Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
oordeel 1
oordeelt 1
oordelen 1
op 33
opbouwen 1
opdat 10
openbaart 1
Frequency    [«  »]
36 want
35 zo
33 god
33 op
32 nu
31 al
31 zullen

Het boek Tobit (Tobias)

IntraText - Concordances

op

   Chapter, Verse
1 1, 6 | menigmaal alleen naar Jeruzalem op de feestdagen, gelijk bevolen 2 1, 24| hem doodden, en zij vloden op de gebergten Ararat, en 3 2, 2 | 2 Op het feest van Pinksteren, 4 2, 2 | gedenkt, en ziet, ik zal op u wachten.~ 5 2, 3 | ligt verworgd en geworpen op de markt.~ 6 2, 4 | 4 En ik sprong op, eer ik spijs nuttigde, 7 2, 11| daar kwamen witte schellen op mijn ogen en ik ging tot 8 3, 25| een erve te verkrijgen. Op dezelfde tijd dan is Tobias 9 4, 1 | 1 OP die dag werd Tobias indachtig 10 4, 16| 16 Kind, heb acht op uzelf in al uw werken, en 11 4, 16| dronkenschap met u reizen op uw weg.~ 12 5, 10| Tobias zeide tot hem: Wacht op mij, ik zal het mijn vader 13 5, 29| weder keren; en zij hield op van schreien.~ 14 6, 2 | wassen, en een vis schoot op uit de rivier.~ 15 6, 5 | vatte de vis en wierp hem op het land.~ groot~kaartje 16 6, 10| die witte schellen heeft op zijn ogen, en hij zal genezen 17 6, 21| ingaan, zo staat beiden op, en roept de barmhartige 18 7, 7 | 7 En Raguël sprong op en kuste hem, en weende, 19 7, 9 | waarvan gij gezegd hebt op de weg, en laat de zaak 20 8, 4 | gesloten waren, stond Tobias op van het bed, en zeide: Sta 21 8, 4 | van het bed, en zeide: Sta op, zuster, en laat ons bidden, 22 8, 9 | 9 En Raguël stond op, en ging heen, en groef 23 10, 7 | zij ging alle dagen buiten op de weg, waarlangs hij vertrokken 24 10, 8 | des nachts hield zij niet op haar zoon Tobias te bewenen,~ 25 10, 11| trekken; en Raguël stond op, en gaf hem Sara zijn vrouw, 26 11, 6 | zag rondom naar haar zoon op de weg en zij werd hem gewaar 27 11, 10| vader; en streek de gal op de ogen zijns vaders, zeggende: 28 12, 13| als gij u niet bezwaardet op te staan, en uw middagmaal 29 12, 16| beiden ontroerd en vielen op het aangezicht, want zij 30 12, 20| dankt God, want ik klim op tot degene, die mij gezonden 31 12, 21| 21 En zij stonden op, en zagen hem niet meer. 32 14, 1 | 1 EN Tobias hield op van dankzeggen,~ 33 14, 13| zeide, begaf hem de ziel op het bed. En hij was honderdachtenvijftig


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License