Chapter, Verse
1 1, 2 | lengte; en maakte de hoogte des muurs zeventig ellen, en
2 2, 10| hij nam goud en zilver uit des konings huis, zeer veel.~
3 2, 11| bedekte het gehele aangezicht des lands tegen het westen met
4 2, 13| woestijn tegen het zuiden des lands Chellon, en hij trok
5 2, 17| jonge mannen met de scherpte des zwaards.~
6 3, 2 | Ziet, wij zijn knechten des groten konings Nabuchodonosors,
7 3, 11| besloten, dat hij al de goden des lands zou vernielen,~
8 4, 1 | Holofernes, de krijgsoverste des konings van Assyrië, aan
9 4, 2 | Jeruzalem, en de tempel des Heren huns Gods, want zij
10 4, 5 | Esdrelon ligt, aan de vlakte des velds dat bij Dothaïm is,
11 4, 7 | hogepriester Joakim, en de raad des gansen volk Israëls, die
12 4, 10| vielen neder in het gezicht des tempels,~
13 4, 11| zakken uit voor het aanschijn des Heren.~
14 4, 15| gezicht van het heiligdom des Heren de almachtige.~
15 4, 16| offerden het brandoffer des gedurigen offers, en de
16 4, 16| en de vrijwillige gaven des volks, en as was op hun
17 5, 8 | vaderen, en hebben de God des hemels aangebeden, de God
18 6, 1 | zei Holofernes de overste des heerlegers der Assyriërs
19 6, 3 | verdelgen van het aanschijn des aardbodems, en hun God zal
20 6, 4 | Nabuchodonosor, de heer des gehelen aardrijks, want
21 6, 8 | en trokken van het midden des vlakken velds naar het gebergte,
22 6, 8 | der stad hen op de spits des bergs zagen, namen zij hun
23 6, 8 | buiten de stad naar de spits des bergs toe, en allen die
24 6, 9 | nadat zij hem aan de voet des bergs geworpen hadden, lieten
25 6, 15| 15 Here, gij God des hemels, zie op hun hoogmoed,
26 7, 1 | 1 EN des anderen daags gebood Holofernes
27 7, 8 | Moabieten, en de krijgsoversten des lands aan de zee, en zeiden:
28 7, 12| bedekte het gehele aangezicht des lands, en hun tenten, en
29 8, 2 | was gestorven in de dagen des gerstenoogstes.~
30 8, 9 | hoorde de kwade woorden des volks tegen de oversten,
31 8, 9 | waren vanwege de schaarsheid des waters; en Judith hoorde
32 8, 13| Want de diepte van het hart des mensen kunt gij niet doorgronden,
33 8, 15| worden, noch als een zoon des mensen, dat hij zou geoordeeld
34 8, 20| broederen, en de gevangenis des lands, en de verwoesting
35 9, 16| erfdeel Israëls, gij Here des hemels en der aarde, gij
36 9, 18| thuis, en tegen de spits des bergs Sion, en tegen het
37 11, 5 | dienen, maar ook de dieren des velds en de beesten, en
38 11, 5 | de beesten, en de vogelen des hemels zullen door uw geweld
39 11, 14| dienende nacht en dag de God des hemels. En nu ik zal bij
40 11, 14| heer, en uw dienstmaagd zal des nachts uitgaan in het dal,
41 11, 21| en gij zult in het huis des konings Nabuchodonosor wonen,
42 12, 7 | drie dagen, en zij ging des nachts uit naar het dal
43 13, 24| geleid heeft tot verwonding des hoofds van de overste onzer
44 14, 6 | man onder de vergadering des volks, zo viel hij op zijn
45 14, 6 | verhaalde hem in het midden des volks, al hetgeen zij gedaan
46 14, 8 | benden tot aan de opgang des bergs, en de Assyriërs,
47 14, 15| schaamte gebracht over het huis des konings Nabuchodonosors,
48 16, 3 | zijn leger, in het midden des volks, mij verlost, uit
49 16, 14| zijn vergaan door het heer des Heren, mijns Gods.~
50 16, 20| hen wraak doen, in de dag des gerichts.~
|