Chapter, Verse
1 1, 6 | en zeer vele volken der kinderen van Gilod kwamen tezamen
2 1, 12| van het land Moab, en de kinderen van Ammon, en geheel Judea,
3 2, 13| en Lud, en beroofde alle kinderen van Gases, en de kinderen
4 2, 13| kinderen van Gases, en de kinderen Ismaëls, die daar woonden
5 2, 16| 16 En hij omringde al de kinderen van Midian, en verbrandde
6 4, 1 | 1 EN de kinderen Israëls, die in Judea woonden,
7 4, 7 | 7 En de kinderen Israëls deden naar dat de
8 4, 8 | hun vrouwen en hun kleine kinderen, en hun beesten.~
9 4, 10| Israëls en vrouwen, ook de kinderen, en die binnen Jeruzalem
10 4, 13| dat hij toch hun jonge kinderen niet overgave tot een roof,
11 5, 1 | Assyriërs, geboodschapt dat de kinderen Israëls zich bereiden tot
12 5, 3 | hen: Zegt mij toch, gij kinderen Kanaäns, wat volk dit is,
13 5, 5 | Achior, de overste van al de kinderen Ammons, zeide tot hem: Mijnheer
14 5, 26| wij vrezen niet voor de kinderen Israëls, want ziet het is
15 6, 1 | der uitlanders en tot alle kinderen Moabs:~
16 6, 7 | overleveren in de handen der kinderen Israëls.~
17 6, 10| 10 Maar de kinderen Israëls kwamen nederwaarts
18 6, 13| midden van de oversten der kinderen van Assur; wat hoogmoedige
19 7, 1 | eerst innemen, en dat men de kinderen Israëls de krijg zou aandoen.~
20 7, 4 | 4 De kinderen Israëls nu als zij hun menigte
21 7, 6 | uit, voor het gezicht der kinderen Israëls, die te Bethulië
22 7, 8 | kwamen al de oversten van de kinderen Ezau's, en al de leidslieden
23 7, 9 | 9 Want dit volk van de kinderen Israëls verlaat zich niet
24 7, 10| zij en hun vrouwen en hun kinderen, en eer het zwaard over
25 7, 12| 12 En het heer der kinderen Ammons, en vijfduizend uit
26 7, 12| Ammons, en vijfduizend uit de kinderen van Assur met hen trokken
27 7, 12| waterleidingen en fonteinen van de kinderen Israëls eerst in, en de
28 7, 12| Israëls eerst in, en de kinderen Ezau's, en de kinderen Ammons
29 7, 12| de kinderen Ezau's, en de kinderen Ammons klommen op, en sloegen
30 7, 13| 13 En de kinderen Israëls riepen tot de Here
31 7, 13| zekere mate. En hun jonge kinderen versmachtten, en hun vrouwen
32 7, 13| jongelingen en vrouwen en kinderen, en riepen met luider stem
33 7, 13| vrede hebt gesproken tot de kinderen Assurs.~
34 7, 16| en wij zullen onze jonge kinderen met onze ogen niet zien
35 7, 16| zielen van onze vrouwen en kinderen versmachten.~
36 7, 20| hij heeft de vrouwen en kinderen naar hun huizen gezonden
37 8, 11| gezet, in het midden van de kinderen der mensen.~
38 9, 3 | verdeling onder uw lieve kinderen, welke ook met uw ijver
39 9, 18| huis der bezitting van uw kinderen;~
40 10, 8 | aanslagen, tot roem van de kinderen Israëls en verhoging van
41 10, 16| verwonderden zich over de kinderen Israëls om harentwil, en
42 12, 8 | wilde, tot oprichting van de kinderen haars volks.~
43 14, 2 | tegen de eerste wacht der kinderen van Assur, maar gij zult
44 15, 3 | strijdbare mannen van de kinderen Israëls.~
45 15, 5 | 5 Als nu de kinderen Israëls zulks gehoord hadden,
46 15, 8 | 8 En de kinderen Israëls wedergekeerd zijnde
47 15, 9 | hogepriester, en de raad van de kinderen Israëls, die te Jeruzalem
48 16, 6 | aarde slaan, en mijn jonge kinderen tot buit geven, en mijn
49 16, 8 | door jonge mannen, en de kinderen der Titanen hebben hem niet
50 16, 14| hebben hen doorstoken, en als kinderen der overlopers hebben zij
51 16, 30| was niemand meer, die de kinderen Israëls enige vrees aandeed,
|