij zijt mijn broeder, uit een eerlijk en goed geslacht.
18 5, 25| 25 En zij gingen beiden uit om weg te gaan, en de hond
19 5, 25| stok van onze hand, als hij uit en ingaat voor ons?~
20 6, 2 | wassen, en een vis schoot op uit de rivier.~
21 6, 13| En gij zijt alleen over uit haar geslacht; en zij is
22 6, 17| een huisvrouw zoudt nemen uit uw geslacht?~
23 6, 22| ik zeg u, dat u kinderen uit haar zullen geworden.~
24 7, 4 | 4 En zij zeiden tot hem: Uit de kinderen van Naftali
25 8, 6 | hulp en steunsel gegeven; uit deze is het geslacht der
26 8, 13| 13 En zij kwam weder uit, en boodschapte hun, dat
27 10, 13| ik uw kinderen zien mag uit Sara mijn dochter, opdat
28 11, 10| 10 En Tobias kwam uit naar de deur en stiet zich
29 11, 18| 18 En Tobias ging uit, zijn schoondochter tegemoet,
30 13, 2 | hel, en brengt er weder uit, en daar is niemand die
31 13, 4 | zal ons bijeenvergaderen uit alle volken, onder welke
32 13, 20| en karbonkel, en stenen uit Ofir bestraat worden, en
33 14, 6 | geworden, en ben nabij om uit dit leven te scheiden, vertrek
34 14, 6 | zullen verstrooid worden, uit het goede land; en Jeruzalem
35 14, 7 | daarna zullen zij wederkeren uit hun gevangenis, en zullen
36 14, 10| opgevoed had; hoe hij hem uit het licht in de duisternis
37 14, 11| aalmoezen gedaan, en is uit de strik des doods verlost,
|