|
8
1
EN als zij nu het avondmaal geëindigd hadden, zo brachten zij Tobias tot haar.
2
En als hij ging, dacht hij aan de woorden van Rafaël, en nam de as der
reukofferen, en legde het hart en de lever van de vis daarop en maakte rook.
3
En als de duivel de reuk rook, zo vlood hij naar de bovenste delen van Egypte,
en de engel bond hem daar.
4
En als zij nu beiden bij elkander gesloten waren, stond Tobias op van het bed,
en zeide: Sta op, zuster, en laat ons bidden, opdat zich de Here onzer
ontferme.
5
En Tobias begon te zeggen: Gezegend zijt gij, o God onzer vaderen, en geloofd
zij uw naam, die heilig en heerlijk is in der eeuwigheid, u moeten de hemelen
loven, en al uw schepselen.
6
Gij hebt Adam gemaakt, en gij hebt hem Eva zijn vrouw tot een hulp en steunsel
gegeven; uit deze is het geslacht der mensen geboren. Gij hebt gezegd, het is
niet goed dat de mens alleen zij, laat ons hem een hulp maken, die hem gelijk
zij.
7
En nu Here, niet om hoererij neem ik deze mijn zuster, maar in oprechtheid.
8
Beveel dan dat men mijner ontferme, en dat ik met haar samen oud mag worden. En
zij zeide met hem Amen. En zij sliepen beiden de nacht over.
9
En Raguël stond op, en ging heen, en groef een graf, zeggende: Zou ook deze
niet zijn gestorven?
10
En Raguël kwam in zijn huis, en zeide tot Edna zijn vrouw:
11
Zend een der dienstmaagden, en laat haar zien of hij leeft; en indien niet, dat
ik hem mag begraven, en het niemand wete.
12
En als de dienstmaagd de deur opengedaan had, ging zij in, en vond hen beiden
slapende.
13
En zij kwam weder uit, en boodschapte hun, dat hij leefde.
14
En Raguël loofde God, zeggende: Geloofd zijt gij, o God, met alle zuivere en
heilige lof; loven moeten u uw heiligen, en al uw schepselen, en al uw engelen,
en uw uitverkorenen; loven moeten zij u in alle eeuwigheid. Geloofd zijt gij,
dat gij mij hebt verheugd, en dat mij niet is geschied, volgens hetgeen ik
gedacht had. Maar gij hebt met ons gehandeld naar uw grote barmhartigheid.
15
Geloofd zijt gij, dat gij u hebt ontfermd over deze twee eniggeborenen; bewijs
hun, o Here, barmhartigheid en voleindig hun leven in gezondheid, met vreugde
en barmhartigheid.
16
En hij beval de huisknechten het graf te stoppen.
17
En hij bereidde hun een bruiloft van veertien dagen, en Raguël zeide tot hem
met ede, eer de dagen der bruiloft geëindigd waren, dat hij niet zou
vertrekken, tenzij de veertien dagen der bruiloft volbracht zouden zijn.
18
En dan zou hij de helft van zijn goederen tot zich nemen, en met gezondheid tot
zijn vader trekken, en het overige zeide hij zal u geworden, wanneer ik en mijn
vrouw zullen gestorvan zijn,
|