Chapter, Verse
1 1, 6 | menigmaal alleen naar Jeruzalem op de feestdagen, gelijk bevolen
2 1, 24| hem doodden, en zij vloden op de gebergten Ararat, en
3 2, 2 | 2 Op het feest van Pinksteren,
4 2, 2 | gedenkt, en ziet, ik zal op u wachten.~
5 2, 3 | ligt verworgd en geworpen op de markt.~
6 2, 4 | 4 En ik sprong op, eer ik spijs nuttigde,
7 2, 11| daar kwamen witte schellen op mijn ogen en ik ging tot
8 3, 25| een erve te verkrijgen. Op dezelfde tijd dan is Tobias
9 4, 1 | 1 OP die dag werd Tobias indachtig
10 4, 16| 16 Kind, heb acht op uzelf in al uw werken, en
11 4, 16| dronkenschap met u reizen op uw weg.~
12 5, 10| Tobias zeide tot hem: Wacht op mij, ik zal het mijn vader
13 5, 29| weder keren; en zij hield op van schreien.~
14 6, 2 | wassen, en een vis schoot op uit de rivier.~
15 6, 5 | vatte de vis en wierp hem op het land.~ groot~kaartje
16 6, 10| die witte schellen heeft op zijn ogen, en hij zal genezen
17 6, 21| ingaan, zo staat beiden op, en roept de barmhartige
18 7, 7 | 7 En Raguël sprong op en kuste hem, en weende,
19 7, 9 | waarvan gij gezegd hebt op de weg, en laat de zaak
20 8, 4 | gesloten waren, stond Tobias op van het bed, en zeide: Sta
21 8, 4 | van het bed, en zeide: Sta op, zuster, en laat ons bidden,
22 8, 9 | 9 En Raguël stond op, en ging heen, en groef
23 10, 7 | zij ging alle dagen buiten op de weg, waarlangs hij vertrokken
24 10, 8 | des nachts hield zij niet op haar zoon Tobias te bewenen,~
25 10, 11| trekken; en Raguël stond op, en gaf hem Sara zijn vrouw,
26 11, 6 | zag rondom naar haar zoon op de weg en zij werd hem gewaar
27 11, 10| vader; en streek de gal op de ogen zijns vaders, zeggende:
28 12, 13| als gij u niet bezwaardet op te staan, en uw middagmaal
29 12, 16| beiden ontroerd en vielen op het aangezicht, want zij
30 12, 20| dankt God, want ik klim op tot degene, die mij gezonden
31 12, 21| 21 En zij stonden op, en zagen hem niet meer.
32 14, 1 | 1 EN Tobias hield op van dankzeggen,~
33 14, 13| zeide, begaf hem de ziel op het bed. En hij was honderdachtenvijftig
|