Chapter, Verse
1 2, 4 | raadslag geëindigd had, zo riep Nabuchodonosor, de
2 2, 6 | roof in al uw land; want zo zeker als ik leef, en de
3 5, 19| 19 En zo lang zij niet zondigden
4 5, 23| 23 En nu, heersende heer, zo er misdaad in dit volk is,
5 5, 23| misdaad in dit volk is, en zo zij zondigen tegen hun God,
6 5, 23| zondigen tegen hun God, en zo wij bemerken dat er onder
7 5, 23| hen zodanige ergernis is, zo zullen wij opklimmen en
8 5, 24| 24 Maar zo daar geen ongerechtigheid
9 5, 24| ongerechtigheid onder hun volk is, zo ga, mijn heer, hen voorbij,
10 5, 27| 27 Daarom zo zullen wij optrekken heer
11 6, 1 | vergadering waren, ophield, zo zei Holofernes de overste
12 6, 2 | dat gij heden onder ons zo geprofeteerd en gezegd hebt,
13 6, 4 | zullen ganselijk omkomen. Zo zegt Nabuchodonosor, de
14 6, 6 | zullen gevangen worden, zo laat uw aangezicht niet
15 7, 2 | 2 Zo trokken alle kloeke mannen
16 7, 16| wij hun ten roof worden, zo zullen wij hun tot knechten
17 7, 20| 20 Doch zo deze voorbijgaan, en geen
18 7, 20| geen hulp over ons komt, zo zal ik naar uw woorden doen.
19 7, 20| naar uw woorden doen. En zo heeft hij het volk doen
20 8, 14| niet tot gramschap. Want zo hij in deze vijf dagen ons
21 8, 20| zijn, zal Judea niet meer zo genoemd worden, en onze
22 8, 24| onderzoeking huns harten, zo wreekt hij zich niet over
23 9, 2 | gij hadt gezegd, het zal zo niet zijn) en die dat gedaan
24 9, 18| wonde en striem worde, die zo harde raadslagen genomen
25 10, 7 | haar kleding veranderd was, zo verwonderden zij zich uitermate
26 10, 14| haar aangezicht aanmerkten, zo was het voor hen zeer wonderlijk
27 10, 16| Wanneer gij nu voor hem staat, zo zijt niet bevreesd in uw
28 11, 4 | dienstmaagd zult volgen, zo zal God de zaak met u volkomen
29 11, 5 | 5 Want zo waar als Nabuchodonosor,
30 11, 5 | gehele aarde, leeft, en zo waar als zijn kracht leeft,
31 11, 5 | zielen met orde te richten, zo zullen niet alleen de mensen
32 11, 9 | uit te richten zou zijn, zo is de dood hun over het
33 11, 9 | hun God zullen vertoornen, zo wanneer zij deze onbehoorlijkheid
34 11, 10| zeer weinig is geworden, zo hebben zij beraadslaagd
35 11, 13| aardrijk zullen ontzetten, zo velen als er van horen zullen.~
36 11, 21| gelijk gij gezegd hebt, zo zal uw God mijn God zijn,
37 12, 4 | En Judith zeide tot hem: Zo waarachtig als uw ziel leeft,
38 12, 11| met haar te hebben, want zo wij haar niet tot ons trekken,
39 12, 15| 15 Zo stond zij op en versierde
40 12, 20| veel wijn, zodat hij nooit zo veel op één dag gedronken
41 13, 1 | als het laat geworden was, zo haastten zich zijn dienstknechten
42 13, 20| 20 En zo waarachtig als de Here leeft,
43 14, 2 | de zon op aarde opgaan, zo zal een iegelijk van u zijn
44 14, 6 | 6 Maar eer gij dat doet, zo roept mij Achior, de Ammoniet,
45 14, 6 | de vergadering des volks, zo viel hij op zijn aangezicht,
46 14, 6 | zij ophield van spreken, zo juichte het volk met luider
47 14, 8 | de morgenstond aanbrak, zo hingen zij het hoofd van
48 14, 8 | bergs, en de Assyriërs, zo haast zij hen zagen, zonden
49 14, 16| Assyriërs deze woorden hoorden, zo scheurden zij hun klederen,
|