26-ulied | uwent-zulks
Chapter, Verse
1 5, 26| 26 Och of dat geld nooit voorgekomen
2 5, 27| 27 Want zulks als ons van de
3 5, 28| 28 En Tobias zeide tot haar:
4 5, 29| 29 Want een goede engel zal
5 5, 19| zijn naar Jeruzalem om te aanbidden, daarheen brengende de eerstgeborenen
6 1, 14| Allerhoogste gaf mij genade, en aangenaamheid voor Enemessar, en ik werd
7 2, 2 | middagmaal bereid, en ik was aangezeten om te eten, en zag veel
8 3, 25| de boze geest te binden, aangezien het Tobias toekwam haar
9 13, 16| al uw heerlijkheid hebben aanschouwd, en zullen zich vervrolijken
10 13, 4 | niet verbergen, en gij zult aanschouwen hetgeen hij met u doen zal;~
11 6, 14| hoor mij, ik zal haar vader aanspreken, en wanneer wij weder zullen
12 12, 7 | der werken Gods eerbiedig aanwijze; daarom vertraagt niet hem
13 5, 10| mij, ik zal het mijn vader aanzeggen; en hij sprak tot hem: Ga
14 3, 23| 23 Zo beveel dat men mij aanzie, en zich mijner ontferme,
15 14, 6 | dat onze broeders over de aardbodem zullen verstrooid worden,
16 4, 13| kinderen, en hun zaad zal het aardrijk beërven.~
17 4, 13| der profeten zijn. Noach, Abraham, Izaäk, Jakob zijn onze
18 11, 5 | heen, en de hond kwam mede achter hen.~
19 11, 2 | broeder, hoe gij uw vader achtergelaten hebt.~
20 8, 6 | 6 Gij hebt Adam gemaakt, en gij hebt hem
21 1, 1 | van Ananiël, de zoon van Aduël, de zoon van Gabaël, uit
22 5, 20| verleid geworden tot de afdwaling onzer broederen.~
23 3, 25| Raguël, van haar opperzolder afgekomen.~
24 11, 10| de witte schellen werden afgepeld van de hoeken zijner ogen.~
25 1, 5 | de stammen, die tezamen afgeweken waren, en het huis Naftali,
26 14, 8 | te vrezen, en zullen hun afgoden begraven. En alle heidenen
27 4, 7 | Gods zal zich van u niet afkeren.~
28 4, 21| indien gij God vreest, en afstaat van alle zonde, en doet
29 6, 1 | rivier Tigris, en vernachtten aldaar.~
30 12, 7 | dankt hem voor het aanschijn aller levenden, vanwege de dingen
31 4, 12| de tegenwoordigheid des Allerhoogsten.~
32 1, 6 | de zonen Aärons, voor het altaar.~
33 8, 8 | worden. En zij zeide met hem Amen. En zij sliepen beiden de
34 2, 6 | gedachtig der profetie van Amos gelijk hij gezegd had:~
35 1, 24| zette Achiachar, de zoon van Anaël, mijn broeder, over al de
36 1, 1 | van Tobias, de zoon van Ananiël, de zoon van Aduël, de zoon
37 1, 24| zij vloden op de gebergten Ararat, en Achirdonus, zijn zoon,
38 4, 21| vrees niet, kind, omdat wij arm geworden zijn; gij hebt
39 4, 7 | aangezicht niet af van enige arme, en het aangezicht Gods
40 1, 2 | eigenlijk Naftali genoemd, boven Aser, in Galilea.~
41 14, 17| welke Nabuchodonosor en Assuërus ingenomen hadden, en hij
42 6, 7 | maar de vis braadden en aten zij, en zij reisden beiden
43 6, 1 | heen, en kwamen tegen de avond aan de rivier Tigris, en
44 8, 1 | 1 EN als zij nu het avondmaal geëindigd hadden, zo brachten
45 1, 1 | Gabaël, uit het zaad van Azaël, uit de stam van Naftali.~
46 1, 5 | vaders, offerden het kalf Baäl.~
47 12, 12| 12 Wanneer gij dan nu badt, gij, en uw schoondochter
48 10, 7 | tot hem: Zwijg gij stil en bedrieg mij niet, mijn kind is omgekomen;
49 13, 16| Welgelukzalig zijn zij, die zich bedroeven over al uw kastijdingen,
50 4, 13| hun zaad zal het aardrijk beërven.~
51 10, 11| zijn goederen, slaven, en beesten, en geld.~
52 14, 13| 13 En als hij dit zeide, begaf hem de ziel op het bed.
53 4, 20| Here te allen tijde, en begeer van hem dat uw wegen recht
54 3, 15| en mijn aangezicht tot u begeven.~
55 7, 17| 17 En zij begonnen te eten.~
56 2, 9 | geweest, en ziet, wederom begraaft hij de dode.~
57 12, 13| En wanneer gij de doden begroeft, zo was ik insgelijks bij
58 3, 6 | doe met mij naar hetgeen behagelijk is voor u; beveel dat men
59 14, 8 | heidenen zullen waarachtig bekeerd worden, om God de Here te
60 11, 18| zich dat hij zag. En Tobias bekende openlijk voor hen, dat God
61 10, 6 | tot haar: Zwijg stil, en bekommer u niet, hij is gezond.~
62 2, 9 | 9 En de buren belachten mij, zeggende: Nog vreest
63 7, 11| tegen die nacht. Maar wat nu belangt, zijt vrolijk.~
64 14, 5 | God de Here te vrezen, en beleed hem openlijk.~
65 4, 20| vernedert hij, gelijk het hem belieft. En nu kind, gedenk mijn
66 4, 17| tot aalmoezen, en uw oog benijde het niet, wanneer gij aalmoezen
67 11, 3 | voor uw vrouw, en het huis bereiden.~
68 13, 20| van Jeruzalem zullen met berylsteen en karbonkel, en stenen
69 10, 1 | zeide Tobias: Zouden zij beschaamd zijn geworden?~
70 1, 7 | verkocht ik, en reisde heen, en besteedde die alle jaren te Jeruzalem.~
71 13, 20| karbonkel, en stenen uit Ofir bestraat worden, en al haar wijken
72 6, 10| 10 En bestrijk met de gal een mens, die
73 1, 8 | de derde gaf ik die het betaamde, gelijk Debora, de moeder
74 6, 14| schuldig zijn, dewijl het u betaamt de erfenis te ontvangen
75 6, 9 | Wat het hart en de lever betreft, indien iemand gekweld wordt
76 8, 16| 16 En hij beval de huisknechten het graf
77 14, 9 | gesproken heeft, maar gij, bewaar de wet en de geboden, en
78 1, 12| 12 Maar ik bewaarde mijn ziel, dat ik daarvan
79 13, 7 | kreeg, en u barmhartigheid bewees?~
80 8, 15| deze twee eniggeborenen; bewijs hun, o Here, barmhartigheid
81 13, 4 | oprechtheid voor zijn aanschijn te bewijzen, dan zal hij tot ulieden
82 1, 24| zijns vaders, en over al het bewind.~
83 12, 13| de doden met grafdoeken bewondt, zo was mij uw goeddoen
84 3, 18| En ik heb mijn naam niet bezoedeld, noch de naam mijns vaders
85 12, 2 | hem: Vader, ik heb geen bezwaar hem de helft te geven, van
86 12, 13| bij u; en als gij u niet bezwaardet op te staan, en uw middagmaal
87 8, 4 | op, zuster, en laat ons bidden, opdat zich de Here onzer
88 5, 26| ware, maar dat hetgeen wij bijeengeschraapt hebben, van onze zoon zijn
89 13, 15| rechtvaardigen, want zij zullen bijeenvergaderd worden, en zij zullen de
90 13, 4 | onzer ontfermen, en zal ons bijeenvergaderen uit alle volken, onder welke
91 11, 8 | zijn ogen, en als het hem bijt zo zal hij ze wrijven, en
92 3, 25| Asmodeüs de boze geest te binden, aangezien het Tobias toekwam
93 2, 14| gekomen was, begon het te blaten; en ik zeide tot haar: Vanwaar
94 11, 18| uw moeder. En daar werd blijdschap onder al zijn broederen,
95 7, 16| zijn vrouw, en nam een boekje, en schreef een handschrift
96 13, 19| uw muren, en uw torens en bolwerken met zuiver goud.~
97 8, 3 | van Egypte, en de engel bond hem daar.~
98 14, 7 | en zij zullen het huis bouwen, maar niet zodanig als het
99 8, 3 | rook, zo vlood hij naar de bovenste delen van Egypte, en de
100 6, 7 | gezegd had, maar de vis braadden en aten zij, en zij reisden
101 8, 1 | avondmaal geëindigd hadden, zo brachten zij Tobias tot haar.~
102 5, 19| om te aanbidden, daarheen brengende de eerstgeborenen van het
103 13, 2 | legt neder in de hel, en brengt er weder uit, en daar is
104 1, 11| geslacht waren, gegeten van de broden der heidenen,~
105 10, 7 | en zij ging alle dagen buiten op de weg, waarlangs hij
106 2, 9 | 9 En de buren belachten mij, zeggende:
107 11, 10| naar de deur en stiet zich daaraan; doch zijn zoon liep hem
108 13, 14| zijn, die u haten; gezegend daarentegen zullen zij allen zijn, die
109 5, 19| Jeruzalem om te aanbidden, daarheen brengende de eerstgeborenen
110 8, 2 | 2 En als hij ging, dacht hij aan de woorden van Rafaël,
111 3, 7 | 7 Even ten zelfden dage gebeurde het, dat Sara,
112 10, 13| Daarna vertrok Tobias, God dankende dat hij zijn weg had voorspoedig
113 13, 9 | een ieder spreke, en hem dankzegge in gerechtigheid.~
114 14, 1 | 1 EN Tobias hield op van dankzeggen,~
115 1, 8 | die het betaamde, gelijk Debora, de moeder mijns vaders,
116 8, 3 | vlood hij naar de bovenste delen van Egypte, en de engel
117 1, 8 | 8 En de derde gaf ik die het betaamde,
118 11, 18| tot ons heeft gebracht: desgelijks uw vader en uw moeder. En
119 3, 25| een erve te verkrijgen. Op dezelfde tijd dan is Tobias wedergekeerd,
120 3, 24| 24 En het gebed dezer beiden werd verhoord voor
121 1, 7 | Aärons, die binnen Jeruzalem dienden, en de tweede tienden verkocht
122 8, 12| 12 En als de dienstmaagd de deur opengedaan had,
123 3, 21| reeds omgekomen; waartoe dient mij dan voortaan het leven?~
124 2, 9 | niet gedood te worden, om dier zake wil; hij is voortvluchtig
125 3, 14| heerlijke naam, die heilig en dierbaar is in der eeuwigheid. Dat
126 2, 10| 10 En diezelfde nacht keerde ik weder na
127 4, 14| broederen, en de zonen en dochteren uws volks, om uit hen voor
128 2, 9 | wederom begraaft hij de dode.~
129 14, 8 | waarheid en gerechtigheid, doende barmhartigheid aan onze
130 1, 21| en begroef hem, (want hij doodde er velen in zijn toorn)
131 1, 24| twee van zijn zonen hem doodden, en zij vloden op de gebergten
132 10, 9 | gezworen had dat hij daar moest doorbrengen.~
133 5, 21| loon zal ik u geven? een drachme des daags, en hetgeen u
134 2, 4 | eer ik spijs nuttigde, droeg hem weg in een zeker huis,
135 3, 1 | 1 TOEN werd ik droevig, en weende, en bad met smarten
136 8, 17| Raguël zeide tot hem met ede, eer de dagen der bruiloft
137 4, 5 | begraaf haar nevens mij in één graf.~
138 12, 7 | redenen der werken Gods eerbiedig aanwijze; daarom vertraagt
139 5, 18| zijt mijn broeder, uit een eerlijk en goed geslacht. Want ik
140 7, 7 | zeide tot hem: Gij zijt eens eerlijken en goeden mans zoon. En
141 1, 6 | gebod, bij mij hebbende de eerstelingen en de tienden der vruchten,
142 5, 19| aanbidden, daarheen brengende de eerstgeborenen van het vee en de tienden
143 7, 10| Raguël zeide tot Tobias: Eet en drink, en zijt vrolijk;
144 1, 6 | het volk Israëls met een eeuwig gebod, bij mij hebbende
145 3, 6 | en opgenomen worde in de eeuwige plaatsen, en keer uw aangezicht
146 8, 3 | naar de bovenste delen van Egypte, en de engel bond hem daar.~
147 1, 2 | rechter zijde der stad, eigenlijk Naftali genoemd, boven Aser,
148 10, 1 | Tobias, zijn vader, rekende elke dag; en als de dagen der
149 13, 12| gevangenen in u verheuge, en de ellendigen in u liefhebbe, in alle
150 2, 11| totdat ik vertrokken ben naar Elymais.~
151 6, 12| bloedvriend, en hij heeft een eniggeboren dochter, genaamd Sara; ik
152 3, 19| 19 Ik ben een eniggeborene mijns vaders, en hij heeft
153 8, 15| ontfermd over deze twee eniggeborenen; bewijs hun, o Here, barmhartigheid
154 14, 15| schoonmoeder heerlijk, en erfde hun goed, en het goed zijns
155 3, 19| heeft geen kind dat zijn erfgenaam zijn zal;~
156 10, 3 | zeide tot hem: Onze zoon is ergens omgekomen, dewijl hij zo
157 3, 25| Tobias toekwam haar tot een erve te verkrijgen. Op dezelfde
158 8, 6 | gemaakt, en gij hebt hem Eva zijn vrouw tot een hulp
159 3, 7 | 7 Even ten zelfden dage gebeurde
160 10, 11| laten weten, hoe het met u gaat. En Tobias zeide: Neen,
161 4, 21| aan Gabaël, de zoon van Gabrias te Ragis in Medië, te bewaren
162 1, 16| aan Gabaël, de broeder van Gabriël, binnen de stad Rages in
163 1, 2 | genoemd, boven Aser, in Galilea.~
164 4, 15| van geen mens, die voor u gearbeid heeft, bij u vernachten,
165 1, 24| doodden, en zij vloden op de gebergten Ararat, en Achirdonus, zijn
166 11, 10| moed, vader; en als zij gebeten waren, wreef hij zijn ogen,
167 3, 7 | 7 Even ten zelfden dage gebeurde het, dat Sara, een dochter
168 1, 6 | volk Israëls met een eeuwig gebod, bij mij hebbende de eerstelingen
169 8, 6 | het geslacht der mensen geboren. Gij hebt gezegd, het is
170 14, 7 | en het zal een heerlijk gebouw zijn voor alle geslachten
171 12, 12| schoondochter Sara, zo bracht ik de gedachtenis van ulieder gebed voor het
172 2, 6 | 6 En ik werd gedachtig der profetie van Amos gelijk
173 4, 15| terstond, en zo gij God gediend hebt, het zal u weergegeven
174 12, 19| en heb noch gegeten noch gedronken, maar gij hebt een gezicht
175 12, 3 | en hij heeft mijn geld gehaald, en u insgelijks genezen;
176 3, 10| Gij hebt nu zeven mannen gehad, en naar niet een hunner
177 8, 14| had. Maar gij hebt met ons gehandeld naar uw grote barmhartigheid.~
178 1, 5 | van de Allerhoogste was geheiligd en gebouwd voor alle geslachten
179 1, 4 | Israëls, als ik jong was, het gehele geslacht Naftali, mijns
180 5, 9 | bij Gabaël onze broeder geherbergd.~
181 11, 20| Tobias werd zeven dagen lang gehouden met vreugde.~ ~ ~
182 11, 14| engelen; want gij hebt mij gekastijd, en hebt u mijner ontfermd.~
183 14, 11| hijzelf heeft zijn vergelding gekregen, en is in de duisternis
184 1, 8 | van mijn vader wees was gelaten.~
185 14, 11| doods verlost, die zij hem gelegd hadden, maar Haman is in
186 1, 2 | Assyriërs, uit Thisbe: welke gelegen is aan de rechter zijde
187 7, 2 | tot zijn vrouw Edna: Hoe gelijkt deze jongeling Tobias, mijn
188 2, 14| boven het loon; doch ik geloofde haar niet, en zeide dat
189 1, 13| gedacht, met geheel mijn gemoed.~
190 6, 12| een eniggeboren dochter, genaamd Sara; ik zal om haar spreken,
191 5, 27| om te leven, dat is ons genoeg.~
192 4, 13| dat deze allen vrouwen genomen hebben uit hun broederen,
193 2, 14| weder, want het is ons niet geoorloofd te eten hetgeen gestolen
194 1, 23| En al mijn goederen zijn geplunderd geworden, en mij is niets
195 2, 15| zijn nu uw aalmoezen en uw gerechtigheden? ziet het is alles bekend,
196 5, 23| zeide tot Tobias: Maak u gereed tot de weg, en het ga ulieden
197 4, 2 | geve, eer ik sterf? En hem geroepen hebbende, zeide hij:~
198 10, 12| laat mij van u een goed gerucht horen; en hij kuste haar.~
199 2, 14| zeide: Het is mij tot een geschenk gegeven boven het loon;
200 1, 1 | 1 HET Boek der geschiedenissen van Tobias, de zoon van
201 8, 4 | zij nu beiden bij elkander gesloten waren, stond Tobias op van
202 3, 7 | Ecbatana in Medië, ook zelf gesmaad werd door de dienstmaagden
203 8, 18| ik en mijn vrouw zullen gestorvan zijn,~
204 4, 4 | Gedenk, kind, dat zij veel gevaar heeft uitgestaan om uwentwil
205 14, 11| maar Haman is in de strik gevallen en omgekomen.~
206 1, 21| had, toen hij uit Judea gevlucht kwam, deze nam ik heimelijk
207 11, 6 | op de weg en zij werd hem gewaar toen hij kwam en zeide tot
208 14, 6 | kind; want ik houd voor gewis, dat alles wat Jona de profeet
209 3, 3 | mijner vaderen, die tegen u gezondigd hebben.~
210 4, 12| Want aalmoes is een goede gift, voor al degenen, die deze
211 5, 21| nog wat toeleggen, indien gijlieden gezond wederkeert.~
212 12, 13| grafdoeken bewondt, zo was mij uw goeddoen niet onbekend, maar ik was
213 3, 22| 22 En indien het u niet goeddunkt mij te doden,~
214 7, 7 | Gij zijt eens eerlijken en goeden mans zoon. En als hij hoorde,
215 7, 13| God brenge ulieden alles goeds toe!~
216 12, 13| heengingt en de doden met grafdoeken bewondt, zo was mij uw goeddoen
217 5, 17| 17 En wil over mij niet gram worden, omdat ik gezocht
218 11, 10| zoon liep hem tegen, en greep zijn vader; en streek de
219 6, 4 | de engel zeide tot hem: Grijp de vis aan.~
220 8, 9 | stond op, en ging heen, en groef een graf, zeggende: Zou
221 7, 1 | Sara kwam hen tegemoet, en groette hen, en zij weder haar.~
222 5, 12| 12 En hij kwam in, en zij groetten elkander.~
223 3, 24| voor de heerlijkheid des groten Gods.~
224 9, 3 | in Medië, tot Gabaël, en haal mij het geld, en breng hem
225 3, 7 | werd door de dienstmaagden haars vaders.~
226 4, 16| doe niemand hetgeen hij haat. Drink geen wijn tot dronkenschap,
227 13, 20| haar wijken zullen zeggen: Halleluja! en zullen prijs zingen,
228 4, 6 | als gij oprechtelijk zult handelen, zo zal het welgaan in uw
229 1, 18| 18 En zijn handelingen waren ongestadig, en ik
230 13, 13| Heren, hebbende gaven in hun handen, en dat, gaven voor de Koning
231 2, 12| mijn huisvrouw Anna maakte handwerk van wol in de vrouwenkameren.~
232 13, 14| moeten zij allen zijn, die u haten; gezegend daarentegen zullen
233 6, 12| jongeling: Broeder, wij zullen heden te Raguël ter herberg gaan,
234 10, 10| zeide tot Raguël: Laat mij heengaan; want mijn vader en mijn
235 12, 13| middagmaal te verlaten, opdat gij heengingt en de doden met grafdoeken
236 5, 14| die om loon met uw zoon heenreize? En Tobias zeide tot hem:
237 2, 14| gestolen? geeft het de rechte heer weder, want het is ons niet
238 3, 14| God, en gezegend zij uw heerlijke naam, die heilig en dierbaar
239 13, 2 | ontfermt; hij legt neder in de hel, en brengt er weder uit,
240 5, 24| man heen, en God die in de hemel woont, zal uw weg voorspoedig
241 8, 5 | eeuwigheid, u moeten de hemelen loven, en al uw schepselen.~
242 6, 12| zullen heden te Raguël ter herberg gaan, en deze is uw bloedvriend,
243 2, 11| zijnde, zo wierpen de mussen hete mest in mijn ogen, en daar
244 2, 11| medicijnmeesters, maar zij hielpen mij niet en Achiachar onderhield
245 14, 11| wel verlost geworden, doch hijzelf heeft zijn vergelding gekregen,
246 6, 23| haar lief, en zijn ziel hing zeer aan haar, en zij kwamen
247 11, 10| schellen werden afgepeld van de hoeken zijner ogen.~
248 14, 13| ziel op het bed. En hij was honderdachtenvijftig jaren oud; en hij begroef
249 14, 16| En hij stierf, oud zijnde honderdenzevenentwintig jaren te Ecbatana in Medië.~
250 4, 17| van uw brood degene die honger heeft, en van uw klederen
251 1, 20| 20 Ik gaf mijn brood de hongerigen, en klederen de naakten,
252 4, 14| trotsheid is een moeder des hongers.~
253 10, 10| mijn vader en mijn moeder hopen niet meer dat zij mij zien
254 12, 8 | verborgenheid eens konings bedekt houdt, maar het is heerlijk dat
255 4, 14| broederen lief, en wend u niet hovaardig in uw hart van uw broederen,
256 4, 14| huisvrouw te nemen. Want in de hovaardigheid is verderf en veel ongestadigheid,
257 8, 16| 16 En hij beval de huisknechten het graf te stoppen.~
258 1, 25| schenker, en zegelbewaarder, en huisverzorger, en rekenmeester, en Achirdonus
259 3, 11| 11 Wat slaat gij ons om hunnentwil? indien zij dood zijn, zo
260 12, 1 | en bovendien moet hem nog iets toegelegd worden.~
261 4, 1 | 1 OP die dag werd Tobias indachtig het geld, dat hij Gabaël
262 6, 16| en vrees dat ik tot haar ingaande sterven zal, gelijk als
263 5, 11| 11 En ingegaan zijnde, zeide hij tot zijn
264 14, 17| Nabuchodonosor en Assuërus ingenomen hadden, en hij verblijdde
265 1, 14| Enemessar, en ik werd zijn inkoper.~
266 4, 13| profeten zijn. Noach, Abraham, Izaäk, Jakob zijn onze vaderen
267 7, 5 | broeder, wel? En zij zeiden: Ja wij kennen hem wel.~
268 4, 13| Noach, Abraham, Izaäk, Jakob zijn onze vaderen van ouds
269 5, 18| Want ik ken Ananias en Jonathan, de zonen van de grote Semeï
270 1, 4 | het land Israëls, als ik jong was, het gehele geslacht
271 5, 25| te gaan, en de hond des jongelings ging met hen. En Anna, zijn
272 9, 3 | 3 Neem met u een jongen, en twee kemels, en trek
273 1, 21| gedood had, toen hij uit Judea gevlucht kwam, deze nam
274 1, 5 | mijns vaders, offerden het kalf Baäl.~
275 7, 18| Zuster, bereid de andere kamer, en breng hen daarin.~
276 13, 20| zullen met berylsteen en karbonkel, en stenen uit Ofir bestraat
277 13, 16| zich bedroeven over al uw kastijdingen, want zij zullen zich over
278 13, 2 | zijn koninkrijk. Want hij kastijdt en ontfermt; hij legt neder
279 2, 10| 10 En diezelfde nacht keerde ik weder na het begraven,
280 13, 7 | 7 Keert weder gij zondaars, en doet
281 9, 3 | met u een jongen, en twee kemels, en trek naar Ragis in Medië,
282 7, 5 | 5 En hij zeide tot hen: Kent gij Tobias, onze broeder,
283 14, 6 | riep zijn zoon, en zijn zes kleinzonen, en zeide tot hem: Kind,
284 12, 20| En nu dankt God, want ik klim op tot degene, die mij gezonden
285 6, 2 | 2 En de jongeling klom neder om zich te wassen,
286 2, 3 | 3 En hij weder komende zeide: Vader, een uit ons
287 1, 18| waren ongestadig, en ik kon niet meer naar Medië reizen.~
288 13, 2 | leeft, en geloofd zij zijn koninkrijk. Want hij kastijdt en ontfermt;
289 14, 7 | gevangenis, en zullen Jeruzalem kostelijk opbouwen; en het huis Gods
290 13, 18| safyr, en smaragd, en met kostelijke stenen gebouwd worden;~
291 13, 6 | openlijk belijden, en zal zijn kracht en grote heerlijkheid het
292 12, 8 | openbaart. Doet goed, en het kwaad zal ulieden niet vinden.~
293 14, 9 | moeder met mij, en blijf niet langer in Nineve.~
294 6, 16| haar liefheeft, die niemand leed doet, dan die tot haar ingaan.
295 2, 7 | Uw feestdagen zullen in leeddragen veranderd worden, en al
296 5, 4 | met u trekke, terwijl ik leef, en ik zal hem loon geven,
297 8, 13| boodschapte hun, dat hij leefde.~
298 6, 6 | de lever, en de gal, en leg ze weg om te bewaren.~
299 8, 2 | de as der reukofferen, en legde het hart en de lever van
300 6, 19| reukoffer, en zult daarop leggen van het hart en van de lever
301 13, 2 | kastijdt en ontfermt; hij legt neder in de hel, en brengt
302 12, 7 | voor het aanschijn aller levenden, vanwege de dingen die hij
303 4, 4 | uitgestaan om uwentwil in haar lichaam,~
304 1, 21| velen in zijn toorn) en de lichamen werden door de koning gezocht
305 13, 12| verheuge, en de ellendigen in u liefhebbe, in alle geslachten der
306 6, 16| dewijl een duivel haar liefheeft, die niemand leed doet,
307 10, 12| als hij hen gezegend had liet hij hen gaan, en zeide:
308 10, 13| En Edna zeide tot Tobias: Lieve broeder, de Here des hemels
309 2, 3 | Vader, een uit ons geslacht ligt verworgd en geworpen op
310 8, 14| alle zuivere en heilige lof; loven moeten u uw heiligen,
311 4, 20| 20 Loof de Here te allen tijde,
312 8, 14| 14 En Raguël loofde God, zeggende: Geloofd zijt
313 11, 3 | 3 Laat ons vooruit lopen voor uw vrouw, en het huis
314 11, 18| verblijd zijnde, en God lovende, tot aan de poort van Nineve;
315 13, 7 | aanschijn; wie weet het, of hij lust tot u kreeg, en u barmhartigheid
316 5, 23| En hij zeide tot Tobias: Maak u gereed tot de weg, en
317 14, 11| duisternis nedergedaald. Manasse heeft aalmoezen gedaan,
318 2, 3 | verworgd en geworpen op de markt.~
319 2, 11| mijn ogen en ik ging tot de medicijnmeesters, maar zij hielpen mij niet
320 3, 12| bedroefd, zodat zij zich meende te verhangen, doch zij zeide:
321 1, 6 | 6 En ik reisde menigmaal alleen naar Jeruzalem op
322 4, 8 | hebt, doe aalmoezen naar de menigte der dingen.~
323 8, 6 | deze is het geslacht der mensen geboren. Gij hebt gezegd,
324 2, 11| zo wierpen de mussen hete mest in mijn ogen, en daar kwamen
325 3, 20| bloedvriend, noch zoon, dat ik mijzelf voor die mocht bewaren tot
326 3, 17| dat ik zuiver ben van alle misdaad des mans.~
327 10, 9 | gezworen had dat hij daar moest doorbrengen.~
328 3, 16| ik niet meer versmaadheid moge horen.~
329 13, 5 | hem danken met geheel uw mond, en gij zult de Here der
330 9, 8 | 8 En des morgens vroeg gingen zij te zamen,
331 13, 19| 19 En uw muren, en uw torens en bolwerken
332 4, 17| van uw klederen hun die naakt zijn. Alles wat gij overvloedig
333 1, 20| hongerigen, en klederen de naakten, en zo ik iemand uit mijn
334 1, 25| Achirdonus stelde hem de tweede naast zich, en hij was de zoon
335 14, 17| ondergang van Nineve, welke Nabuchodonosor en Assuërus ingenomen hadden,
336 10, 8 | daags nu at zij niet, en des nachts hield zij niet op haar zoon
337 3, 25| om deze twee te genezen: namelijk om de witte schellen van
338 11, 19| 19 En Achiachar en Nasbas, zijns broeders zoon, kwamen
339 14, 11| en is in de duisternis nedergedaald. Manasse heeft aalmoezen
340 7, 2 | deze jongeling Tobias, mijn neef.~
341 10, 11| u gaat. En Tobias zeide: Neen, maar laat mij toch tot
342 3, 6 | dat men mijn geest van mij neme, opdat ik ontbonden mag
343 7, 15| 15 En nemende haar bij de hand, gaf hij
344 4, 5 | gestorven zijn, zo begraaf haar nevens mij in één graf.~
345 1, 23| geplunderd geworden, en mij is niets overgelaten dan Anna mijn
346 4, 7 | hebt, en uw oog zij niet nijdig als gij aalmoezen doet,
347 4, 19| veracht een nuttige raad nimmer.~
348 4, 13| kinderen der profeten zijn. Noach, Abraham, Izaäk, Jakob zijn
349 3, 6 | nu verlost worde van deze nood, en opgenomen worde in de
350 4, 10| schat, tegen de dag des noods.~
351 5, 26| 26 Och of dat geld nooit voorgekomen ware, maar dat
352 7, 9 | Broeder Azarias, spreek nul van hetgeen waarvan gij
353 2, 4 | sprong op, eer ik spijs nuttigde, droeg hem weg in een zeker
354 4, 19| verstandig is, en veracht een nuttige raad nimmer.~
355 3, 6 | worden. Want het is mij nuttiger te sterven dan te leven,
356 4, 6 | zijn geboden overtreden, oefen gerechtigheid al de dagen
357 1, 5 | huis Naftali, mijns vaders, offerden het kalf Baäl.~
358 1, 5 | al de stammen daar zouden offeren, en de tempel der woning
359 13, 20| karbonkel, en stenen uit Ofir bestraat worden, en al haar
360 4, 16| zijt voorzichtig in al uw omgang, en doe niemand hetgeen
361 12, 13| was mij uw goeddoen niet onbekend, maar ik was bij u.~
362 14, 17| stierf hoorde hij nog de ondergang van Nineve, welke Nabuchodonosor
363 2, 11| hielpen mij niet en Achiachar onderhield mij, totdat ik vertrokken
364 3, 4 | Want zij zijn uw geboden ongehoorzaam geweest, en gij hebt ons
365 13, 4 | zal ons kastijden in onze ongerechtigheden, en zal zich weder onzer
366 1, 18| En zijn handelingen waren ongestadig, en ik kon niet meer naar
367 4, 14| hovaardigheid is verderf en veel ongestadigheid, en in trotsheid vermindering
368 2, 10| het begraven, en dewijl ik onrein was, sliep ik aan de muur
369 3, 6 | geest van mij neme, opdat ik ontbonden mag zijn en tot aarde worden.
370 2, 10| voorplaats en mijn aangezicht was ontdekt, en ik wist niet dat er
371 13, 2 | koninkrijk. Want hij kastijdt en ontfermt; hij legt neder in de hel,
372 12, 16| 16 En zij werden beiden ontroerd en vielen op het aangezicht,
373 2, 15| 15 En ik werd zeer ontsteld tegen haar, maar zij, antwoordende,
374 5, 4 | loon geven, en trek heen, ontvang het geld.~
375 7, 19| daar, en zij weende, en ontving ook de tranen van haar dochter,~
376 7, 9 | 9 En zij ontvingen hen vriendelijk, en slachtten
377 13, 2 | niemand die zijn hand zal ontvluchten.~
378 3, 3 | naar mijn zonden en mijn onwetendheid, noch naar de zonden mijner
379 3, 2 | waarachtig en rechtvaardig oordeel in der eeuwigheid.~
380 3, 2 | barmhartigheid en waarheid, en gij oordeelt een waarachtig en rechtvaardig
381 3, 5 | 5 En nu Here uw oordelen zijn vele en waarachtig:
382 14, 7 | zullen Jeruzalem kostelijk opbouwen; en het huis Gods zal daarin
383 12, 8 | heerlijk dat men de werken Gods openbaart. Doet goed, en het kwaad
384 11, 7 | dat uw vader zijn ogen zal opendoen.~
385 8, 12| als de dienstmaagd de deur opengedaan had, ging zij in, en vond
386 2, 11| 11 En mijn ogen opgedaan zijnde, zo wierpen de mussen
387 3, 6 | worde van deze nood, en opgenomen worde in de eeuwige plaatsen,
388 14, 10| heeft aan Achiachar, die hem opgevoed had; hoe hij hem uit het
389 3, 25| dochter van Raguël, van haar opperzolder afgekomen.~
390 12, 3 | insgelijks genezen; en de oude man zeide: Hem zal recht
391 4, 13| Jakob zijn onze vaderen van ouds af; gedenk, kind, dat deze
392 5, 22| 22 En zij zijn zo overeengekomen.~
393 3, 4 | geweest, en gij hebt ons overgegeven tot roof, en in gevangenis,
394 1, 23| geworden, en mij is niets overgelaten dan Anna mijn huisvrouw,
395 8, 18| zijn vader trekken, en het overige zeide hij zal u geworden,
396 3, 5 | en mijner vaderen zonden, overmits wij uw geboden niet hebben
397 4, 6 | zondigen noch zijn geboden overtreden, oefen gerechtigheid al
398 4, 20| zijn mogen, en dat al uw paden en uw raadslagen goede voortgang
399 10, 13| dochter over als een vertrouwd pand, bedroef haar niet. Daarna
400 2, 2 | 2 Op het feest van Pinksteren, hetwelk is het heilig feest
401 3, 6 | opgenomen worde in de eeuwige plaatsen, en keer uw aangezicht van
402 3, 8 | gekomen als men bij de vrouwen pleegt.~
403 11, 18| God lovende, tot aan de poort van Nineve; en die hem zagen
404 12, 21| zagen hem niet meer. En zij prezen openlijk de grote en wonderlijke
405 1, 6 | eerste wol, en gaf deze de priesters, de zonen Aärons, voor het
406 13, 20| zeggen: Halleluja! en zullen prijs zingen, zeggende:~
407 2, 6 | En ik werd gedachtig der profetie van Amos gelijk hij gezegd
408 4, 20| en dat al uw paden en uw raadslagen goede voortgang mogen hebben.
409 1, 16| Gabriël, binnen de stad Rages in Medië.~
410 7, 9 | vriendelijk, en slachtten een ram van de schapen, en zetten
411 2, 14| niet gestolen? geeft het de rechte heer weder, want het is
412 1, 2 | welke gelegen is aan de rechter zijde der stad, eigenlijk
413 7, 9 | en hij stelde Raguël die rede voor.~
414 12, 7 | zijn naam verheffe, en de redenen der werken Gods eerbiedig
415 10, 1 | 1 EN Tobias, zijn vader, rekende elke dag; en als de dagen
416 1, 24| mijn broeder, over al de rekeningen zijns vaders, en over al
417 1, 25| zegelbewaarder, en huisverzorger, en rekenmeester, en Achirdonus stelde hem
418 8, 3 | 3 En als de duivel de reuk rook, zo vlood hij naar
419 6, 19| zult gij as nemen van het reukoffer, en zult daarop leggen van
420 8, 2 | Rafaël, en nam de as der reukofferen, en legde het hart en de
421 6, 21| zo staat beiden op, en roept de barmhartige God aan,
422 11, 6 | 6 En Anna zat en zag rondom naar haar zoon op de weg
423 3, 4 | hebt ons overgegeven tot roof, en in gevangenis, en ter
424 10, 5 | 5 En zeide: Och het rouwt mij, mijn kind, dat ik u
425 6, 20| 20 En de duivel zal het ruiken en zal vluchten, en zal
426 13, 18| 18 Want Jeruzalem zal met safyr, en smaragd, en met kostelijke
427 8, 8 | ontferme, en dat ik met haar samen oud mag worden. En zij zeide
428 7, 9 | slachtten een ram van de schapen, en zetten hun veel spijs
429 14, 6 | nabij om uit dit leven te scheiden, vertrek naar Medië, mijn
430 1, 25| Nineve. Achiachar nu was schenker, en zegelbewaarder, en huisverzorger,
431 6, 13| haar geslacht; en zij is schoon en verstandig.~
432 14, 15| begroef zijn schoonvader en schoonmoeder heerlijk, en erfde hun goed,
433 6, 2 | zich te wassen, en een vis schoot op uit de rivier.~
434 5, 25| hen. En Anna, zijn moeder, schreide, en sprak tot Tobias: Waarom
435 5, 29| keren; en zij hield op van schreien.~
436 12, 20| die mij gezonden heeft, en schrijf al wat geschied is in een
437 6, 14| Mozes, of hij zou des doods schuldig zijn, dewijl het u betaamt
438 5, 18| Jonathan, de zonen van de grote Semeï wel;~
439 3, 11| 11 Wat slaat gij ons om hunnentwil? indien
440 7, 9 | ontvingen hen vriendelijk, en slachtten een ram van de schapen,
441 8, 12| zij in, en vond hen beiden slapende.~
442 10, 11| helft van zijn goederen, slaven, en beesten, en geld.~
443 2, 10| en dewijl ik onrein was, sliep ik aan de muur van de voorplaats
444 8, 8 | zeide met hem Amen. En zij sliepen beiden de nacht over.~
445 3, 12| doen, zo zal het hem een smaad zijn, en ik zal zijn ouderdom
446 3, 23| ontferme, en geef dat ik geen smaadheid meer mag horen.~
447 3, 6 | te leven, dewijl ik valse smaadwoorden gehoord heb, en veel droefheid
448 7, 12| Ik zal hier geen spijs smaken, totdat gij hier zult staan,
449 13, 18| Jeruzalem zal met safyr, en smaragd, en met kostelijke stenen
450 3, 12| ik zal zijn ouderdom met smart in het graf brengen.~
451 6, 6 | de engel zeide tot hem: Snijd de vis in stukken, en neem
452 7, 9 | Rafaël: Broeder Azarias, spreek nul van hetgeen waarvan
453 3, 4 | en ter dood, en tot een spreekwoord der versmading alle de volken,
454 13, 9 | 9 Dat een ieder spreke, en hem dankzegge in gerechtigheid.~
455 6, 12| genaamd Sara; ik zal om haar spreken, opdat zij u tot een huisvrouw
456 8, 4 | op van het bed, en zeide: Sta op, zuster, en laat ons
457 6, 21| tot haar zult ingaan, zo staat beiden op, en roept de barmhartige
458 10, 12| geve u voorspoed, eer ik sterve. En hij zeide tot zijn dochter:
459 8, 6 | zijn vrouw tot een hulp en steunsel gegeven; uit deze is het
460 7, 11| tot haar zouden ingaan, stierven zij tegen die nacht. Maar
461 11, 10| kwam uit naar de deur en stiet zich daaraan; doch zijn
462 5, 25| weggezonden, en is hij niet de stok van onze hand, als hij uit
463 12, 21| 21 En zij stonden op, en zagen hem niet meer.
464 8, 16| huisknechten het graf te stoppen.~
465 13, 20| 20 En de straten van Jeruzalem zullen met
466 11, 10| en greep zijn vader; en streek de gal op de ogen zijns
467 11, 8 | 8 Strijk gij de gal in zijn ogen,
468 6, 6 | tot hem: Snijd de vis in stukken, en neem het hart, en de
469 13, 11| der eeuwigheid, opdat zijn tabernakel weder met vreugde in u mag
470 4, 12| degenen, die deze doen, in de tegenwoordigheid des Allerhoogsten.~
471 9, 4 | 4 En mijn vader telt de dagen.~
472 1, 5 | daar zouden offeren, en de tempel der woning van de Allerhoogste
473 3, 7 | 7 Even ten zelfden dage gebeurde het,
474 8, 17| hij niet zou vertrekken, tenzij de veertien dagen der bruiloft
475 4, 15| vernachten, maar geef hem dat terstond, en zo gij God gediend hebt,
476 5, 4 | een man, die met u trekke, terwijl ik leef, en ik zal hem loon
477 11, 9 | Kind, ik heb u gezien, thans wil ik wel sterven; en zij
478 1, 2 | koning der Assyriërs, uit Thisbe: welke gelegen is aan de
479 6, 1 | tegen de avond aan de rivier Tigris, en vernachtten aldaar.~
480 4, 20| 20 Loof de Here te allen tijde, en begeer van hem dat uw
481 14, 7 | het eerste was, totdat de tijden der wereld zullen vervuld
482 13, 13| en zullen u vervrolijking toebrengen.~
483 12, 1 | bovendien moet hem nog iets toegelegd worden.~
484 7, 12| zult staan, en, het mij toegestaan zult hebben. Raguël zeide:
485 3, 25| binden, aangezien het Tobias toekwam haar tot een erve te verkrijgen.
486 5, 21| boven het loon u nog wat toeleggen, indien gijlieden gezond
487 1, 21| doodde er velen in zijn toorn) en de lichamen werden door
488 13, 19| 19 En uw muren, en uw torens en bolwerken met zuiver
489 7, 19| weende, en ontving ook de tranen van haar dochter,~
490 2, 7 | worden, en al uw vreugde in treurgeschrei. En ik weende.~
491 2, 5 | mij, en at mijn brood met treurigheid.~
492 11, 5 | 5 En zij trokken heen, en de hond kwam mede
493 5, 11| welke stam hij is, en of hij trouw is om met u te reizen; en
494 4, 4 | dat zij veel gevaar heeft uitgestaan om uwentwil in haar lichaam,~
495 4, 20| laat die uit uw hart niet uitgewist worden.~
496 3, 25| 25 En Rafaël werd uitgezonden om deze twee te genezen:
497 1, 4 | Gods te Jeruzalem, hetwelk uitverkoren was, uit alle stammen Israëls,~
498 8, 14| en al uw engelen, en uw uitverkorenen; loven moeten zij u in alle
499 11, 8 | wrijven, en de witte schellen uitwerpen, en hij zal u zien.~
500 12, 12| bracht ik de gedachtenis van ulieder gebed voor het aangezicht
|