26-ulied | uwent-zulks
Chapter, Verse
501 4, 4 | gevaar heeft uitgestaan om uwentwil in haar lichaam,~
502 3, 6 | dan te leven, dewijl ik valse smaadwoorden gehoord heb,
503 2, 14| blaten; en ik zeide tot haar: Vanwaar komt dit bokje, is het niet
504 12, 9 | 9 Het gebed met vasten, en aalmoezen, en gerechtigheid
505 6, 5 | 5 En de jongeling vatte de vis en wierp hem op het
506 5, 19| de eerstgeborenen van het vee en de tienden der vruchten.~
507 1, 21| hem, (want hij doodde er velen in zijn toorn) en de lichamen
508 3, 13| 13 En zij bad aan het venster en zeide:~
509 2, 7 | feestdagen zullen in leeddragen veranderd worden, en al uw vreugde
510 1, 22| dat ik deze begroef, en ik verbergde mij, en verstaande dat ik
511 14, 17| ingenomen hadden, en hij verblijdde zich over Nineve, eer hij
512 12, 11| gezegd, dat het goed is de verborgenheden eens konings bedekt te houden,
513 12, 8 | Want het is goed dat men de verborgenheid eens konings bedekt houdt,
514 14, 6 | het huis Gods daarin zal verbrand worden, en zal woest zijn
515 4, 14| Want in de hovaardigheid is verderf en veel ongestadigheid,
516 12, 9 | dan goud tot een schat vergaderen. Want aalmoes verlost van
517 4, 10| 10 Want gij vergadert uzelf een goede weggelegde
518 14, 11| doch hijzelf heeft zijn vergelding gekregen, en is in de duisternis
519 14, 10| gebracht heeft; en wat hij hem vergolden heeft.~
520 3, 12| zodat zij zich meende te verhangen, doch zij zeide: Ik ben
521 12, 7 | men God love en zijn naam verheffe, en de redenen der werken
522 13, 3 | zijn grote heerlijkheid, en verheft hem voor het aanschijn van
523 8, 14| zijt gij, dat gij mij hebt verheugd, en dat mij niet is geschied,
524 13, 12| En hij de gevangenen in u verheuge, en de ellendigen in u liefhebbe,
525 10, 13| mijn dochter, opdat ik mij verheugen mag voor de Here. En zie
526 13, 1 | Tobias schreef een gebed tot verheuging en sprak:~
527 13, 21| Geloofd zij God, die ons verheven heeft in alle eeuwigheid.~
528 14, 8 | belijden, en God zal zijn volk verhogen; en allen die God de Here
529 3, 24| gebed dezer beiden werd verhoord voor de heerlijkheid des
530 1, 7 | dienden, en de tweede tienden verkocht ik, en reisde heen, en besteedde
531 3, 25| toekwam haar tot een erve te verkrijgen. Op dezelfde tijd dan is
532 12, 13| staan, en uw middagmaal te verlaten, opdat gij heengingt en
533 5, 20| 20 En zij zijn niet verleid geworden tot de afdwaling
534 14, 2 | oud, toen hij het gezicht verloor.~
535 7, 7 | dat Tobias zijn ogen had verloren, werd hij bedroefd en weende.~
536 3, 16| gezegd, dat gij mij zoudt verlossen van de aarde, en dat ik
537 4, 14| ongestadigheid, en in trotsheid vermindering en groot gebrek, want de
538 4, 15| u gearbeid heeft, bij u vernachten, maar geef hem dat terstond,
539 9, 6 | En Rafaël reisde heen, en vernachtte bij Gabaël, en gaf hem het
540 6, 1 | aan de rivier Tigris, en vernachtten aldaar.~
541 4, 20| goed, en zo wie hij wil vernedert hij, gelijk het hem belieft.
542 13, 13| 13 Vele volken zullen van verre komen tot de naam Gods,
543 6, 3 | En hij wilde de jongeling verslinden.~
544 3, 16| aarde, en dat ik niet meer versmaadheid moge horen.~
545 3, 4 | tot een spreekwoord der versmading alle de volken, waaronder
546 5, 11| hem tot mij, opdat ik mag verstaan van welke stam hij is, en
547 1, 22| en ik verbergde mij, en verstaande dat ik gezocht werd, om
548 3, 9 | wijs, gij die uw mannen verstikt?~
549 10, 3 | omgekomen, dewijl hij zo lang vertoeft.~
550 13, 6 | heerlijkheid het zondige volk vertonen.~
551 13, 3 | onder deze heeft verstrooid; vertoont daar zijn grote heerlijkheid,
552 12, 7 | eerbiedig aanwijze; daarom vertraagt niet hem te danken.~
553 8, 17| waren, dat hij niet zou vertrekken, tenzij de veertien dagen
554 10, 13| mijn dochter over als een vertrouwd pand, bedroef haar niet.
555 13, 14| 14 Vervloekt moeten zij allen zijn, die
556 13, 15| 15 Verblijd u, en vervrolijk u over de kinderen der rechtvaardigen,
557 13, 16| aanschouwd, en zullen zich vervrolijken in der eeuwigheid.~
558 13, 13| zullen u prijzen, en zullen u vervrolijking toebrengen.~
559 14, 6 | geschieden zal, en dat het verwoest zal worden, (doch in Medië
560 11, 18| en die hem zagen gaan, verwonderden zich dat hij zag. En Tobias
561 2, 3 | een uit ons geslacht ligt verworgd en geworpen op de markt.~
562 12, 9 | doen, zullen met het leven verzadigd worden.~
563 9, 7 | de zakjes tot hem, zo zij verzegeld waren, en gaf ze hem.~
564 7, 16| schreef een handschrift en verzegelde dat.~
565 1, 25| 25 En Achiachar verzocht het voor mij, en ik kwam
566 12, 16| werden beiden ontroerd en vielen op het aangezicht, want
567 12, 10| Maar die zondigen, zijn vijanden van hun eigen leven.~
568 1, 24| 24 En daar gingen geen vijfenvijftig dagen voorbij, dat twee
569 14, 2 | 2 En was acht en vijftig jaren oud, toen hij het
570 1, 24| zonen hem doodden, en zij vloden op de gebergten Ararat,
571 8, 3 | duivel de reuk rook, zo vlood hij naar de bovenste delen
572 6, 20| duivel zal het ruiken en zal vluchten, en zal in alle eeuwigheid
573 14, 5 | 5 En hij voer voort God de Here te vrezen,
574 8, 15| Here, barmhartigheid en voleindig hun leven in gezondheid,
575 10, 9 | veertien dagen der bruiloft voleindigd waren, welke Raguël gezworen
576 8, 14| dat mij niet is geschied, volgens hetgeen ik gedacht had.
577 4, 14| de zonen en dochteren uws volks, om uit hen voor uzelf een
578 1, 24| geen vijfenvijftig dagen voorbij, dat twee van zijn zonen
579 6, 16| sterven zal, gelijk als de voorgaanden, dewijl een duivel haar
580 5, 26| 26 Och of dat geld nooit voorgekomen ware, maar dat hetgeen wij
581 2, 10| sliep ik aan de muur van de voorplaats en mijn aangezicht was ontdekt,
582 10, 12| de God des hemels geve u voorspoed, eer ik sterve. En hij zeide
583 3, 21| omgekomen; waartoe dient mij dan voortaan het leven?~
584 4, 20| paden en uw raadslagen goede voortgang mogen hebben. Want geen
585 4, 21| 21 En nu voorts wijs ik u aan de tien talenten
586 2, 9 | om dier zake wil; hij is voortvluchtig geweest, en ziet, wederom
587 11, 3 | 3 Laat ons vooruit lopen voor uw vrouw, en
588 4, 16| in al uw werken, en zijt voorzichtig in al uw omgang, en doe
589 4, 13| uwer vaderen, en neem geen vreemde vrouw, die niet is uit de
590 12, 16| het aangezicht, want zij vreesden.~
591 7, 9 | 9 En zij ontvingen hen vriendelijk, en slachtten een ram van
592 2, 12| maakte handwerk van wol in de vrouwenkameren.~
593 10, 7 | dagen buiten op de weg, waarlangs hij vertrokken was.~
594 3, 4 | versmading alle de volken, waaronder wij verstrooid zijn.~
595 10, 5 | heb laten gaan, die toch waart het licht van mijn ogen.~
596 3, 21| er mij reeds omgekomen; waartoe dient mij dan voortaan het
597 7, 9 | spreek nul van hetgeen waarvan gij gezegd hebt op de weg,
598 2, 2 | gedenkt, en ziet, ik zal op u wachten.~
599 4, 6 | de dagen uws levens, en wandel niet in de wegen der ongerechtigheid.
600 5, 26| dat geld nooit voorgekomen ware, maar dat hetgeen wij bijeengeschraapt
601 6, 2 | jongeling klom neder om zich te wassen, en een vis schoot op uit
602 12, 3 | Want hij heeft mij u gezond wedergebracht en mijn vrouw genezen, en
603 3, 25| dezelfde tijd dan is Tobias wedergekeerd, en in zijn huis gekomen,
604 2, 5 | 5 En wederkerende wies ik mij, en at mijn
605 6, 20| in alle eeuwigheid niet wederkomen.~
606 2, 9 | voortvluchtig geweest, en ziet, wederom begraaft hij de dode.~
607 1, 4 | geslacht Naftali, mijns vaders, week af van het huis Gods te
608 4, 15| gediend hebt, het zal u weergegeven worden.~
609 1, 8 | dewijl ik van mijn vader wees was gelaten.~
610 4, 10| vergadert uzelf een goede weggelegde schat, tegen de dag des
611 5, 25| Waarom hebt gij ons kind weggezonden, en is hij niet de stok
612 4, 9 | hebt, vrees niet naar het weinige aalmoezen te doen.~
613 2, 2 | het heilig feest der zeven weken, zo werd mij een goed middagmaal
614 14, 9 | rechtvaardig, opdat het u welga; en begraaf mij heerlijk
615 4, 6 | zult handelen, zo zal het welgaan in uw werken, en met al
616 5, 13| Broeder uit welke stam en uit welk geslacht zijt gij? geef
617 4, 14| heb uw broederen lief, en wend u niet hovaardig in uw hart
618 4, 18| 18 Werp uw brood overvloedig over
619 8, 11| begraven, en het niemand wete.~
620 14, 6 | en Jeruzalem zal woest wezen, en het huis Gods daarin
621 6, 5 | jongeling vatte de vis en wierp hem op het land.~ groot~
622 2, 11| ogen opgedaan zijnde, zo wierpen de mussen hete mest in mijn
623 2, 5 | 5 En wederkerende wies ik mij, en at mijn brood
624 13, 20| bestraat worden, en al haar wijken zullen zeggen: Halleluja!
625 4, 16| hetgeen hij haat. Drink geen wijn tot dronkenschap, en laat
626 1, 9 | geslacht, tot een huisvrouw, en won uit haar Tobias.~
627 12, 21| prezen openlijk de grote en wonderlijke werken Gods, hoe de engel
628 1, 5 | offeren, en de tempel der woning van de Allerhoogste was
629 5, 24| en God die in de hemel woont, zal uw weg voorspoedig
630 11, 10| en als zij gebeten waren, wreef hij zijn ogen, en de witte
631 3, 3 | mijner en zie mij aan, en wreek u niet over mij naar mijn
632 11, 8 | het hem bijt zo zal hij ze wrijven, en de witte schellen uitwerpen,
633 2, 9 | gedood te worden, om dier zake wil; hij is voortvluchtig
634 9, 7 | 7 Deze nu bracht de zakjes tot hem, zo zij verzegeld
635 9, 8 | morgens vroeg gingen zij te zamen, en kwamen tot de bruiloft.
636 11, 6 | 6 En Anna zat en zag rondom naar haar
637 1, 25| Achiachar nu was schenker, en zegelbewaarder, en huisverzorger, en rekenmeester,
638 6, 19| 19 Want deze zelfde nacht zal zij u tot een
639 3, 7 | 7 Even ten zelfden dage gebeurde het, dat Sara,
640 8, 11| 11 Zend een der dienstmaagden, en
641 10, 11| en ik zal tot uw vader zenden, en zal hem laten weten,
642 14, 6 | riep zijn zoon, en zijn zes kleinzonen, en zeide tot
643 1, 24| koning in zijn plaats. En hij zette Achiachar, de zoon van Anaël,
644 7, 9 | een ram van de schapen, en zetten hun veel spijs voor. Maar
645 4, 2 | 2 En hij zeide bij zichzelf: Ik heb om de dood gebeden,
646 1, 2 | gelegen is aan de rechter zijde der stad, eigenlijk Naftali
647 14, 7 | het huis bouwen, maar niet zodanig als het eerste was, totdat
648 3, 12| werd zij zeer bedroefd, zodat zij zich meende te verhangen,
649 5, 5 | ging heen om een man te zoeken, en hij vond Rafaël,~
650 5, 14| 14 En hij zeide tot hem: Zoekt gij een stam of geslacht,
651 2, 13| 13 En zond dat de heren toe, en zij
652 13, 7 | 7 Keert weder gij zondaars, en doet gerechtigheid voor
653 4, 18| rechtvaardigen, en geef het niet de zondaren.~
654 13, 6 | en grote heerlijkheid het zondige volk vertonen.~
655 2, 14| het de heren weder geven zoude.~
656 8, 14| zijt gij, o God, met alle zuivere en heilige lof; loven moeten
657 12, 9 | verlost van de dood en zij zuivert alle zonde af. Die aalmoezen
658 5, 27| 27 Want zulks als ons van de Here gegeven
|