Chapter, Verse
1 1, 9 | nu een man geworden was, zo nam ik Anna, uit het zaad
2 1, 11| 11 Zo hebben al mijn broeders,
3 1, 20| klederen de naakten, en zo ik iemand uit mijn geslacht
4 1, 21| 21 En zo de koning Sennacherib iemand
5 1, 22| werd, om gedood te worden, zo ben ik uit vrees vertrokken.~
6 2, 2 | heilig feest der zeven weken, zo werd mij een goed middagmaal
7 2, 11| mijn ogen opgedaan zijnde, zo wierpen de mussen hete mest
8 3, 11| hunnentwil? indien zij dood zijn, zo ga met hen; geen zoon of
9 3, 12| indien ik dit zal doen, zo zal het hem een smaad zijn,
10 3, 23| 23 Zo beveel dat men mij aanzie,
11 4, 3 | 3 Kind, indien ik sterf, zo begraaf mij, en veracht
12 4, 5 | zij zal gestorven zijn, zo begraaf haar nevens mij
13 4, 6 | oprechtelijk zult handelen, zo zal het welgaan in uw werken,
14 4, 9 | 9 Zo gij weinig hebt, vrees niet
15 4, 15| geef hem dat terstond, en zo gij God gediend hebt, het
16 4, 20| zelf geeft al het goed, en zo wie hij wil vernedert hij,
17 5, 22| 22 En zij zijn zo overeengekomen.~
18 6, 11| 11 En zo zij nu nabij Ragis gekomen
19 6, 12| 12 Zo zeide de engel tot de jongeling:
20 6, 14| zullen keren van Ragis, zo zullen wij de bruiloft houden,
21 6, 19| ingaat in de bruidskamer, zo zult gij as nemen van het
22 6, 21| nu tot haar zult ingaan, zo staat beiden op, en roept
23 8, 1 | avondmaal geëindigd hadden, zo brachten zij Tobias tot
24 8, 3 | de duivel de reuk rook, zo vlood hij naar de bovenste
25 9, 5 | indien ik lang vertoef, zo zal hij zeer bedroefd worden.~
26 9, 7 | bracht de zakjes tot hem, zo zij verzegeld waren, en
27 10, 1 | waren, en zij niet kwamen, zo zeide Tobias: Zouden zij
28 10, 3 | ergens omgekomen, dewijl hij zo lang vertoeft.~
29 11, 8 | ogen, en als het hem bijt zo zal hij ze wrijven, en de
30 11, 18| zijn schoondochter kwam, zo zegende hij haar, zeggende:
31 12, 12| en uw schoondochter Sara, zo bracht ik de gedachtenis
32 12, 13| wanneer gij de doden begroeft, zo was ik insgelijks bij u;
33 12, 13| met grafdoeken bewondt, zo was mij uw goeddoen niet
34 13, 4 | hij ons verstrooid heeft. Zo gij tot hem wederkeert met
35 14, 14| zijn moeder, gestorven was, zo begroef hij die bij zijn
|