|
4
1
OP die dag werd Tobias indachtig het geld, dat hij Gabaël te Ragis in Medië, in
bewaring gegeven had.
2
En hij zeide bij zichzelf: Ik heb om de dood gebeden, waarom roep ik dan Tobias
mijn zoon niet, opdat ik het hem te kennen geve, eer ik sterf? En hem geroepen
hebbende, zeide hij:
3
Kind, indien ik sterf, zo begraaf mij, en veracht uw moeder niet; eer haar al
de dagen uws levens, en doe wat haar behaaglijk is, en bedroef haar niet.
4
Gedenk, kind, dat zij veel gevaar heeft uitgestaan om uwentwil in haar lichaam,
5
Wanneer zij zal gestorven zijn, zo begraaf haar nevens mij in één graf.
6 Gedenk, kind, alle tijd de Here onze
God, en wil niet zondigen noch zijn geboden overtreden, oefen gerechtigheid al
de dagen uws levens, en wandel niet in de wegen der ongerechtigheid. Want als gij oprechtelijk zult
handelen, zo zal het welgaan in uw werken, en met al degenen die de
gerechtigheid doen.
7
Doe aalmoezen van hetgeen gij hebt, en uw oog zij niet nijdig als gij aalmoezen
doet, en keer uw aangezicht niet af van enige arme, en het aangezicht Gods zal
zich van u niet afkeren.
8
Naar dat gij hebt, doe aalmoezen naar de menigte der dingen.
9
Zo gij weinig hebt, vrees niet naar het weinige aalmoezen te doen.
10
Want gij vergadert uzelf een goede weggelegde schat, tegen de dag des noods.
11
Dewijl de aalmoes van de dood verlost, en niet in de duisternis laat komen.
12
Want aalmoes is een goede gift, voor al degenen, die deze doen, in de
tegenwoordigheid des Allerhoogsten.
13
Kind, wacht u van alle hoererij, en neem u een vrouw van het zaad uwer vaderen,
en neem geen vreemde vrouw, die niet is uit de stam uws vaders, dewijl wij
kinderen der profeten zijn. Noach, Abraham, Izaäk, Jakob zijn onze vaderen van
ouds af; gedenk, kind, dat deze allen vrouwen genomen hebben uit hun broederen,
en zij zijn gezegend in hun kinderen, en hun zaad zal het aardrijk beërven.
14
En nu, kind, heb uw broederen lief, en wend u niet hovaardig in uw hart van uw
broederen, en de zonen en dochteren uws volks, om uit hen voor uzelf een
huisvrouw te nemen. Want in de hovaardigheid is verderf en veel ongestadigheid,
en in trotsheid vermindering en groot gebrek, want de trotsheid is een moeder
des hongers.
15
En laat het loon van geen mens, die voor u gearbeid heeft, bij u vernachten,
maar geef hem dat terstond, en zo gij God gediend hebt, het zal u weergegeven
worden.
16
Kind, heb acht op uzelf in al uw werken, en zijt voorzichtig in al uw omgang,
en doe niemand hetgeen hij haat. Drink geen wijn tot dronkenschap, en laat geen
dronkenschap met u reizen op uw weg.
17
Geef van uw brood degene die honger heeft, en van uw klederen hun die naakt
zijn. Alles wat gij overvloedig hebt, geef dat tot aalmoezen, en uw oog benijde
het niet, wanneer gij aalmoezen geeft.
18
Werp uw brood overvloedig over het graf der rechtvaardigen, en geef het niet de
zondaren.
19
Zoek raad bij een ieder die verstandig is, en veracht een nuttige raad nimmer.
20
Loof de Here te allen tijde, en begeer van hem dat uw wegen recht zijn mogen,
en dat al uw paden en uw raadslagen goede voortgang mogen hebben. Want geen
volk heeft raad bij zich; maar de Here zelf geeft al het goed, en zo wie hij
wil vernedert hij, gelijk het hem belieft. En nu kind, gedenk mijn geboden, en
laat die uit uw hart niet uitgewist worden.
21
En nu voorts wijs ik u aan de tien talenten zilvers, die ik aan Gabaël, de zoon
van Gabrias te Ragis in Medië, te bewaren gegeven heb, en vrees niet, kind,
omdat wij arm geworden zijn; gij hebt veel, indien gij God vreest, en afstaat
van alle zonde, en doet hetgeen behaaglijk is voor hem.
|