Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
elkander 1
ellen 8
elymeërs 1
en 999
ene 1
ener 4
eng 1
Frequency    [«  »]
-----
-----
-----
999 en
552 de
266 van
258 het

boek Judith (Het)

IntraText - Concordances

en

1-500 | 501-999

    Chapter, Verse
1 1, 2 | 2 En bouwde rondom Ecbatana muren 2 1, 2 | ellen waren in de breedte, en zes ellen in de lengte; 3 1, 2 | zes ellen in de lengte; en maakte de hoogte des muurs 4 1, 2 | des muurs zeventig ellen, en zijn breedte vijftig ellen;~ 5 1, 3 | 3 En stelde zijn torens op de 6 1, 4 | 4 En legde het fundament van 7 1, 5 | 5 En maakte haar poorten verheven 8 1, 5 | hoogte van zeventig ellen, en dezer poorten breedte van 9 1, 5 | van zijn machtige legers, en tot de ordeningen van zijn 10 1, 6 | 6 En de koning Nabuchodonosor 11 1, 6 | is aan de landpale Ragan; en bij hem voegden zich allen, 12 1, 6 | aan dat gebergte woonden, en allen die woonden aan de 13 1, 6 | woonden aan de Eufraat, en aan de Tiger, en aan de 14 1, 6 | Eufraat, en aan de Tiger, en aan de Hydaspes, en in het 15 1, 6 | Tiger, en aan de Hydaspes, en in het platte land van Arioch, 16 1, 6 | de koning der Elymeërs, en zeer vele volken der kinderen 17 1, 7 | 7 En Nabuchodonosor, de koning 18 1, 7 | allen die in Perzië woonden, en tot allen die tegen het 19 1, 7 | tegen het westen woonden, en die in Cilicië en Damaskus 20 1, 7 | woonden, en die in Cilicië en Damaskus woonden, en op 21 1, 7 | Cilicië en Damaskus woonden, en op de berg Libanon en Antilibanon, 22 1, 7 | woonden, en op de berg Libanon en Antilibanon, en allen die 23 1, 7 | Libanon en Antilibanon, en allen die woonden langs 24 1, 8 | volken van de berg Karmel, en van Gilead, en tot Opper-Galilea, 25 1, 8 | berg Karmel, en van Gilead, en tot Opper-Galilea, en het 26 1, 8 | Gilead, en tot Opper-Galilea, en het grote veld Esdrelon.~ 27 1, 9 | 9 En tot allen die in Samaria 28 1, 9 | allen die in Samaria waren, en tot hun steden, en over 29 1, 9 | waren, en tot hun steden, en over de Jordaan tot Jeruzalem 30 1, 9 | Jordaan tot Jeruzalem toe, en Bethane, en Chellus, en 31 1, 9 | Jeruzalem toe, en Bethane, en Chellus, en Kades, en de 32 1, 9 | en Bethane, en Chellus, en Kades, en de rivier van 33 1, 9 | Bethane, en Chellus, en Kades, en de rivier van Egypte, en 34 1, 9 | en de rivier van Egypte, en Tafnesa, en Ramesse, en 35 1, 9 | van Egypte, en Tafnesa, en Ramesse, en het gehele land 36 1, 9 | en Tafnesa, en Ramesse, en het gehele land Gesem,~ 37 1, 10| overzijde van het gebergte Tanis en Memfis, en tot allen, die 38 1, 10| gebergte Tanis en Memfis, en tot allen, die in Egypte 39 1, 11| de koning der Assyriërs, en zij kwamen bij hem niet 40 1, 11| voor hen als een enig man, en deden zijn boden ledig van 41 1, 12| 12 En Nabuchodonosor werd zeer 42 1, 12| verstoord tegen al dat land; en hij zwoer bij zijn troon 43 1, 12| hij zwoer bij zijn troon en zijn koninkrijk, dat hij 44 1, 12| de landpalen van Cilicië, en Damaskus, en Syrië, en dat 45 1, 12| van Cilicië, en Damaskus, en Syrië, en dat hij met het 46 1, 12| en Damaskus, en Syrië, en dat hij met het zwaard zou 47 1, 12| inwoners van het land Moab, en de kinderen van Ammon, en 48 1, 12| en de kinderen van Ammon, en geheel Judea, en allen die 49 1, 12| Ammon, en geheel Judea, en allen die in Egypte waren, 50 1, 13| 13 En hij is met zijn macht in 51 1, 13| in het zeventiende jaar, en hij verkreeg de overhand 52 1, 13| overhand in deze zijn krijg en versloeg de ganse macht 53 1, 13| ganse macht van Arfaxad, en al zijn ruiterij en zijn 54 1, 13| Arfaxad, en al zijn ruiterij en zijn wagenen, en vermeesterde 55 1, 13| ruiterij en zijn wagenen, en vermeesterde zijn steden.~ 56 1, 14| 14 En kwam tot Ecbatana toe, en 57 1, 14| En kwam tot Ecbatana toe, en nam de torens in, en verwoestte 58 1, 14| toe, en nam de torens in, en verwoestte haar straten, 59 1, 14| verwoestte haar straten, en haar sieraad maakte hij 60 1, 15| 15 En hij ving Arfaxad in de gebergten 61 1, 15| Arfaxad in de gebergten Ragan, en doorschoot hem met zijn 62 1, 15| doorschoot hem met zijn pijlen, en verdierf hem tot die dag 63 1, 16| 16 En hij keerde met hen weder 64 1, 16| hen weder naar Nineve, hij en al zijn leger, uit vele 65 1, 16| menigte van krijgslieden; en hij was daar ledig, en hield 66 1, 16| en hij was daar ledig, en hield maaltijden, hij en 67 1, 16| en hield maaltijden, hij en zijn leger, honderdentwintig 68 2, 1 | 1 EN in het achttiende jaar, 69 2, 2 | 2 En hij riep al zijn dienstknechten, 70 2, 2 | al zijn dienstknechten, en al zijn groten bijeen, en 71 2, 2 | en al zijn groten bijeen, en hij stelde hun voor de verborgenheid 72 2, 2 | verborgenheid van zijn raad, en hij verhaalde met zijn eigen 73 2, 3 | 3 En deze oordeelden, dat men 74 2, 4 | 4 En het geschiedde, als hij 75 2, 4 | die de tweede na hem was, en hij zeide tot hem:~ 76 2, 5 | mijn aangezicht uitgaan, en gij zult met u nemen mannen 77 2, 5 | sterkte betrouwen, tot honderd en twintig duizend voetknechten, 78 2, 5 | twintig duizend voetknechten, en een menigte paarden met 79 2, 5 | ruiters, tot twaalfduizend; en gij zult uittrekken tegen 80 2, 5 | ongehoorzaam zijn geweest; en zult hen ontbieden, dat 81 2, 5 | ontbieden, dat zij mij aarde en water zullen toebereiden, 82 2, 5 | uittrekken in mijn toorn, en ik zal het ganse aangezicht 83 2, 5 | voeten van mijn heerleger, en ik zal hen die overgeven 84 2, 5 | overgeven tot een roof; en hun gekwetsten zullen hun 85 2, 5 | gekwetsten zullen hun valleien en waterbeken vullen, en de 86 2, 5 | valleien en waterbeken vullen, en de overvloeiende rivier 87 2, 5 | hun doden vervuld worden, en ik zal hun gevangenen voeren 88 2, 5 | al hun landpalen innemen, en zij zullen zich aan u overgeven, 89 2, 5 | zullen zich aan u overgeven, en gij zult mij die bewaren 90 2, 6 | hen overgeven tot de dood, en tot een roof in al uw land; 91 2, 6 | want zo zeker als ik leef, en de macht mijns koninkrijks, 92 2, 6 | ook doen door mijn hand; en gij zult niet een der woorden 93 2, 6 | gelijk ik u bevolen heb, en gij zult niet vertragen 94 2, 7 | 7 En Holofernes ging uit van 95 2, 7 | het aanschijn zijns heren, en riep al de machtigen, en 96 2, 7 | en riep al de machtigen, en de krijgsoversten, en de 97 2, 7 | machtigen, en de krijgsoversten, en de hoofdlieden van het leger 98 2, 7 | het leger der Assyriërs, en telde uitgelezen mannen 99 2, 7 | honderdentwintigduizend, en twaalfduizend schutters 100 2, 8 | 8 En heeft hen in orde gesteld 101 2, 8 | krijgsvolk geordineerd wordt; en hij nam kemelen en ezelen 102 2, 8 | wordt; en hij nam kemelen en ezelen tot hun bagage, een 103 2, 8 | menigte; mitsgaders schapen en ossen en geiten tot hun 104 2, 8 | mitsgaders schapen en ossen en geiten tot hun voorraad, 105 2, 9 | 9 En een grote menigte koren 106 2, 10| 10 En hij nam goud en zilver uit 107 2, 10| 10 En hij nam goud en zilver uit des konings huis, 108 2, 11| 11 En hij begaf zich met zijn 109 2, 11| ganse leger op de uittocht, en trok heen voor de koning 110 2, 11| de koning Nabuchodonosor, en bedekte het gehele aangezicht 111 2, 11| westen met hun wagenen, en ruiters, en uitgelezen voetvolk; 112 2, 11| hun wagenen, en ruiters, en uitgelezen voetvolk; en 113 2, 11| en uitgelezen voetvolk; en veel gemengd volk kwam bij 114 2, 11| bij hen, als sprinkhanen, en als het zand der aarde, 115 2, 11| als het zand der aarde, en men kon hen niet tellen 116 2, 12| 12 En zij trokken uit van Nineve 117 2, 12| van het veld Bektileth; en hij sloeg zijn leger van 118 2, 12| ligt van Opper-Cilicië, en hij nam zijn geheel heerleger, 119 2, 12| heerleger, zijn voetknechten, en zijn ruiters, en zijn wagenen, 120 2, 12| voetknechten, en zijn ruiters, en zijn wagenen, en trok van 121 2, 12| ruiters, en zijn wagenen, en trok van daar naar het gebergte.~ 122 2, 13| 13 En hij vernielde Pud en Lud, 123 2, 13| 13 En hij vernielde Pud en Lud, en beroofde alle kinderen 124 2, 13| hij vernielde Pud en Lud, en beroofde alle kinderen van 125 2, 13| alle kinderen van Gases, en de kinderen Ismaëls, die 126 2, 13| zuiden des lands Chellon, en hij trok over de Eufraat, 127 2, 13| hij trok over de Eufraat, en trok door Mesopotamië,~ 128 2, 14| 14 En vernielde alle hoge steden 129 2, 15| 15 En hij nam de landpalen van 130 2, 15| landpalen van Cilicië in, en versloeg allen, die hem 131 2, 15| allen, die hem wederstonden, en kwam tot aan de landpalen 132 2, 15| Jafet, die tegen het zuiden en tegen Arabië liggen.~ 133 2, 16| 16 En hij omringde al de kinderen 134 2, 16| de kinderen van Midian, en verbrandde hun woonhutten, 135 2, 16| verbrandde hun woonhutten, en beroofde hun stallingen,~ 136 2, 17| 17 En hij daalde af in het veld 137 2, 17| dagen van de tarweoogst, en hij verbrandde al hun akkers, 138 2, 17| verbrandde al hun akkers, en hun klein en groot vee gaf 139 2, 17| hun akkers, en hun klein en groot vee gaf hij over om 140 2, 17| hij over om te vernielen, en plunderde hun steden, en 141 2, 17| en plunderde hun steden, en hun velden wande hij uit, 142 2, 17| hun velden wande hij uit, en sloeg al hun jonge mannen 143 2, 18| 18 En een vrees en beving voor 144 2, 18| 18 En een vrees en beving voor hem overviel 145 2, 18| die daar waren in Sidon en Tyrus, en die daar woonden 146 2, 18| waren in Sidon en Tyrus, en die daar woonden te Sur 147 2, 18| die daar woonden te Sur en Okina, en allen die daar 148 2, 18| woonden te Sur en Okina, en allen die daar woonden tot 149 2, 18| daar woonden tot Jemnaän; en die daar woonden in Azote 150 2, 18| die daar woonden in Azote en Askalon vreesden hem uitermate 151 3, 1 | 1 EN zij zonden gezanten tot 152 3, 2 | konings Nabuchodonosors, en liggen hier open voor u.~ 153 3, 4 | Ziet, al onze landhuizen, en al onze plaatsen, en al 154 3, 4 | landhuizen, en al onze plaatsen, en al onze korenvelden, en 155 3, 4 | en al onze korenvelden, en al ons klein en groot vee, 156 3, 4 | korenvelden, en al ons klein en groot vee, en al de stallen 157 3, 4 | ons klein en groot vee, en al de stallen onzer woningen 158 3, 5 | 5 Ziet, ook onze steden, en die daarin wonen, zijn uw 159 3, 5 | wonen, zijn uw knechten; kom en handel met hen, gelijk het 160 3, 6 | 6 En die mannen zijn tot Holofernes 161 3, 6 | tot Holofernes gekomen, en hebben zulks geboodschapt 162 3, 7 | 7 En hij met zijn heerkracht 163 3, 8 | 8 En bezette de vaste steden, 164 3, 8 | bezette de vaste steden, en nam daaruit krijgsvolk aan 165 3, 9 | 9 En zij zelf, en het land dat 166 3, 9 | 9 En zij zelf, en het land dat rondom hen 167 3, 9 | ontvingen hem met kransen, reien en trommels.~ 168 3, 10| 10 En hij verstoorde al hun landpalen 169 3, 10| verstoorde al hun landpalen en hieuw hun bossen af.~ 170 3, 11| 11 En het was bij hem besloten, 171 3, 12| Nabuchodonosor, alleen zouden dienen, en alle tongen, en al hun geslachten 172 3, 12| dienen, en alle tongen, en al hun geslachten hem tot 173 3, 13| 13 En hij kwam in het gezicht 174 3, 14| 14 En hij sloeg zijn leger tussen 175 3, 14| sloeg zijn leger tussen Gaba en Scythopolis, en hij was 176 3, 14| tussen Gaba en Scythopolis, en hij was daar een ganse maand 177 4, 1 | 1 EN de kinderen Israëls, die 178 4, 1 | aan die volken gedaan had, en op wat wijze hij al hun 179 4, 1 | hij al hun tempels beroofd en deze overgegeven had om 180 4, 2 | 2 En zij werden uitermate bevreesd 181 4, 2 | uitermate bevreesd voor hem, en waren zeer bevreesd voor 182 4, 2 | voor de stad Jeruzalem, en de tempel des Heren huns 183 4, 2 | wedergekomen uit de gevangenis, en het ganse volk was kort 184 4, 2 | vergaderd geweest uit Judea; en de vaten en het altaar en 185 4, 2 | geweest uit Judea; en de vaten en het altaar en het huis Gods 186 4, 2 | en de vaten en het altaar en het huis Gods waren van 187 4, 3 | 3 En zij zonden in de ganse landpale 188 4, 3 | ganse landpale van Samarië, en in de vlekken, en naar Bethhoron 189 4, 3 | Samarië, en in de vlekken, en naar Bethhoron en Belmen, 190 4, 3 | vlekken, en naar Bethhoron en Belmen, en Jericho, en naar 191 4, 3 | naar Bethhoron en Belmen, en Jericho, en naar Choba, 192 4, 3 | Bethhoron en Belmen, en Jericho, en naar Choba, en Esora, en 193 4, 3 | Jericho, en naar Choba, en Esora, en naar het dal Salem, 194 4, 3 | en naar Choba, en Esora, en naar het dal Salem, en zij 195 4, 3 | en naar het dal Salem, en zij namen al de spitsen 196 4, 4 | 4 En zij maakten muren om hun 197 4, 4 | vlekken, die daarop waren, en beschikten koren tot voorraad 198 4, 5 | 5 En Joakim, de hogepriester, 199 4, 5 | de inwoners van Bethulië, en Bethemesch, welke tegenover 200 4, 5 | velds dat bij Dothaïm is, en beval dat zij de opgangen 201 4, 6 | de ingang was naar Judea, en het licht was te beletten 202 4, 6 | daar de toegang eng was, en uiterlijk voor twee mannen 203 4, 7 | 7 En de kinderen Israëls deden 204 4, 7 | de hogepriester Joakim, en de raad des gansen volk 205 4, 8 | 8 En al de mannen Israëls riepen 206 4, 8 | tot God met grote ernst, en verootmoedigden hun zielen 207 4, 8 | zielen met grote ernst, zij en hun vrouwen en hun kleine 208 4, 8 | ernst, zij en hun vrouwen en hun kleine kinderen, en 209 4, 8 | en hun kleine kinderen, en hun beesten.~ 210 4, 9 | 9 En alle inwoners, en huurlingen, 211 4, 9 | 9 En alle inwoners, en huurlingen, en hun lijfeigenen 212 4, 9 | inwoners, en huurlingen, en hun lijfeigenen deden zakken 213 4, 10| 10 En alle mannen Israëls en vrouwen, 214 4, 10| 10 En alle mannen Israëls en vrouwen, ook de kinderen, 215 4, 10| vrouwen, ook de kinderen, en die binnen Jeruzalem woonden, 216 4, 11| 11 En bestrooiden hun hoofden 217 4, 11| bestrooiden hun hoofden met as, en spreidden hun zakken uit 218 4, 12| 12 En zij bekleedden het altaar 219 4, 13| 13 En zij riepen eendrachtig en 220 4, 13| En zij riepen eendrachtig en met ernst tot de God Israëls, 221 4, 13| niet overgave tot een roof, en hun vrouwen tot buit, noch 222 4, 13| heiligdommen tot ontheiliging en smaad, de heidenen tot vreugde.~ 223 4, 14| 14 En de Here verhoorde hun stem, 224 4, 14| Here verhoorde hun stem, en zag hun verdrukking aan.~ 225 4, 15| 15 En het volk vastte vele dagen 226 4, 15| dagen lang in gans Judea en Jeruzalem, in het gezicht 227 4, 16| 16 En Joakim de hogepriester, 228 4, 16| Joakim de hogepriester, en al de priesters, die voor 229 4, 16| die voor de Here stonden, en die de Here dienden, hun 230 4, 16| brandoffer des gedurigen offers, en de beloften, en de vrijwillige 231 4, 16| offers, en de beloften, en de vrijwillige gaven des 232 4, 16| vrijwillige gaven des volks, en as was op hun haar.~ 233 4, 17| 17 En zij riepen tot de Here van 234 5, 1 | 1 EN het werd Holofernes, de 235 5, 1 | zich bereiden tot de krijg, en dat zij de doorgangen van 236 5, 1 | van het gebergte besloten, en al de spitsen der hoge bergen 237 5, 1 | hoge bergen bemuurd hadden, en dat zij in de vlakke velden 238 5, 2 | 2 En hij werd zeer toornig, en 239 5, 2 | En hij werd zeer toornig, en hij riep al de oversten 240 5, 2 | oversten der Moabieten, en de krijgsoversten der Ammonieten, 241 5, 2 | krijgsoversten der Ammonieten, en al de vorsten van het land 242 5, 3 | 3 En hij zeide tot hen: Zegt 243 5, 3 | op dit gebergte ophoudt, en wat steden het zijn die 244 5, 3 | het zijn die zij bewonen, en de menigte van hun heerleger, 245 5, 3 | menigte van hun heerleger, en waarin hun kracht en hun 246 5, 3 | heerleger, en waarin hun kracht en hun sterkte bestaat, en 247 5, 3 | en hun sterkte bestaat, en wat koning onder hen opgestaan 248 5, 4 | 4 En waarom zij mij de rug toegekeerd 249 5, 5 | 5 En Achior, de overste van al 250 5, 5 | uit de mond uws knechts, en ik zal u de waarheid verhalen 251 5, 5 | volk, dat nabij u woont, en dit gebergte bewoont; en 252 5, 5 | en dit gebergte bewoont; en geen leugen zal uit de mond 253 5, 7 | 7 En zij hebben eerst als vreemdelingen 254 5, 8 | 8 En zijn afgetreden van de weg 255 5, 8 | van de weg hunner vaderen, en hebben de God des hemels 256 5, 8 | de God die zij kenden, en die hebben hen verdreven 257 5, 8 | aangezicht hunner goden; en zij zijn naar Mesopotamië 258 5, 8 | naar Mesopotamië gebracht, en hebben daar vele dagen als 259 5, 8 | als vreemdelingen gewoond; en hun God heeft geboden, dat 260 5, 8 | van hun vreemdelingschap, en reizen naar het land Kanaän, 261 5, 8 | reizen naar het land Kanaän, en zij bleven daar wonen, en 262 5, 8 | en zij bleven daar wonen, en zijn vermenigvuldigd aan 263 5, 8 | vermenigvuldigd aan goud, en zilver, en aan zeer veel 264 5, 8 | vermenigvuldigd aan goud, en zilver, en aan zeer veel vee.~ 265 5, 9 | 9 En zijn afgetrokken naar Egypte, ( 266 5, 9 | het land Kanaän bedekt) en woonden daar als vreemdelingen 267 5, 9 | totdat zij wedergekeerd zijn, en zij zijn daar geworden tot 268 5, 9 | geworden tot een grote menigte, en hun geslacht was ontelbaar.~ 269 5, 10| 10 En de koning van Egypte stond 270 5, 10| Egypte stond tegen hen op, en gebruikte listigheid tegen 271 5, 10| listigheid tegen hen door arbeid, en door maken van tichelstenen, 272 5, 10| maken van tichelstenen, en vernederde hen, en maakte 273 5, 10| tichelstenen, en vernederde hen, en maakte hen tot slaven.~ 274 5, 11| 11 En zij riepen tot hun God, 275 5, 11| zij riepen tot hun God, en hij sloeg gans Egypteland 276 5, 11| die niet te genezen waren en de Egyptenaars dreven hen 277 5, 12| 12 En God heeft de Rode zee voor 278 5, 13| 13 En heeft hen geleid naar de 279 5, 13| de weg van de berg Sinaï, en Kades-Barneä en zij hebben 280 5, 13| berg Sinaï, en Kades-Barneä en zij hebben verdreven allen 281 5, 14| 14 En zij hebben zich neergezet 282 5, 15| 15 En hebben al de Esebonieten 283 5, 16| 16 En door de Jordaan getrokken 284 5, 18| 18 En zij verdreven van voor hun 285 5, 18| aangezicht de Kanaäniet, en de Feresiet, en de Jebusiet, 286 5, 18| Kanaäniet, en de Feresiet, en de Jebusiet, en de Sychemiet, 287 5, 18| Feresiet, en de Jebusiet, en de Sychemiet, en al de Gergesenen; 288 5, 18| Jebusiet, en de Sychemiet, en al de Gergesenen; en zij 289 5, 18| Sychemiet, en al de Gergesenen; en zij hebben in het gebergte 290 5, 19| 19 En zo lang zij niet zondigden 291 5, 21| 21 En zijn gevankelijk weggevoerd 292 5, 21| weggevoerd in een vreemd land, en de tempel huns Gods is tot 293 5, 21| de grond toe afgeworpen, en hun steden zijn ingenomen 294 5, 22| 22 En nu bekeerd zijnde tot hun 295 5, 22| waarheen zij verstrooid waren, en hebben zich te Jeruzalem 296 5, 22| waar hun heiligdom is, en hebben het gebergte bewoond, 297 5, 23| 23 En nu, heersende heer, zo er 298 5, 23| misdaad in dit volk is, en zo zij zondigen tegen hun 299 5, 23| zondigen tegen hun God, en zo wij bemerken dat er onder 300 5, 23| zo zullen wij opklimmen en hen overweldigen.~ 301 5, 24| niet mogelijk bescherme, en hun God vóór hen zij, en 302 5, 24| en hun God vóór hen zij, en wij zullen tot een smaad 303 5, 25| 25 En het geschiedde, als Achior 304 5, 25| hetwelk de tent omringde en daar rondom stond.~ 305 5, 26| 26 En de geweldigen van Holofernes, 306 5, 26| geweldigen van Holofernes, en die het land aan de zee, 307 5, 26| die het land aan de zee, en der Moabieten bewoonden, 308 5, 27| optrekken heer Holofernes en zij zullen een aas zijn 309 6, 1 | 1 EN als het gemurmel der mannen, 310 6, 1 | ganse volk der uitlanders en tot alle kinderen Moabs:~ 311 6, 2 | Wie zijt gij toch Achior, en gij die van Efraïm gehuurd 312 6, 2 | onder ons zo geprofeteerd en gezegd hebt, dat wij het 313 6, 2 | God hen zal beschermen, en wie is God dan Nabuchodonosor?~ 314 6, 3 | zal zijn macht afzenden en hen verdelgen van het aanschijn 315 6, 3 | aanschijn des aardbodems, en hun God zal hen niet verlossen, 316 6, 3 | zullen hen slaan als één man, en zij zullen de kracht van 317 6, 4 | 4 En hun bergen zullen dronken 318 6, 4 | dronken worden in hun bloed, en hun vlakke velden zullen 319 6, 4 | vervuld worden met hun doden, en niet een voetstap hunner 320 6, 4 | want hij heeft het gezegd, en de woorden zijner rede zullen 321 6, 5 | 5 En gij Achior, gij huurling 322 6, 5 | uit Egypte gekomen zijn, en dan zal het zwaard mijns 323 6, 5 | zwaard mijns heerlegers, en het volk mijner dienstknechten 324 6, 5 | dienstknechten tussen uw zijden gaan, en gij zult vallen onder hun 325 6, 6 | 6 En mijn knechten zullen u brengen 326 6, 6 | brengen op het gebergte, en zullen u stellen in een 327 6, 6 | steden van hun opgangen, en gij zult niet sterven totdat 328 6, 6 | vervallen, ik het het gesproken, en geen mijner woorden zal 329 6, 7 | 7 En Holofernes beval zijn knechten, 330 6, 7 | zij Achior zouden grijpen, en naar Bethulië heenvoeren, 331 6, 7 | naar Bethulië heenvoeren, en hem overleveren in de handen 332 6, 8 | 8 En zijn knechten grepen hem, 333 6, 8 | zijn knechten grepen hem, en brachten hem buiten het 334 6, 8 | leger in het vlakke veld, en trokken van het midden des 335 6, 8 | velds naar het gebergte, en kwamen tot aan de fonteinen, 336 6, 8 | die onder Bethulië waren; en als de mannen der stad hen 337 6, 8 | zagen, namen zij hun wapenen en trokken buiten de stad naar 338 6, 8 | de spits des bergs toe, en allen die met de slinger 339 6, 8 | wierpen beletten hun opkomst, en wierpen op hen met stenen.~ 340 6, 9 | komende, bonden Achior, en nadat zij hem aan de voet 341 6, 9 | lieten zij hem daar liggen, en keerden weder tot hun heer.~ 342 6, 10| nederwaarts tot hem uit hun stad, en maakten hem los, en brachten 343 6, 10| stad, en maakten hem los, en brachten hem binnen Bethulië.~ 344 6, 11| 11 En stelden hem voor de oversten 345 6, 11| Mika, uit de stam Simeon, en Abris, de zoon van Gothoniël, 346 6, 11| de zoon van Gothoniël, en Charmis, de zoon van Malchiël.~ 347 6, 12| 12 En zij riepen al de oudsten 348 6, 12| oudsten der stad bijeen, en al hun jongelingen, en de 349 6, 12| en al hun jongelingen, en de vrouwen liepen tezamen 350 6, 12| tezamen tot de vergadering. En zij stelden Achior in het 351 6, 12| midden van al hun volk, en Ozias vraagde wat hem overkomen 352 6, 13| 13 En hij, antwoordende, verhaalde 353 6, 13| van de raad van Holofernes en al de woorden die hij gesproken 354 6, 14| 14 En het volk, nedervallende, 355 6, 14| nedervallende, bad God aan, en riep zeggende:~ 356 6, 15| hemels, zie op hun hoogmoed, en ontferm u over de vernedering 357 6, 15| vernedering van ons geslacht, en zie ten dezen dage aan het 358 6, 16| 16 En zij vertroostten Achior 359 6, 16| zij vertroostten Achior en prezen hem zeer.~ 360 6, 17| 17 En Ozias nam hem mee uit de 361 6, 17| vergadering in zijn huis, en bereidde een maaltijd voor 362 6, 18| 18 En zij riepen de God Israëls 363 7, 1 | 1 EN des anderen daags gebood 364 7, 1 | Holofernes zijn gehele heerleger, en al zijn volk, hetwelk tot 365 7, 1 | optrekken naar Bethulië, en de toegangen van het gebergte 366 7, 1 | gebergte eerst innemen, en dat men de kinderen Israëls 367 7, 2 | onder hen op in die dag. En hun macht van strijdbare 368 7, 2 | honderdenzeventigduizend man te voet, en twaalfduizend te paard, 369 7, 2 | behalve de krijgsrusting; en daar was een zeer grote 370 7, 3 | 3 En zij legerden zich in het 371 7, 3 | Bethulië aan de fontein, en zij strekten zich uit in 372 7, 3 | Dothaïm tot Belthem toe, en in de lengte van onder Bethulië, 373 7, 4 | zagen, werden zeer ontroerd, en de een zeide tot de ander: 374 7, 4 | het gehele land opslikken, en noch de hoge bergen, noch 375 7, 5 | 5 En zij namen al hun wapenen 376 7, 5 | zij namen al hun wapenen en ontstaken vuren op hun torens, 377 7, 5 | ontstaken vuren op hun torens, en bleven die gehele nacht 378 7, 6 | die te Bethulië waren, en bezichtigde de toegangen 379 7, 7 | 7 En kwam aan de waterfontein, 380 7, 7 | kwam aan de waterfontein, en nam ze in, en bezette die 381 7, 7 | waterfontein, en nam ze in, en bezette die met krijgswachten, 382 7, 7 | bezette die met krijgswachten, en hijzelf trok weder op naar 383 7, 8 | 8 En tot hen kwamen al de oversten 384 7, 8 | van de kinderen Ezau's, en al de leidslieden der Moabieten, 385 7, 8 | leidslieden der Moabieten, en de krijgsoversten des lands 386 7, 8 | krijgsoversten des lands aan de zee, en zeiden: Mijn heer hore toch 387 7, 10| 10 En nu, heer, beoorloog hen 388 7, 10| een bestorming geschiedt, en niet één man zal uit uw 389 7, 10| blijf maar in uw leger, en behoud al de mannen van 390 7, 10| de mannen van het heer, en laat maar uw dienstknechten 391 7, 10| halen hun water daaruit, en alzo zal hen de dorst wegnemen 392 7, 10| zal hen de dorst wegnemen en zij zullen hun stad moeten 393 7, 10| hun stad moeten overgeven; en wij en ons volk zullen op 394 7, 10| moeten overgeven; en wij en ons volk zullen op de naaste 395 7, 10| spitsen der bergen klimmen, en zullen ons daarom legeren 396 7, 10| zullen ons daarom legeren en wacht houden, dat er niet 397 7, 10| man uit de stad zal gaan; en zij zullen versmelten door 398 7, 10| versmelten door honger, zij en hun vrouwen en hun kinderen, 399 7, 10| honger, zij en hun vrouwen en hun kinderen, en eer het 400 7, 10| vrouwen en hun kinderen, en eer het zwaard over hen 401 7, 10| de straten hunner woning. En gij zult hun zware vergelding 402 7, 10| tegen u opgestaan zijn, en dat zij u niet in vrede 403 7, 11| 11 En deze hun woorden behaagden 404 7, 11| woorden behaagden Holofernes, en al zijn dienstknechten, 405 7, 11| al zijn dienstknechten, en zij bepaalden dat men doen 406 7, 12| 12 En het heer der kinderen Ammons, 407 7, 12| heer der kinderen Ammons, en vijfduizend uit de kinderen 408 7, 12| Assur met hen trokken voort, en sloegen hun leger in het 409 7, 12| sloegen hun leger in het dal, en namen de waterleidingen 410 7, 12| namen de waterleidingen en fonteinen van de kinderen 411 7, 12| kinderen Israëls eerst in, en de kinderen Ezau's, en de 412 7, 12| en de kinderen Ezau's, en de kinderen Ammons klommen 413 7, 12| kinderen Ammons klommen op, en sloegen hun leger op het 414 7, 12| gebergte tegenover Dothaïm, en zonden enigen uit de hunnen 415 7, 12| hunnen tegen het zuiden en het oosten, tegenover Ekrebel, 416 7, 12| omtrent de beek Mochmor; en het overige leger der Assyriërs 417 7, 12| neder in het vlakke veld, en bedekte het gehele aangezicht 418 7, 12| gehele aangezicht des lands, en hun tenten, en hun andere 419 7, 12| des lands, en hun tenten, en hun andere toerustingen 420 7, 12| legerden zij in grote hopen, en waren een zeer grote menigte;~ 421 7, 13| 13 En de kinderen Israëls riepen 422 7, 13| vijanden hen omsingeld hadden en daar geen middel was om 423 7, 13| was om hun te ontvluchten; en het gehele leger der Assyriërs, 424 7, 13| hun voetknechten, wagenen en ruiters, bleven rondom hen, 425 7, 13| bleven rondom hen, vier en dertig dagen lang, en de 426 7, 13| vier en dertig dagen lang, en de watervaten ontbraken 427 7, 13| de inwoners van Bethulië en hun bakken werden ledig, 428 7, 13| hun bakken werden ledig, en zij hadden geen water om 429 7, 13| drinken in zekere mate. En hun jonge kinderen versmachtten, 430 7, 13| jonge kinderen versmachtten, en hun vrouwen en jongelingen 431 7, 13| versmachtten, en hun vrouwen en jongelingen bezweken van 432 7, 13| jongelingen bezweken van dorst, en zij vielen neder op de stadsstraten, 433 7, 13| neder op de stadsstraten, en in de doorgangen der poorten, 434 7, 13| doorgangen der poorten, en daar was geen kracht meer 435 7, 13| geen kracht meer in hen. En het ganse volk kwam tezamen 436 7, 13| kwam tezamen tot Ozias, en tot de oversten der stad, 437 7, 13| oversten der stad, jongelingen en vrouwen en kinderen, en 438 7, 13| jongelingen en vrouwen en kinderen, en riepen met 439 7, 13| en vrouwen en kinderen, en riepen met luider stem en 440 7, 13| en riepen met luider stem en spraken tot al de oversten: 441 7, 13| God zij rechter tussen ons en tussen u, dat gij zulk een 442 7, 13| onrecht ons hebt aangedaan, en geen woorden van vrede hebt 443 7, 14| 14 En nu is er geen helper voor 444 7, 14| neergeveld worden door dorst en groot verderf.~ 445 7, 15| 15 En nu, roept hen tot u, en 446 7, 15| En nu, roept hen tot u, en geeft de gehele stad over 447 7, 15| het volk van Holofernes, en aan al zijn heerkracht.~ 448 7, 16| wij hun tot knechten zijn, en onze ziel zal leven, en 449 7, 16| en onze ziel zal leven, en wij zullen onze jonge kinderen 450 7, 16| ogen niet zien sterven, en de zielen van onze vrouwen 451 7, 16| zielen van onze vrouwen en kinderen versmachten.~ 452 7, 17| u tot getuigen de hemel en de aarde, en onze God en 453 7, 17| getuigen de hemel en de aarde, en onze God en Here onzer vaderen, 454 7, 17| en de aarde, en onze God en Here onzer vaderen, die 455 7, 17| vergeldt naar onze misdaden, en naar de misdaden onzer vaderen, 456 7, 18| 18 En daar rees een groot en eendrachtig 457 7, 18| 18 En daar rees een groot en eendrachtig geschrei van 458 7, 18| midden der vergadering, en zij riepen tot God de Here 459 7, 19| 19 En Ozias zeide tot hen: Hebt 460 7, 20| Doch zo deze voorbijgaan, en geen hulp over ons komt, 461 7, 20| ik naar uw woorden doen. En zo heeft hij het volk doen 462 7, 20| elk naar zijn legerplaats, en zij zijn naar de muren en 463 7, 20| en zij zijn naar de muren en torens van hun stad heengegaan; 464 7, 20| van hun stad heengegaan; en hij heeft de vrouwen en 465 7, 20| en hij heeft de vrouwen en kinderen naar hun huizen 466 7, 20| naar hun huizen gezonden en zij waren in grote vernedering 467 8, 1 | 1 EN in die dagen hoorde zulks 468 8, 2 | 2 En haar man was geweest Manasse 469 8, 2 | Manasse van dezelfde stam, en van hetzelfde geslacht, 470 8, 2 | van hetzelfde geslacht, en hij was gestorven in de 471 8, 3 | schoven bond in het veld, en de hitte kwam op zijn hoofd, 472 8, 3 | hitte kwam op zijn hoofd, en hij viel te bed, en stierf 473 8, 3 | hoofd, en hij viel te bed, en stierf in zijn stad Bethulië, 474 8, 3 | stierf in zijn stad Bethulië, en zij begroeven hem bij zijn 475 8, 3 | veld dat tussen Dothaïm en Belamon ligt.~ 476 8, 4 | 4 En Judith was in haar huis, 477 8, 4 | weduwelijke staat, drie jaren en vier maanden.~ 478 8, 5 | 5 En zij maakte zichzelf een 479 8, 5 | op het dak van haar huis, en deed een zak om haar lendenen, 480 8, 5 | een zak om haar lendenen, en zij was bekleed met klederen 481 8, 6 | 6 En zij vastte al de dagen van 482 8, 6 | de dagen voor de sabbat en de sabbatdagen, en de dagen 483 8, 6 | sabbat en de sabbatdagen, en de dagen voor de nieuwe 484 8, 6 | dagen voor de nieuwe maan en de dagen der nieuwe maan, 485 8, 6 | de dagen der nieuwe maan, en de feestdagen en de dagen 486 8, 6 | nieuwe maan, en de feestdagen en de dagen der vreugde van 487 8, 7 | 7 En zij was schoon van gedaante, 488 8, 7 | was schoon van gedaante, en zeer fraai van aanzien, 489 8, 7 | zeer fraai van aanzien, en Manasse haar man had haar 490 8, 7 | had haar nagelaten goud en zilver, en knechten en maagden, 491 8, 7 | nagelaten goud en zilver, en knechten en maagden, en 492 8, 7 | goud en zilver, en knechten en maagden, en vee en akkers, 493 8, 7 | en knechten en maagden, en vee en akkers, en zij hield 494 8, 7 | knechten en maagden, en vee en akkers, en zij hield zich 495 8, 7 | maagden, en vee en akkers, en zij hield zich daar op.~ 496 8, 8 | 8 En daar was niemand die haar 497 8, 9 | 9 En Judithl hoorde de kwade 498 8, 9 | schaarsheid des waters; en Judith hoorde ook al de 499 8, 9 | Assyriërs, na vijf dagen; en zij zond haar maagd, die 500 8, 9 | haar goederen gesteld was, en riep tot zich Ozias, en


1-500 | 501-999

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License