1-500 | 501-999
Chapter, Verse
1 1, 2 | 2 En bouwde rondom Ecbatana muren
2 1, 2 | ellen waren in de breedte, en zes ellen in de lengte;
3 1, 2 | zes ellen in de lengte; en maakte de hoogte des muurs
4 1, 2 | des muurs zeventig ellen, en zijn breedte vijftig ellen;~
5 1, 3 | 3 En stelde zijn torens op de
6 1, 4 | 4 En legde het fundament van
7 1, 5 | 5 En maakte haar poorten verheven
8 1, 5 | hoogte van zeventig ellen, en dezer poorten breedte van
9 1, 5 | van zijn machtige legers, en tot de ordeningen van zijn
10 1, 6 | 6 En de koning Nabuchodonosor
11 1, 6 | is aan de landpale Ragan; en bij hem voegden zich allen,
12 1, 6 | aan dat gebergte woonden, en allen die woonden aan de
13 1, 6 | woonden aan de Eufraat, en aan de Tiger, en aan de
14 1, 6 | Eufraat, en aan de Tiger, en aan de Hydaspes, en in het
15 1, 6 | Tiger, en aan de Hydaspes, en in het platte land van Arioch,
16 1, 6 | de koning der Elymeërs, en zeer vele volken der kinderen
17 1, 7 | 7 En Nabuchodonosor, de koning
18 1, 7 | allen die in Perzië woonden, en tot allen die tegen het
19 1, 7 | tegen het westen woonden, en die in Cilicië en Damaskus
20 1, 7 | woonden, en die in Cilicië en Damaskus woonden, en op
21 1, 7 | Cilicië en Damaskus woonden, en op de berg Libanon en Antilibanon,
22 1, 7 | woonden, en op de berg Libanon en Antilibanon, en allen die
23 1, 7 | Libanon en Antilibanon, en allen die woonden langs
24 1, 8 | volken van de berg Karmel, en van Gilead, en tot Opper-Galilea,
25 1, 8 | berg Karmel, en van Gilead, en tot Opper-Galilea, en het
26 1, 8 | Gilead, en tot Opper-Galilea, en het grote veld Esdrelon.~
27 1, 9 | 9 En tot allen die in Samaria
28 1, 9 | allen die in Samaria waren, en tot hun steden, en over
29 1, 9 | waren, en tot hun steden, en over de Jordaan tot Jeruzalem
30 1, 9 | Jordaan tot Jeruzalem toe, en Bethane, en Chellus, en
31 1, 9 | Jeruzalem toe, en Bethane, en Chellus, en Kades, en de
32 1, 9 | en Bethane, en Chellus, en Kades, en de rivier van
33 1, 9 | Bethane, en Chellus, en Kades, en de rivier van Egypte, en
34 1, 9 | en de rivier van Egypte, en Tafnesa, en Ramesse, en
35 1, 9 | van Egypte, en Tafnesa, en Ramesse, en het gehele land
36 1, 9 | en Tafnesa, en Ramesse, en het gehele land Gesem,~
37 1, 10| overzijde van het gebergte Tanis en Memfis, en tot allen, die
38 1, 10| gebergte Tanis en Memfis, en tot allen, die in Egypte
39 1, 11| de koning der Assyriërs, en zij kwamen bij hem niet
40 1, 11| voor hen als een enig man, en deden zijn boden ledig van
41 1, 12| 12 En Nabuchodonosor werd zeer
42 1, 12| verstoord tegen al dat land; en hij zwoer bij zijn troon
43 1, 12| hij zwoer bij zijn troon en zijn koninkrijk, dat hij
44 1, 12| de landpalen van Cilicië, en Damaskus, en Syrië, en dat
45 1, 12| van Cilicië, en Damaskus, en Syrië, en dat hij met het
46 1, 12| en Damaskus, en Syrië, en dat hij met het zwaard zou
47 1, 12| inwoners van het land Moab, en de kinderen van Ammon, en
48 1, 12| en de kinderen van Ammon, en geheel Judea, en allen die
49 1, 12| Ammon, en geheel Judea, en allen die in Egypte waren,
50 1, 13| 13 En hij is met zijn macht in
51 1, 13| in het zeventiende jaar, en hij verkreeg de overhand
52 1, 13| overhand in deze zijn krijg en versloeg de ganse macht
53 1, 13| ganse macht van Arfaxad, en al zijn ruiterij en zijn
54 1, 13| Arfaxad, en al zijn ruiterij en zijn wagenen, en vermeesterde
55 1, 13| ruiterij en zijn wagenen, en vermeesterde zijn steden.~
56 1, 14| 14 En kwam tot Ecbatana toe, en
57 1, 14| En kwam tot Ecbatana toe, en nam de torens in, en verwoestte
58 1, 14| toe, en nam de torens in, en verwoestte haar straten,
59 1, 14| verwoestte haar straten, en haar sieraad maakte hij
60 1, 15| 15 En hij ving Arfaxad in de gebergten
61 1, 15| Arfaxad in de gebergten Ragan, en doorschoot hem met zijn
62 1, 15| doorschoot hem met zijn pijlen, en verdierf hem tot die dag
63 1, 16| 16 En hij keerde met hen weder
64 1, 16| hen weder naar Nineve, hij en al zijn leger, uit vele
65 1, 16| menigte van krijgslieden; en hij was daar ledig, en hield
66 1, 16| en hij was daar ledig, en hield maaltijden, hij en
67 1, 16| en hield maaltijden, hij en zijn leger, honderdentwintig
68 2, 1 | 1 EN in het achttiende jaar,
69 2, 2 | 2 En hij riep al zijn dienstknechten,
70 2, 2 | al zijn dienstknechten, en al zijn groten bijeen, en
71 2, 2 | en al zijn groten bijeen, en hij stelde hun voor de verborgenheid
72 2, 2 | verborgenheid van zijn raad, en hij verhaalde met zijn eigen
73 2, 3 | 3 En deze oordeelden, dat men
74 2, 4 | 4 En het geschiedde, als hij
75 2, 4 | die de tweede na hem was, en hij zeide tot hem:~
76 2, 5 | mijn aangezicht uitgaan, en gij zult met u nemen mannen
77 2, 5 | sterkte betrouwen, tot honderd en twintig duizend voetknechten,
78 2, 5 | twintig duizend voetknechten, en een menigte paarden met
79 2, 5 | ruiters, tot twaalfduizend; en gij zult uittrekken tegen
80 2, 5 | ongehoorzaam zijn geweest; en zult hen ontbieden, dat
81 2, 5 | ontbieden, dat zij mij aarde en water zullen toebereiden,
82 2, 5 | uittrekken in mijn toorn, en ik zal het ganse aangezicht
83 2, 5 | voeten van mijn heerleger, en ik zal hen die overgeven
84 2, 5 | overgeven tot een roof; en hun gekwetsten zullen hun
85 2, 5 | gekwetsten zullen hun valleien en waterbeken vullen, en de
86 2, 5 | valleien en waterbeken vullen, en de overvloeiende rivier
87 2, 5 | hun doden vervuld worden, en ik zal hun gevangenen voeren
88 2, 5 | al hun landpalen innemen, en zij zullen zich aan u overgeven,
89 2, 5 | zullen zich aan u overgeven, en gij zult mij die bewaren
90 2, 6 | hen overgeven tot de dood, en tot een roof in al uw land;
91 2, 6 | want zo zeker als ik leef, en de macht mijns koninkrijks,
92 2, 6 | ook doen door mijn hand; en gij zult niet een der woorden
93 2, 6 | gelijk ik u bevolen heb, en gij zult niet vertragen
94 2, 7 | 7 En Holofernes ging uit van
95 2, 7 | het aanschijn zijns heren, en riep al de machtigen, en
96 2, 7 | en riep al de machtigen, en de krijgsoversten, en de
97 2, 7 | machtigen, en de krijgsoversten, en de hoofdlieden van het leger
98 2, 7 | het leger der Assyriërs, en telde uitgelezen mannen
99 2, 7 | honderdentwintigduizend, en twaalfduizend schutters
100 2, 8 | 8 En heeft hen in orde gesteld
101 2, 8 | krijgsvolk geordineerd wordt; en hij nam kemelen en ezelen
102 2, 8 | wordt; en hij nam kemelen en ezelen tot hun bagage, een
103 2, 8 | menigte; mitsgaders schapen en ossen en geiten tot hun
104 2, 8 | mitsgaders schapen en ossen en geiten tot hun voorraad,
105 2, 9 | 9 En een grote menigte koren
106 2, 10| 10 En hij nam goud en zilver uit
107 2, 10| 10 En hij nam goud en zilver uit des konings huis,
108 2, 11| 11 En hij begaf zich met zijn
109 2, 11| ganse leger op de uittocht, en trok heen voor de koning
110 2, 11| de koning Nabuchodonosor, en bedekte het gehele aangezicht
111 2, 11| westen met hun wagenen, en ruiters, en uitgelezen voetvolk;
112 2, 11| hun wagenen, en ruiters, en uitgelezen voetvolk; en
113 2, 11| en uitgelezen voetvolk; en veel gemengd volk kwam bij
114 2, 11| bij hen, als sprinkhanen, en als het zand der aarde,
115 2, 11| als het zand der aarde, en men kon hen niet tellen
116 2, 12| 12 En zij trokken uit van Nineve
117 2, 12| van het veld Bektileth; en hij sloeg zijn leger van
118 2, 12| ligt van Opper-Cilicië, en hij nam zijn geheel heerleger,
119 2, 12| heerleger, zijn voetknechten, en zijn ruiters, en zijn wagenen,
120 2, 12| voetknechten, en zijn ruiters, en zijn wagenen, en trok van
121 2, 12| ruiters, en zijn wagenen, en trok van daar naar het gebergte.~
122 2, 13| 13 En hij vernielde Pud en Lud,
123 2, 13| 13 En hij vernielde Pud en Lud, en beroofde alle kinderen
124 2, 13| hij vernielde Pud en Lud, en beroofde alle kinderen van
125 2, 13| alle kinderen van Gases, en de kinderen Ismaëls, die
126 2, 13| zuiden des lands Chellon, en hij trok over de Eufraat,
127 2, 13| hij trok over de Eufraat, en trok door Mesopotamië,~
128 2, 14| 14 En vernielde alle hoge steden
129 2, 15| 15 En hij nam de landpalen van
130 2, 15| landpalen van Cilicië in, en versloeg allen, die hem
131 2, 15| allen, die hem wederstonden, en kwam tot aan de landpalen
132 2, 15| Jafet, die tegen het zuiden en tegen Arabië liggen.~
133 2, 16| 16 En hij omringde al de kinderen
134 2, 16| de kinderen van Midian, en verbrandde hun woonhutten,
135 2, 16| verbrandde hun woonhutten, en beroofde hun stallingen,~
136 2, 17| 17 En hij daalde af in het veld
137 2, 17| dagen van de tarweoogst, en hij verbrandde al hun akkers,
138 2, 17| verbrandde al hun akkers, en hun klein en groot vee gaf
139 2, 17| hun akkers, en hun klein en groot vee gaf hij over om
140 2, 17| hij over om te vernielen, en plunderde hun steden, en
141 2, 17| en plunderde hun steden, en hun velden wande hij uit,
142 2, 17| hun velden wande hij uit, en sloeg al hun jonge mannen
143 2, 18| 18 En een vrees en beving voor
144 2, 18| 18 En een vrees en beving voor hem overviel
145 2, 18| die daar waren in Sidon en Tyrus, en die daar woonden
146 2, 18| waren in Sidon en Tyrus, en die daar woonden te Sur
147 2, 18| die daar woonden te Sur en Okina, en allen die daar
148 2, 18| woonden te Sur en Okina, en allen die daar woonden tot
149 2, 18| daar woonden tot Jemnaän; en die daar woonden in Azote
150 2, 18| die daar woonden in Azote en Askalon vreesden hem uitermate
151 3, 1 | 1 EN zij zonden gezanten tot
152 3, 2 | konings Nabuchodonosors, en liggen hier open voor u.~
153 3, 4 | Ziet, al onze landhuizen, en al onze plaatsen, en al
154 3, 4 | landhuizen, en al onze plaatsen, en al onze korenvelden, en
155 3, 4 | en al onze korenvelden, en al ons klein en groot vee,
156 3, 4 | korenvelden, en al ons klein en groot vee, en al de stallen
157 3, 4 | ons klein en groot vee, en al de stallen onzer woningen
158 3, 5 | 5 Ziet, ook onze steden, en die daarin wonen, zijn uw
159 3, 5 | wonen, zijn uw knechten; kom en handel met hen, gelijk het
160 3, 6 | 6 En die mannen zijn tot Holofernes
161 3, 6 | tot Holofernes gekomen, en hebben zulks geboodschapt
162 3, 7 | 7 En hij met zijn heerkracht
163 3, 8 | 8 En bezette de vaste steden,
164 3, 8 | bezette de vaste steden, en nam daaruit krijgsvolk aan
165 3, 9 | 9 En zij zelf, en het land dat
166 3, 9 | 9 En zij zelf, en het land dat rondom hen
167 3, 9 | ontvingen hem met kransen, reien en trommels.~
168 3, 10| 10 En hij verstoorde al hun landpalen
169 3, 10| verstoorde al hun landpalen en hieuw hun bossen af.~
170 3, 11| 11 En het was bij hem besloten,
171 3, 12| Nabuchodonosor, alleen zouden dienen, en alle tongen, en al hun geslachten
172 3, 12| dienen, en alle tongen, en al hun geslachten hem tot
173 3, 13| 13 En hij kwam in het gezicht
174 3, 14| 14 En hij sloeg zijn leger tussen
175 3, 14| sloeg zijn leger tussen Gaba en Scythopolis, en hij was
176 3, 14| tussen Gaba en Scythopolis, en hij was daar een ganse maand
177 4, 1 | 1 EN de kinderen Israëls, die
178 4, 1 | aan die volken gedaan had, en op wat wijze hij al hun
179 4, 1 | hij al hun tempels beroofd en deze overgegeven had om
180 4, 2 | 2 En zij werden uitermate bevreesd
181 4, 2 | uitermate bevreesd voor hem, en waren zeer bevreesd voor
182 4, 2 | voor de stad Jeruzalem, en de tempel des Heren huns
183 4, 2 | wedergekomen uit de gevangenis, en het ganse volk was kort
184 4, 2 | vergaderd geweest uit Judea; en de vaten en het altaar en
185 4, 2 | geweest uit Judea; en de vaten en het altaar en het huis Gods
186 4, 2 | en de vaten en het altaar en het huis Gods waren van
187 4, 3 | 3 En zij zonden in de ganse landpale
188 4, 3 | ganse landpale van Samarië, en in de vlekken, en naar Bethhoron
189 4, 3 | Samarië, en in de vlekken, en naar Bethhoron en Belmen,
190 4, 3 | vlekken, en naar Bethhoron en Belmen, en Jericho, en naar
191 4, 3 | naar Bethhoron en Belmen, en Jericho, en naar Choba,
192 4, 3 | Bethhoron en Belmen, en Jericho, en naar Choba, en Esora, en
193 4, 3 | Jericho, en naar Choba, en Esora, en naar het dal Salem,
194 4, 3 | en naar Choba, en Esora, en naar het dal Salem, en zij
195 4, 3 | en naar het dal Salem, en zij namen al de spitsen
196 4, 4 | 4 En zij maakten muren om hun
197 4, 4 | vlekken, die daarop waren, en beschikten koren tot voorraad
198 4, 5 | 5 En Joakim, de hogepriester,
199 4, 5 | de inwoners van Bethulië, en Bethemesch, welke tegenover
200 4, 5 | velds dat bij Dothaïm is, en beval dat zij de opgangen
201 4, 6 | de ingang was naar Judea, en het licht was te beletten
202 4, 6 | daar de toegang eng was, en uiterlijk voor twee mannen
203 4, 7 | 7 En de kinderen Israëls deden
204 4, 7 | de hogepriester Joakim, en de raad des gansen volk
205 4, 8 | 8 En al de mannen Israëls riepen
206 4, 8 | tot God met grote ernst, en verootmoedigden hun zielen
207 4, 8 | zielen met grote ernst, zij en hun vrouwen en hun kleine
208 4, 8 | ernst, zij en hun vrouwen en hun kleine kinderen, en
209 4, 8 | en hun kleine kinderen, en hun beesten.~
210 4, 9 | 9 En alle inwoners, en huurlingen,
211 4, 9 | 9 En alle inwoners, en huurlingen, en hun lijfeigenen
212 4, 9 | inwoners, en huurlingen, en hun lijfeigenen deden zakken
213 4, 10| 10 En alle mannen Israëls en vrouwen,
214 4, 10| 10 En alle mannen Israëls en vrouwen, ook de kinderen,
215 4, 10| vrouwen, ook de kinderen, en die binnen Jeruzalem woonden,
216 4, 11| 11 En bestrooiden hun hoofden
217 4, 11| bestrooiden hun hoofden met as, en spreidden hun zakken uit
218 4, 12| 12 En zij bekleedden het altaar
219 4, 13| 13 En zij riepen eendrachtig en
220 4, 13| En zij riepen eendrachtig en met ernst tot de God Israëls,
221 4, 13| niet overgave tot een roof, en hun vrouwen tot buit, noch
222 4, 13| heiligdommen tot ontheiliging en smaad, de heidenen tot vreugde.~
223 4, 14| 14 En de Here verhoorde hun stem,
224 4, 14| Here verhoorde hun stem, en zag hun verdrukking aan.~
225 4, 15| 15 En het volk vastte vele dagen
226 4, 15| dagen lang in gans Judea en Jeruzalem, in het gezicht
227 4, 16| 16 En Joakim de hogepriester,
228 4, 16| Joakim de hogepriester, en al de priesters, die voor
229 4, 16| die voor de Here stonden, en die de Here dienden, hun
230 4, 16| brandoffer des gedurigen offers, en de beloften, en de vrijwillige
231 4, 16| offers, en de beloften, en de vrijwillige gaven des
232 4, 16| vrijwillige gaven des volks, en as was op hun haar.~
233 4, 17| 17 En zij riepen tot de Here van
234 5, 1 | 1 EN het werd Holofernes, de
235 5, 1 | zich bereiden tot de krijg, en dat zij de doorgangen van
236 5, 1 | van het gebergte besloten, en al de spitsen der hoge bergen
237 5, 1 | hoge bergen bemuurd hadden, en dat zij in de vlakke velden
238 5, 2 | 2 En hij werd zeer toornig, en
239 5, 2 | En hij werd zeer toornig, en hij riep al de oversten
240 5, 2 | oversten der Moabieten, en de krijgsoversten der Ammonieten,
241 5, 2 | krijgsoversten der Ammonieten, en al de vorsten van het land
242 5, 3 | 3 En hij zeide tot hen: Zegt
243 5, 3 | op dit gebergte ophoudt, en wat steden het zijn die
244 5, 3 | het zijn die zij bewonen, en de menigte van hun heerleger,
245 5, 3 | menigte van hun heerleger, en waarin hun kracht en hun
246 5, 3 | heerleger, en waarin hun kracht en hun sterkte bestaat, en
247 5, 3 | en hun sterkte bestaat, en wat koning onder hen opgestaan
248 5, 4 | 4 En waarom zij mij de rug toegekeerd
249 5, 5 | 5 En Achior, de overste van al
250 5, 5 | uit de mond uws knechts, en ik zal u de waarheid verhalen
251 5, 5 | volk, dat nabij u woont, en dit gebergte bewoont; en
252 5, 5 | en dit gebergte bewoont; en geen leugen zal uit de mond
253 5, 7 | 7 En zij hebben eerst als vreemdelingen
254 5, 8 | 8 En zijn afgetreden van de weg
255 5, 8 | van de weg hunner vaderen, en hebben de God des hemels
256 5, 8 | de God die zij kenden, en die hebben hen verdreven
257 5, 8 | aangezicht hunner goden; en zij zijn naar Mesopotamië
258 5, 8 | naar Mesopotamië gebracht, en hebben daar vele dagen als
259 5, 8 | als vreemdelingen gewoond; en hun God heeft geboden, dat
260 5, 8 | van hun vreemdelingschap, en reizen naar het land Kanaän,
261 5, 8 | reizen naar het land Kanaän, en zij bleven daar wonen, en
262 5, 8 | en zij bleven daar wonen, en zijn vermenigvuldigd aan
263 5, 8 | vermenigvuldigd aan goud, en zilver, en aan zeer veel
264 5, 8 | vermenigvuldigd aan goud, en zilver, en aan zeer veel vee.~
265 5, 9 | 9 En zijn afgetrokken naar Egypte, (
266 5, 9 | het land Kanaän bedekt) en woonden daar als vreemdelingen
267 5, 9 | totdat zij wedergekeerd zijn, en zij zijn daar geworden tot
268 5, 9 | geworden tot een grote menigte, en hun geslacht was ontelbaar.~
269 5, 10| 10 En de koning van Egypte stond
270 5, 10| Egypte stond tegen hen op, en gebruikte listigheid tegen
271 5, 10| listigheid tegen hen door arbeid, en door maken van tichelstenen,
272 5, 10| maken van tichelstenen, en vernederde hen, en maakte
273 5, 10| tichelstenen, en vernederde hen, en maakte hen tot slaven.~
274 5, 11| 11 En zij riepen tot hun God,
275 5, 11| zij riepen tot hun God, en hij sloeg gans Egypteland
276 5, 11| die niet te genezen waren en de Egyptenaars dreven hen
277 5, 12| 12 En God heeft de Rode zee voor
278 5, 13| 13 En heeft hen geleid naar de
279 5, 13| de weg van de berg Sinaï, en Kades-Barneä en zij hebben
280 5, 13| berg Sinaï, en Kades-Barneä en zij hebben verdreven allen
281 5, 14| 14 En zij hebben zich neergezet
282 5, 15| 15 En hebben al de Esebonieten
283 5, 16| 16 En door de Jordaan getrokken
284 5, 18| 18 En zij verdreven van voor hun
285 5, 18| aangezicht de Kanaäniet, en de Feresiet, en de Jebusiet,
286 5, 18| Kanaäniet, en de Feresiet, en de Jebusiet, en de Sychemiet,
287 5, 18| Feresiet, en de Jebusiet, en de Sychemiet, en al de Gergesenen;
288 5, 18| Jebusiet, en de Sychemiet, en al de Gergesenen; en zij
289 5, 18| Sychemiet, en al de Gergesenen; en zij hebben in het gebergte
290 5, 19| 19 En zo lang zij niet zondigden
291 5, 21| 21 En zijn gevankelijk weggevoerd
292 5, 21| weggevoerd in een vreemd land, en de tempel huns Gods is tot
293 5, 21| de grond toe afgeworpen, en hun steden zijn ingenomen
294 5, 22| 22 En nu bekeerd zijnde tot hun
295 5, 22| waarheen zij verstrooid waren, en hebben zich te Jeruzalem
296 5, 22| waar hun heiligdom is, en hebben het gebergte bewoond,
297 5, 23| 23 En nu, heersende heer, zo er
298 5, 23| misdaad in dit volk is, en zo zij zondigen tegen hun
299 5, 23| zondigen tegen hun God, en zo wij bemerken dat er onder
300 5, 23| zo zullen wij opklimmen en hen overweldigen.~
301 5, 24| niet mogelijk bescherme, en hun God vóór hen zij, en
302 5, 24| en hun God vóór hen zij, en wij zullen tot een smaad
303 5, 25| 25 En het geschiedde, als Achior
304 5, 25| hetwelk de tent omringde en daar rondom stond.~
305 5, 26| 26 En de geweldigen van Holofernes,
306 5, 26| geweldigen van Holofernes, en die het land aan de zee,
307 5, 26| die het land aan de zee, en der Moabieten bewoonden,
308 5, 27| optrekken heer Holofernes en zij zullen een aas zijn
309 6, 1 | 1 EN als het gemurmel der mannen,
310 6, 1 | ganse volk der uitlanders en tot alle kinderen Moabs:~
311 6, 2 | Wie zijt gij toch Achior, en gij die van Efraïm gehuurd
312 6, 2 | onder ons zo geprofeteerd en gezegd hebt, dat wij het
313 6, 2 | God hen zal beschermen, en wie is God dan Nabuchodonosor?~
314 6, 3 | zal zijn macht afzenden en hen verdelgen van het aanschijn
315 6, 3 | aanschijn des aardbodems, en hun God zal hen niet verlossen,
316 6, 3 | zullen hen slaan als één man, en zij zullen de kracht van
317 6, 4 | 4 En hun bergen zullen dronken
318 6, 4 | dronken worden in hun bloed, en hun vlakke velden zullen
319 6, 4 | vervuld worden met hun doden, en niet een voetstap hunner
320 6, 4 | want hij heeft het gezegd, en de woorden zijner rede zullen
321 6, 5 | 5 En gij Achior, gij huurling
322 6, 5 | uit Egypte gekomen zijn, en dan zal het zwaard mijns
323 6, 5 | zwaard mijns heerlegers, en het volk mijner dienstknechten
324 6, 5 | dienstknechten tussen uw zijden gaan, en gij zult vallen onder hun
325 6, 6 | 6 En mijn knechten zullen u brengen
326 6, 6 | brengen op het gebergte, en zullen u stellen in een
327 6, 6 | steden van hun opgangen, en gij zult niet sterven totdat
328 6, 6 | vervallen, ik het het gesproken, en geen mijner woorden zal
329 6, 7 | 7 En Holofernes beval zijn knechten,
330 6, 7 | zij Achior zouden grijpen, en naar Bethulië heenvoeren,
331 6, 7 | naar Bethulië heenvoeren, en hem overleveren in de handen
332 6, 8 | 8 En zijn knechten grepen hem,
333 6, 8 | zijn knechten grepen hem, en brachten hem buiten het
334 6, 8 | leger in het vlakke veld, en trokken van het midden des
335 6, 8 | velds naar het gebergte, en kwamen tot aan de fonteinen,
336 6, 8 | die onder Bethulië waren; en als de mannen der stad hen
337 6, 8 | zagen, namen zij hun wapenen en trokken buiten de stad naar
338 6, 8 | de spits des bergs toe, en allen die met de slinger
339 6, 8 | wierpen beletten hun opkomst, en wierpen op hen met stenen.~
340 6, 9 | komende, bonden Achior, en nadat zij hem aan de voet
341 6, 9 | lieten zij hem daar liggen, en keerden weder tot hun heer.~
342 6, 10| nederwaarts tot hem uit hun stad, en maakten hem los, en brachten
343 6, 10| stad, en maakten hem los, en brachten hem binnen Bethulië.~
344 6, 11| 11 En stelden hem voor de oversten
345 6, 11| Mika, uit de stam Simeon, en Abris, de zoon van Gothoniël,
346 6, 11| de zoon van Gothoniël, en Charmis, de zoon van Malchiël.~
347 6, 12| 12 En zij riepen al de oudsten
348 6, 12| oudsten der stad bijeen, en al hun jongelingen, en de
349 6, 12| en al hun jongelingen, en de vrouwen liepen tezamen
350 6, 12| tezamen tot de vergadering. En zij stelden Achior in het
351 6, 12| midden van al hun volk, en Ozias vraagde wat hem overkomen
352 6, 13| 13 En hij, antwoordende, verhaalde
353 6, 13| van de raad van Holofernes en al de woorden die hij gesproken
354 6, 14| 14 En het volk, nedervallende,
355 6, 14| nedervallende, bad God aan, en riep zeggende:~
356 6, 15| hemels, zie op hun hoogmoed, en ontferm u over de vernedering
357 6, 15| vernedering van ons geslacht, en zie ten dezen dage aan het
358 6, 16| 16 En zij vertroostten Achior
359 6, 16| zij vertroostten Achior en prezen hem zeer.~
360 6, 17| 17 En Ozias nam hem mee uit de
361 6, 17| vergadering in zijn huis, en bereidde een maaltijd voor
362 6, 18| 18 En zij riepen de God Israëls
363 7, 1 | 1 EN des anderen daags gebood
364 7, 1 | Holofernes zijn gehele heerleger, en al zijn volk, hetwelk tot
365 7, 1 | optrekken naar Bethulië, en de toegangen van het gebergte
366 7, 1 | gebergte eerst innemen, en dat men de kinderen Israëls
367 7, 2 | onder hen op in die dag. En hun macht van strijdbare
368 7, 2 | honderdenzeventigduizend man te voet, en twaalfduizend te paard,
369 7, 2 | behalve de krijgsrusting; en daar was een zeer grote
370 7, 3 | 3 En zij legerden zich in het
371 7, 3 | Bethulië aan de fontein, en zij strekten zich uit in
372 7, 3 | Dothaïm tot Belthem toe, en in de lengte van onder Bethulië,
373 7, 4 | zagen, werden zeer ontroerd, en de een zeide tot de ander:
374 7, 4 | het gehele land opslikken, en noch de hoge bergen, noch
375 7, 5 | 5 En zij namen al hun wapenen
376 7, 5 | zij namen al hun wapenen en ontstaken vuren op hun torens,
377 7, 5 | ontstaken vuren op hun torens, en bleven die gehele nacht
378 7, 6 | die te Bethulië waren, en bezichtigde de toegangen
379 7, 7 | 7 En kwam aan de waterfontein,
380 7, 7 | kwam aan de waterfontein, en nam ze in, en bezette die
381 7, 7 | waterfontein, en nam ze in, en bezette die met krijgswachten,
382 7, 7 | bezette die met krijgswachten, en hijzelf trok weder op naar
383 7, 8 | 8 En tot hen kwamen al de oversten
384 7, 8 | van de kinderen Ezau's, en al de leidslieden der Moabieten,
385 7, 8 | leidslieden der Moabieten, en de krijgsoversten des lands
386 7, 8 | krijgsoversten des lands aan de zee, en zeiden: Mijn heer hore toch
387 7, 10| 10 En nu, heer, beoorloog hen
388 7, 10| een bestorming geschiedt, en niet één man zal uit uw
389 7, 10| blijf maar in uw leger, en behoud al de mannen van
390 7, 10| de mannen van het heer, en laat maar uw dienstknechten
391 7, 10| halen hun water daaruit, en alzo zal hen de dorst wegnemen
392 7, 10| zal hen de dorst wegnemen en zij zullen hun stad moeten
393 7, 10| hun stad moeten overgeven; en wij en ons volk zullen op
394 7, 10| moeten overgeven; en wij en ons volk zullen op de naaste
395 7, 10| spitsen der bergen klimmen, en zullen ons daarom legeren
396 7, 10| zullen ons daarom legeren en wacht houden, dat er niet
397 7, 10| man uit de stad zal gaan; en zij zullen versmelten door
398 7, 10| versmelten door honger, zij en hun vrouwen en hun kinderen,
399 7, 10| honger, zij en hun vrouwen en hun kinderen, en eer het
400 7, 10| vrouwen en hun kinderen, en eer het zwaard over hen
401 7, 10| de straten hunner woning. En gij zult hun zware vergelding
402 7, 10| tegen u opgestaan zijn, en dat zij u niet in vrede
403 7, 11| 11 En deze hun woorden behaagden
404 7, 11| woorden behaagden Holofernes, en al zijn dienstknechten,
405 7, 11| al zijn dienstknechten, en zij bepaalden dat men doen
406 7, 12| 12 En het heer der kinderen Ammons,
407 7, 12| heer der kinderen Ammons, en vijfduizend uit de kinderen
408 7, 12| Assur met hen trokken voort, en sloegen hun leger in het
409 7, 12| sloegen hun leger in het dal, en namen de waterleidingen
410 7, 12| namen de waterleidingen en fonteinen van de kinderen
411 7, 12| kinderen Israëls eerst in, en de kinderen Ezau's, en de
412 7, 12| en de kinderen Ezau's, en de kinderen Ammons klommen
413 7, 12| kinderen Ammons klommen op, en sloegen hun leger op het
414 7, 12| gebergte tegenover Dothaïm, en zonden enigen uit de hunnen
415 7, 12| hunnen tegen het zuiden en het oosten, tegenover Ekrebel,
416 7, 12| omtrent de beek Mochmor; en het overige leger der Assyriërs
417 7, 12| neder in het vlakke veld, en bedekte het gehele aangezicht
418 7, 12| gehele aangezicht des lands, en hun tenten, en hun andere
419 7, 12| des lands, en hun tenten, en hun andere toerustingen
420 7, 12| legerden zij in grote hopen, en waren een zeer grote menigte;~
421 7, 13| 13 En de kinderen Israëls riepen
422 7, 13| vijanden hen omsingeld hadden en daar geen middel was om
423 7, 13| was om hun te ontvluchten; en het gehele leger der Assyriërs,
424 7, 13| hun voetknechten, wagenen en ruiters, bleven rondom hen,
425 7, 13| bleven rondom hen, vier en dertig dagen lang, en de
426 7, 13| vier en dertig dagen lang, en de watervaten ontbraken
427 7, 13| de inwoners van Bethulië en hun bakken werden ledig,
428 7, 13| hun bakken werden ledig, en zij hadden geen water om
429 7, 13| drinken in zekere mate. En hun jonge kinderen versmachtten,
430 7, 13| jonge kinderen versmachtten, en hun vrouwen en jongelingen
431 7, 13| versmachtten, en hun vrouwen en jongelingen bezweken van
432 7, 13| jongelingen bezweken van dorst, en zij vielen neder op de stadsstraten,
433 7, 13| neder op de stadsstraten, en in de doorgangen der poorten,
434 7, 13| doorgangen der poorten, en daar was geen kracht meer
435 7, 13| geen kracht meer in hen. En het ganse volk kwam tezamen
436 7, 13| kwam tezamen tot Ozias, en tot de oversten der stad,
437 7, 13| oversten der stad, jongelingen en vrouwen en kinderen, en
438 7, 13| jongelingen en vrouwen en kinderen, en riepen met
439 7, 13| en vrouwen en kinderen, en riepen met luider stem en
440 7, 13| en riepen met luider stem en spraken tot al de oversten:
441 7, 13| God zij rechter tussen ons en tussen u, dat gij zulk een
442 7, 13| onrecht ons hebt aangedaan, en geen woorden van vrede hebt
443 7, 14| 14 En nu is er geen helper voor
444 7, 14| neergeveld worden door dorst en groot verderf.~
445 7, 15| 15 En nu, roept hen tot u, en
446 7, 15| En nu, roept hen tot u, en geeft de gehele stad over
447 7, 15| het volk van Holofernes, en aan al zijn heerkracht.~
448 7, 16| wij hun tot knechten zijn, en onze ziel zal leven, en
449 7, 16| en onze ziel zal leven, en wij zullen onze jonge kinderen
450 7, 16| ogen niet zien sterven, en de zielen van onze vrouwen
451 7, 16| zielen van onze vrouwen en kinderen versmachten.~
452 7, 17| u tot getuigen de hemel en de aarde, en onze God en
453 7, 17| getuigen de hemel en de aarde, en onze God en Here onzer vaderen,
454 7, 17| en de aarde, en onze God en Here onzer vaderen, die
455 7, 17| vergeldt naar onze misdaden, en naar de misdaden onzer vaderen,
456 7, 18| 18 En daar rees een groot en eendrachtig
457 7, 18| 18 En daar rees een groot en eendrachtig geschrei van
458 7, 18| midden der vergadering, en zij riepen tot God de Here
459 7, 19| 19 En Ozias zeide tot hen: Hebt
460 7, 20| Doch zo deze voorbijgaan, en geen hulp over ons komt,
461 7, 20| ik naar uw woorden doen. En zo heeft hij het volk doen
462 7, 20| elk naar zijn legerplaats, en zij zijn naar de muren en
463 7, 20| en zij zijn naar de muren en torens van hun stad heengegaan;
464 7, 20| van hun stad heengegaan; en hij heeft de vrouwen en
465 7, 20| en hij heeft de vrouwen en kinderen naar hun huizen
466 7, 20| naar hun huizen gezonden en zij waren in grote vernedering
467 8, 1 | 1 EN in die dagen hoorde zulks
468 8, 2 | 2 En haar man was geweest Manasse
469 8, 2 | Manasse van dezelfde stam, en van hetzelfde geslacht,
470 8, 2 | van hetzelfde geslacht, en hij was gestorven in de
471 8, 3 | schoven bond in het veld, en de hitte kwam op zijn hoofd,
472 8, 3 | hitte kwam op zijn hoofd, en hij viel te bed, en stierf
473 8, 3 | hoofd, en hij viel te bed, en stierf in zijn stad Bethulië,
474 8, 3 | stierf in zijn stad Bethulië, en zij begroeven hem bij zijn
475 8, 3 | veld dat tussen Dothaïm en Belamon ligt.~
476 8, 4 | 4 En Judith was in haar huis,
477 8, 4 | weduwelijke staat, drie jaren en vier maanden.~
478 8, 5 | 5 En zij maakte zichzelf een
479 8, 5 | op het dak van haar huis, en deed een zak om haar lendenen,
480 8, 5 | een zak om haar lendenen, en zij was bekleed met klederen
481 8, 6 | 6 En zij vastte al de dagen van
482 8, 6 | de dagen voor de sabbat en de sabbatdagen, en de dagen
483 8, 6 | sabbat en de sabbatdagen, en de dagen voor de nieuwe
484 8, 6 | dagen voor de nieuwe maan en de dagen der nieuwe maan,
485 8, 6 | de dagen der nieuwe maan, en de feestdagen en de dagen
486 8, 6 | nieuwe maan, en de feestdagen en de dagen der vreugde van
487 8, 7 | 7 En zij was schoon van gedaante,
488 8, 7 | was schoon van gedaante, en zeer fraai van aanzien,
489 8, 7 | zeer fraai van aanzien, en Manasse haar man had haar
490 8, 7 | had haar nagelaten goud en zilver, en knechten en maagden,
491 8, 7 | nagelaten goud en zilver, en knechten en maagden, en
492 8, 7 | goud en zilver, en knechten en maagden, en vee en akkers,
493 8, 7 | en knechten en maagden, en vee en akkers, en zij hield
494 8, 7 | knechten en maagden, en vee en akkers, en zij hield zich
495 8, 7 | maagden, en vee en akkers, en zij hield zich daar op.~
496 8, 8 | 8 En daar was niemand die haar
497 8, 9 | 9 En Judithl hoorde de kwade
498 8, 9 | schaarsheid des waters; en Judith hoorde ook al de
499 8, 9 | Assyriërs, na vijf dagen; en zij zond haar maagd, die
500 8, 9 | haar goederen gesteld was, en riep tot zich Ozias, en
1-500 | 501-999 |