Chapter, Verse
1 3, 14| Gezegend zijt gij, o Here mijn God, en gezegend zij uw heerlijke
2 4, 6 | alle tijd de Here onze God, en wil niet zondigen noch
3 4, 15| dat terstond, en zo gij God gediend hebt, het zal u
4 4, 21| gij hebt veel, indien gij God vreest, en afstaat van alle
5 5, 24| Trek met deze man heen, en God die in de hemel woont, zal
6 6, 21| en roept de barmhartige God aan, en Hij zal u behouden,
7 7, 13| 13 En de barmhartige God brenge ulieden alles goeds
8 8, 5 | zeggen: Gezegend zijt gij, o God onzer vaderen, en geloofd
9 8, 14| 14 En Raguël loofde God, zeggende: Geloofd zijt
10 8, 14| zeggende: Geloofd zijt gij, o God, met alle zuivere en heilige
11 10, 12| en zeide: Kinderen, de God des hemels geve u voorspoed,
12 10, 13| Daarna vertrok Tobias, God dankende dat hij zijn weg
13 11, 12| 12 Geloofd zijt gij, o God.~
14 11, 18| tegemoet, verblijd zijnde, en God lovende, tot aan de poort
15 11, 18| bekende openlijk voor hen, dat God zich zijner had ontfermd.
16 11, 18| mijn dochter, geloofd zij God die u tot ons heeft gebracht:
17 12, 7 | en zeide tot hen: Looft God, en dankt hem, en geeft
18 12, 7 | heeft. Het is goed dat men God love en zijn naam verheffe,
19 12, 14| 14 En nu heeft mij God gezonden om u te genezen,
20 12, 15| gebeden der heiligen voor God brengen, en ingaan voor
21 12, 17| vrede zal u zijn, maar looft God.~
22 12, 18| maar door de wil van onze God; daarom looft hem in der
23 12, 20| 20 En nu dankt God, want ik klim op tot degene,
24 13, 2 | 2 Geloofd zij God die in der eeuwigheid leeft,
25 13, 3 | gelijk hij onze Here is, en God onze Vader is in alle eeuwigheid.~
26 13, 8 | 8 Ik zal mijn God verheffen, en mijn ziel
27 13, 17| 17 Mijn ziel love God, de grote Koning.~
28 13, 21| 21 Geloofd zij God, die ons verheven heeft
29 14, 5 | 5 En hij voer voort God de Here te vrezen, en beleed
30 14, 7 | 7 En God zal zich hunner weder ontfermen,
31 14, 8 | waarachtig bekeerd worden, om God de Here te vrezen, en zullen
32 14, 8 | zal de Here belijden, en God zal zijn volk verhogen;
33 14, 8 | volk verhogen; en allen die God de Here liefhebben, zullen
|